thema:

Ulrike Draesners Nibelungen

In Polizeiruf Münster, een van de geestigste Tatort-series van de laatste jaren, is een
hoofdrol weggelegd voor de patholoog–anatoom professor Börne, een briljante chaoot
en autist, die lak heeft aan alle conventies en er niet voor terugdeinst zijn assistente,
een ‘kleine vrouw’ zoals dat tegenwoordig politiek correct heet, als ‘Alberich’ aan te
spreken. Haar werkelijke voornaam krijgt de kijker nooit te weten. Klassiek leeft in
Duitsland, want Alberich heette de dwerg die in het beroemde 13e eeuwse versepos
de schat van het Nibelungenvolk bewaakte alsmede een onoverwinnelijk zwaard en
een onzichtbaar makende ‘hulmantel’. De held Siegfried zal ze hem aftroggelen en
eraan ten onder gaan Voordat we halverwege het epos zitten is hij al gedood door
de sinistere Hagen. Siegfried is dan ook niet de ware hoofdpersoon van het verhaal,
dat is zijn jonge weduwe Kriemhilt, die jarenlang zal zinnen op wraak. Volgende
Tatort: het hof van haar tweede man, koning Etzel in Hongarije waar de wraakneming
plaats vindt, een actie die uitloopt uit op een vlammend inferno, een rokende burcht,
duizenden doden, een immense berg van lijken waaronder dat van Kriemhilt zelf en
haar onthoofde zoontje. Het epos moet, gezien het grote aantal bewaard gebleven
handschriften, in de middeleeuwen nog lang onnoemelijk populair zijn geweest. Dat
het ook een van de meest komische scènes van de hele Duitse literatuur bevat (Kriemhilts
rivale Brünhilt, die in de bruidsnacht haar echtgenoot aan een haak hangt), zeg
ik er ter geruststelling maar even bij.

Terug van weggeweest

Zoals bij veel oude literatuur raakte het epos van bijna tienduizend verzen na de middeleeuwen
een tijdje uit zicht, maar het werd in de 19e eeuw opnieuw bekend en in
moderner Duits vertaald. Bij die gelegenheid kreeg het de twijfelachtige status van
‘Nationalepos’. Het waren ‘professorenvertalingen’, een genre waar de schrijver
Dieter Kühn genadeloos mee afrekende. Hij deed dat rond de jaren tachtig van de
vorige eeuw, toen hij voor een literaire sensatie zorgde met zijn eigen fonkelende vertalingen
van grote middeleeuwse dichters als Gottfried von Strassburg, Wolfram von
Eschenbach en Oswald von Wolkenstein. Opeens waren de verhalen van Parzifal,
Tristan & Isolde weer volop aanwezig, mede doordat Kühn hun werk inbedde in lijvige
romans waarin hij de middeleeuwse wereld op een bevlogen manier reconstrueerde
en een persoonlijk gezicht gaf aan de schrijvers van wie meestal nauwelijks meer
dan de naam bewaard is gebleven. Bij het Nibelungenlied is zelfs die niet bekend,
misschien wel een van de voornaamste redenen waarom juist dit werk in het rijtje van
Kühns bestsellers ontbreekt.

Nibelungen revisited

Dat gemis wordt nu ruimschoots goedgemaakt door de dichteres, romanschrijfster en
literatuurtheoretica Ulrike Draesner. Ook zij kwam goed beslagen ten ijs, niet voor
niets sloot zij haar studie Germanistiek af met een dissertatie over het andere topstuk
van de middeleeuwse epiek: Wolfram von Eschenbachs Parzival. Draesners binnenkort
te verwachten en ronduit sensationele recycling van het Nibelungenlied verschilt
diametraal van alle bestaande vertalingen, ook van de historische benadering van
middeleeuwse literatuur à la Kühn.

Valkendroom

In haar versie, die geen verteller kent, laat zij de belangrijkste personages zelf aan
het woord, niet in theatrale monologen maar met de middelen van haar eigen poëzie.
De eerste die we te horen krijgen is Kriemhilt, zuster van drie koningen in Worms. In
haar droom ziet zij een valk die verscheurd wordt door twee arenden, vooruitwijzend
naar het fatale lot van de held die binnenkort aan het hof zijn opwachting maakt en
voor korte tijd haar man zal zijn. Ik vertaal voor de gelegenheid de vier regels van de
oorspronkelijke 13e eeuwse tekst, die qua beeld en vorm overigens nauw samenhangt
met het oudste bekende Duitse minnelied:

Aan dit machtige hof / droomde Kriemhilde
dat ze een valk africhtte: / een sterke, mooie, wilde;
ze zag twee arenden, / die zouden hem verscheuren.
Iets ergers had haar hier / op aarde niet kunnen gebeuren.

In het eerste van de zeven lange prozagedichten waarmee Draesner het epos nieuw
leven inblaast, begint Kriemhilt aldus:

Gevederte fffft donker – stippels
zie de veren siena om vleugel
kornalijn voel hartklop siena
glinster kopergroen voel klauw en klepel
van vleugel bronzen siena wit
hemelwaarts gespannen onder
een lichaam gevleugeld
– veer op

De laatste regel sluit aan op de beroemde illustraties van Carl Otto Czeschka (1878-
1960), die organisch met het gedicht verweven zijn. Daarin zien we Kriemhilt op haar
bed in een totaal zwarte kamer, waar ze opschrikt uit haar beangstigende droom.

Steeds vergeet ik …

Ik heb hierboven met enkele regels geprobeerd de plot van het Nibelungenlied weer
te geven. Dat kan ik natuurlijk veel beter aan Ulrike Draesner zelf overlaten, die zegt
steeds weer te vergeten hoe de handeling ook weer in elkaar steekt. In het tweede gedeelte
van haar boek belicht ze daarom een aantal afzonderlijk aspecten alsof we met
een hele reeks verschillende romans te maken krijgen: het Nibelungenlied als liefdesroman,
als Siegfriedroman, als staatsroman, als kindermoordroman, als brandroman
enzovoort. Tien keer het Nibelungenlied in zakformaat, wat vaak hilarische lectuur
oplevert en tevens het eerste grote commentaar is op haar eigen gedicht. Gedicht en
prozacommentaar bieden samen een hoogst originele en fascinerende visie op een
werk dat ons vreemd dreigde te worden doordat het stamt uit een tijd waarin de roman
iets totaal anders was dan wat hij nu is.

Ulrike Draesners tekst verschijnt onder de titel Nibelungen. Heimsuchung de komende
herfst bij Reclam, de uitgeverij die sinds jaar en dag zowat alle belangrijke klassieke
Duitse teksten beschikbaar houdt, waaronder natuurlijk ook het originele Nibelungenlied.
Wat het laatste betreft kan het groeiend aantal Nederlanders dat van het Duits
vervreemd is zich te goed doen aan de in 2011 bij Boom verschenen vertaling van
Jaap van Vredendaal.

Naar de Nibelungen revisited van Ulrike Draesner, in vertaling van Ard Posthuma.

Over de auteur:

Ard Posthuma (1942) is vertaler, redacteur, lector en docent. Hij vertaalde Martinus Nijhoff, Cees Nooteboom, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens en Tsjêbbe Hettinga, Ingo Schulze en Johann Wolfgang Goethe. In 2015 won Posthuma de Brockway Prize.