thema:

Twintigste eeuw B-versie

Vertaling: ,

Kunststof

Ineens was de kunststof er.
Hoewel niemand die uitgevonden had.
Tenminste honderd Duitse wetenschappers met gekamde
Baarden hadden het uitgevonden of helemaal niemand,
Kunststof had geen ouders.
Het groeide in tehuizen op.
Niemand die het ooit echt liefhad.
Het was slecht, lichtgebouwd en het stonk
Als het brandde. We gebruikten het als boodschappentas.
Als luchtballon, als bijna alles.
Maar wij verdedigden het niet
Als iemand erop schold
Uit wraak is het nooit van huis weggelopen
Het grijnsde naar ons vanuit de doornstruiken.
En hielden wij het in de schemering voor doodshoofden
Dan bracht het schande over de dood.
Bij gelegenheid… maar die gelegenheid
Deed zich nooit echt voor. Nooit.

 

De tv

Ik deelde mijn jeugd met de tv.
Wij ravotten. Zij voerden ons gezamenlijk
Mij met melk en brood, hem met stroom
En aandacht. Ik werd een volwassene
Hij een dier, een wild dier. Hij verleerde het praten,
Ik leerde het. Bij het afscheid
Begrepen wij elkaar niet langer. Ik dacht dat hij
Ook mij vergeten was. Een paar jaar geleden
Zag ik hem terug in Roemenië.
Hij had al kleur, maar
Ze hadden hem een ring door de neus gehaald
En lieten hem dansen op het plein.
Hij zag mij en rukte zich los
Rende naar mij toe, likte mijn gezicht.
Ze dachten hij vermoordt mij, maar hij wilde slechts
dat ik hem naar huis zou brengen.
Maar ik moest toen een trein halen en
Liet de tv aan zijn lot over.

 

Twintigste eeuw B-versie

Alle wegen leidden naar de dood.
Ik was verrast en wacht slechts:
Rond Rome een donkergroene zone.
Het is makkelijk om de stad mis te lopen
Alle wegen leiden naar de dood
Op hen allemaal karavanen van auto’s

Naaldwouden, gegronde horror
Dit is niet de rand van Rome, zeker niet.
Onder de strada bewoonde holtes
De meeste auto’s gedeukt en smerig
Een hele eeuw heeft zich hier verzameld
Dit is niet de rand van Rome, zeker niet.

De benzine – als ze verstopt is of uitgevloeid –
Kunnen wij hier niet meer bijvullen.
Hier werkt nu wat er al was
Een te voorziene, grijze toer.
Gek geworden jochies bekogelen het konvooi
En deze eeuw begint opnieuw

Alleen zijn de omstandigheden nu slechter
Ik was verbluft en wacht slechts
Alle wegen leiden naar de dood,
Het is makkelijk om de stad te verliezen.
Rond Rome een groene gifzone
Tot de twee oceanen duurt de stad

 

Kleine aap

De kop heeft nu geen tijd voor jou. Hij raast.
Het park heeft nu geen tijd voor jou. Hij raast.
Het verkeer heeft geen tijd voor jou. Het raast.
Allemaal razen ze.

De stad heeft nu ook geen tijd. Ook zij raast.
De nachtelijke hemel is ook bezig. Hij raast.
Ook alle airconditioners zijn aan het razen.

Niets heeft nu tijd. Alles raast.
Ze hebben geen tijd voor jou, zijn nu aan het werk.
Onder elkaar verdelen zij dit zachte gerommel.

Speel maar alleen, kleine aap

 

Treurig

Je moet binnen zinnen raken.
Zoals de zelfmoordenaar, als hij rugwaarts leeft.
Het puntje van de I halen,
maar het terugzetten als zijn plaats wit is.

Beter is het als alles zo blijft als ik het aantrof,
het was eigenlijk zo slecht nog niet.
De lakens uitstoppen, op de grond slapen.
En het verleden wordt weer gezond.

Het was een cadeau. Ik hoor de smak
al voor de val, nog veel eerder.
Een engel zweeft langs. De orde herstelt zich.
Het papier vouwt open, het voorwerp valt eruit.

Dan weer helemaal mooi opnieuw beginnen,
Zoals de zelfmoordenaar, als hij rugwaarts leeft
Dit hier, het allemaal vergeten.
Briefjes schrijven: melk, brood
melk, brood.

 

Vaalgrauwe zwerver

De weg van de kogel van noodlot tot president
Wat lood niet kan doorstaan en hoe
Langzaam het is, groot, onhandig
En voorbestemd!

Ach kroegen waarin hij steken blijft
Ach dalen waar hij in rolt
Ach camouflages waarin hij zich camoufleert
Ach situaties waarin hij mens is

Ach schrijftafel waarop hij wekenlang rust
En waarvan zij ineens verdwijnt
Ach lucht door wie zij straks fluit

Geef haar niets te eten
Geef haar niets meer te drinken
Zij is lood. Moordende traagheid.

Uit: Célszerű romok (Bruikbare ruïnes). Gutleut Verlag, Frankfurt am Main & Weimar 2007.

Over de auteur:

István Kemény werd in 1961 geboren in Boedapest. Hij debuteerde als dichter in 1984 met de bundel Csigalépcsõ az elfelejtett tanszékekhez (Wenteltrap naar de vergeten faculteit). Met deze en de daarop volgende bundels maakte Kemény in Hongarije snel naam als dichter. Hij werd meermaals bekroond en kreeg in 1997 de belangrijkste Hongaarse onderscheiding voor Poëzie, de József-Attila-Prijs. Hij publiceerde naast gedichten ook een paar experimentele romans en schrijft ook essays en toneelstukken.

Over de vertalers:

Mischa Andriessen (1970), schrijver, vertaler, recensent. Publiceert over jazz en beeldende kunst en vertaalde onder meer Graham Swift. Publicaties: Uitzien met D (poëzie, 2008), Huisverraad (poëzie, 2012) en Dwalmgasten (poëzie, 2016). Hij publiceerde proza in De Revisor.