thema:

Vijanden

Vertaling:

Bake McKurty had genoeg ervaring met de parasitaire vermenging van kunst en commercie, literatuur en groot geld. ‘Vrij vers en vastgoed!’ had hij uitgeroepen naar zijn vrouw Suzy – en toch leek het of zulke mengsels nooit hun vermogen verloren om hem met afkeer te vervullen. De zucht naar rijkdom ontmoette de zucht naar het verhevene en even boterde het tussen iedereen. Dat kwam vaak genoeg voor, maar hoe raakte je die vettige bijsmaak weer kwijt? ‘Daar is je citroen voor,’ zou Suzy zeggen, terwijl ze wees naar de twist in de martini waar hij niet van hoorde te drinken. Toch voelde hij zich zo nu en dan, terwijl hij opkeek tussen een krabcocktail en een met venkelpollen bestoven smaakneutraliserende sorbet, geschokt door het hele gebeuren.

‘Het is symbiose,’ zei Suzy terwijl ze zich opmaakten om te gaan. ‘Zie ons maar als het krill dat garnalen schoonhoudt en helpt zien. Of die vogel die insecten uit de huid van neushoorns pikt.’

‘Dus we zijn blindengeleidekrill.’

‘Ja!’

‘We zijn ossenpikkers.’

‘Nou ja, dat wou ik niet meteen zeggen,’ antwoordde ze.

‘Kleine beestjes spelen een grote rol in onze wereld,’ zei Bake.

‘Voedsel’ zei ze. ‘Voedsel en verzorging spelen een grote rol. Trek je dat aan?’

‘Is er iets mee?’

‘Weg met die— Wat zijn dat?’

‘Bretels.’

‘Ze zijn rood.’

‘Al goed, al goed. Maar weet je, ik doe dat nooit bij jou.’

‘Ik ben het kijkende krill,’ zei ze. Ze streek zijn haar glad, dat sinds kort een vreemde pompon was van zilver en vlassig blond.

‘En ik ben de blinde jongen?’

‘Nou ja, dat wou ik ook weer niet zeggen.’

‘Je ziet er goed uit. Wat dat ook is wat je aanhebt. Zie je? Ik geef jou wel complimentjes.’

‘Het is een sarong.’ Ze sjorde hem iets omhoog.

Hij trok zijn bretels los. ‘Nou, hier. Misschien kun je deze gebruiken.’

 

Om wat geld te sparen sliepen ze bij een B&B in Georgetown, in een stadspand waar de eigenaars ’s nachts warme koekjes voor elke deur legden als compensatie voor hun luidruchtige peuter, die om zes uur ’s ochtends al bevelen zat te blaffen en haar moeder gebood dit of dat speelgoed voor haar te pakken. Nadat ze een middag in de stad hadden rondgekeken – al die musea die draaiden op inkomstenbelasting; ze voelden zich net filantropen die langskwamen om te bezichtigen wat er met hun geld was gedaan – waren Suzy en Bake al moe. Ze hielden een taxi aan en gaven het adres van het evenement door aan de bestuurder, die knikte en veelbetekenend zei: ‘O, ja.’

Goede smaak was ver te zoeken – bij dit gala was zelfs het laatste vernisje van bescheidenheid weggehaald: het benefietdiner voor het Lunar Lines Literary Journal – 3LJ voor lezers en inzenders, door de redactie ‘het blad’ genoemd, alsof er geen andere waren – vond plaats in een bank. Of tenminste een ex-bank, een die kortgeleden failliet was gegaan, en waar ze nu onder het gewelf orecchiette met inktvisinkt serveerden, en martini’s en grenache bij de voormalige loketten. Hout en marmer waren geolied en gepolijst, de glazen tussenschotten weggehaald. In het avondlicht fonkelde het er als goud. Het was enig! Wat maakte het uit dat de subtiele grenzen tussen evenement en transactie vervaagd waren? Wat maakte het uit dat dit een mausoleum van hebzucht was waar nu iedereen in danste? Hij en Suzy waren uitgenodigd. Je kon altijd de lijdende vorm gebruiken om je verantwoordelijkheid te verdoezelen.

Maar de uitnodiging voor dit gala in D.C. leek Bake niet meer dan stom toeval, want Man on a Quarter, Man on a Horse, de slechtlopende biografie van George Washington die hij had geschreven (in een jaar dat iedereen door Lincoln geobsedeerd was, had zelfs Presidents’ Day, dat aan beiden gewijd was, weinig gedaan voor de verkoopcijfers van zijn boek), leek hem bij geen van beide soorten gasten in te delen. Maar Lunar Lines, waarvan het hoofdkantoor in Washington stond, had er een fragment uit geciteerd, alsof ze het bestaan van hun stad wilden vieren. En dus had Bake twee vrijkaarten voor het diner gekregen. Hij zou moeten socializen en met de andere genodigden aanpappen – de rijken, de geldschieters van het blad, die vijfhonderd dollar per bord betaalden. Kon hij dat aan? Kon hij de hofnar uithangen, de dorpsgek, de excuusschrijver aan tafel? ‘Reken maar,’ loog hij.

Waarom was hij gekomen? Washington was weliswaar vernoemd naar de man aan wie hij jaren van toegenegen aandacht en onderzoek had gewijd, maar de stad zelf had hij nooit gemogen. Een opzichtige bedrijfsstad die op een moeras gebouwd was – een lompe, opgeblazen, peperdure autoshowroom in de handen van gladiatoren. Corrupte topbeambten met hoofden vol valse oneliners en geveinsd geheugen. ‘Zo! Hoe gaat het? Tijdje geleden.’ Niet eens, ‘Dat is lang geleden,’ want wie weet? Misschien was het helemaal niet zo lang geleden. Beter dus om gewoon neutraal te zeggen, ‘Tijdje geleden,’ want dan kon niemand je tegenspreken.

Hij bleef zo dicht mogelijk bij Suzy. ‘De wijn is in ieder geval lekker,’ zei ze. Ze waren niet echt aan het socializen. Wat ze deden leek meer op ongemakkelijk deinen, ronddobberen en heen en weer wiegen. Door de akoestiek was het onmogelijk om normaal te praten, dus riepen ze alleen betekenisloos wat, om daarna weer stil te vallen. Het lawaai in de zaal was oorverdovend als de zee, en de bulderende jovialiteit van anderen leek hun laatste beetje hoop op geluk te overspoelen.

‘Nog even en we moeten onze tafel zoeken,’ riep hij, terwijl hij zijlings de enorme zaal in keek, waar honderd met wit beklede cirkels stonden waarop kaarslicht flakkerde. In het midden van de tafels stonden ook kleine vaasjes met takjes heide die zo vlam konden vatten, en kleine kaarthouders van chroom met de tafelnummers. ‘Waar zitten we?’

Suzy trok hun nummerkaartje uit wat ze voor de grap haar ‘snoezige kleine handtasje’ noemde en stopte het weer terug. ‘Nummer 79,’ zei ze. ‘Ik hoop dat het bij de wc’s is.’

‘Ik hoop dat het bij de uitgang is.’

‘Kom, we rennen snel naar buiten.’

‘Of we roepen “brand!”’

‘Of we doen alsof we allebei een hartaanval krijgen.’

‘Heb je wiet bij je?’

‘We zijn met het vliegtuig, weet je nog? Ik kan geen wiet meenemen in het vliegtuig.’

‘We zijn ons gevoel voor avontuur kwijt. In alle opzichten.’

‘Dit is een avontuur!’

‘Ja, dat bedoel ik dus.’

Toen er een belletje rinkelde was het de bedoeling dat iedereen ging zitten – niet alleen de mensen in rolstoel. Bake liet Suzy vooroplopen terwijl ze zich, glas in de hand, een weg baanden langs de tientallen tafels die hen scheidden van nummer 79. Ze waren er als eersten, en toen hij de plaatskaartjes bekeek en zag dat iemand Suzy ver bij hem vandaan had gepland, verwisselde hij snel de kaartjes zodat ze naast hem kwam te zitten, aan zijn linkerkant. ‘Ik ben niet helemaal hierheen gekomen om niet eens naast je te zitten,’ zei hij, en ze glimlachte flauwtjes en kneep in zijn hand. Zulke gebaartjes waren belangrijk, want ze hadden al zes maanden geen seks meer gehad. ‘Ik ben zestig en aan de antidepressiva,’ had Bake gezegd toen Suzy een keer (waarom alleen één keer?) had geklaagd. ‘Ik mag van geluk spreken dat m’n piemel er niet af is gevallen.’

Ze bleven bij hun stoelen staan terwijl ze op de andere gasten wachtten. Al snel kwamen er twee jonge beleggers van Wall Street bij die hun banen nog niet kwijt waren. Toen een beeldhouwster en haar zoon. Toen een junior-redacteur van 3LJ. En als laatste, voor de stoel rechts van hem, een kwieke Aziatische jongedame met tikkende hoge hakken. Als groet stak ze haar hand naar hem uit. Haar nagels waren lang en witgelakt – misschien waren ze nep: Suzy zou het weten, maar Suzy zat nu al aan tafel en was in gesprek met de beeldhouwster naast haar.

‘Ik ben Linda Santo,’ zei de vrouw rechts van hem met een glimlach. Haar zwarte haar glansde en het was zo lang dat ze het met een hoofdbeweging achter haar schouder kon gooien maar kort genoeg om al snel weer terug te vallen. Ze droeg een donkerblauwe satijnen jurk en ze had een parelketting om. De rode omslagdoek die eerst om haar schouders had gehangen legde ze nu over de rug van haar stoel. Hij voelde een kleine prikkeling in zijn binnenste. Hij had Aziatische vrouwen altijd al aantrekkelijk gevonden, al wist hij dat hij dat niet tegen Suzy moest zeggen, of eigenlijk tegen wie dan ook.

‘Ik ben Baker McKurty,’ zei hij en schudde haar hand.

‘Baker?’ herhaalde ze.

‘Ze noemen me meestal Bake.’ Hij gaf haar per ongeluk een knipoog. Je moest erg stevig in je schoenen staan om naar mensen te knipogen zonder hen af te schrikken.

‘Bake?’ Ze keek hem een beetje ontzet aan – voor zover je alleen een beetje ontzet kon zijn. Ze leek wat van haar stuk gebracht, dus trok hij haar stoel naar achter om te laten zien dat hij ongevaarlijk was. Ze zaten nog maar net toen de voorgerechten binnen kwamen vliegen. Tomaten gevuld met avocado en avocado’s gevuld met tomaten. Het was guitig bedoeld – een kerstige kleurencombinatie, al was het nog lang geen kerst.

‘Dus, waar zijn alle schrijvers?’ vroeg Linda Santo hem, terwijl ze over haar beide schouders keek. Het glanzende haar vloog in het rond. ‘Er is me verteld dat er schrijvers zouden komen.’

‘Ben jij geen schrijver?’

‘Nee, ik ben een lobbyist van de duivel,’ zei ze met een kleine grijns. ‘Ben jij schrijver?’

‘In zekere zin wel, denk ik,’ zei hij.

‘Echt?’ Haar gezicht klaarde op. ‘Wat mag je dan zoal geschreven hebben?’

‘Wat ik geschreven mag hebben? Of: wat heb ik daadwerkelijk geschreven?’

‘Eén van de twee.’

Hij schraapte zijn keel. ‘Ik heb een aantal biografieën geschreven. Boy George. Koning George. En nu George Washington. Dat is mijn recentste. Een biografie van George Washington. Een fascinerende man, echt, met een enorme vastgoedknobbel. En nogal verontwaardigd over het feit dat hij nooit bevorderd werd toen hij in het Britse leger diende. Wat er al niet tot oorlog kan leiden! En ik ben niet zoals zijn andere biografen. Ik sluit niet uit dat hij op mannen viel.’

‘Je bent een George-biograaf,’ zei ze knikkend en onbewogen. Ze had duidelijk gehoopt op Don DeLillo.

Dat provoceerde hem. Hij kreeg een driftige, krankzinnige ingeving. ‘Nou, eigenlijk heb ik de Nobelprijs gewonnen.’

‘Echt?’

‘Ja! Maar, nou ja, ik won hem in een jaar dat er weinig aandacht voor was bij de media. Dus het raakte een beetje verloren in de drukte. Ik won – vlak na elf september. In de schaduw van elf september. Dat wil zeggen, ik won precies op het moment dat de tweede toren geraakt werd.’

Ze fronste diep. ‘De Nobelprijs voor de Literatuur?’

‘O, voor Literatuur? Nee, nee, nee, niet voor Literatuur.’ Zijn penis lag nu zacht als een krimpende perzik in zijn broek.

Suzy leunde van links naar hen toe en zei over Bakes bord heen tegen Linda: ‘Doet hij vervelend? Zeg het maar als hij vervelend doet. Ik ben Suzy.’ Ze haalde haar hand van haar schoot en de twee vrouwen schudden elkaar boven zijn avocado de hand. Hij kon zien dat Linda’s nagels nep waren. Of, als ze niet nep waren, iets anders. Het leken net klauwen.

‘Dit is Linda,’ zei Bake. ‘Ze is een lobbyist van de duivel.’

‘Echt waar!’ antwoordde Suzy opgewekt, maar ze werd al snel door de beeldhouwster op haar arm getikt en moest zich omdraaien om voorgesteld te worden aan haar zoon.

‘Is het moeilijk om lobbyist te zijn?’

‘Het is interessant,’ antwoordde ze. ‘Hard werken, maar interessant.’

‘Dat is het beste werk.’

‘Waar kom je vandaan?’

‘Uit Chicago.’

‘Ach, echt waar,’ zei ze, alsof hij had aangekondigd dat hij connecties had met Al Capone. Elke keer dat hij het met iemand over Chicago had, werd Al Capone genoemd. Al Capone of de Chicago Cubs.

‘Heb je trouwens al iets gehoord over de presidentskandidaat van de Democraten?’

‘Brocko? Geweldige vent! Hij is het helemaal. Hij is zelf ook schrijver. Ik vraag me af of hij hier ook is.’ Nu keek Bake, alsof hij haar nadeed, zelf over zijn beide schouders.

‘Hij is vast op pad met zijn terroristenvriendjes,’ zei Linda.

‘Heeft hij terroristenvriendjes?’ Bake had zelf een terrorist als vriend. In het Midwesten hield je van je terroristenvrienden, die meestal prima, saaie burgers waren die nog teerden op de mythische zonden van een vervlogen jeugd. Ze hadden nooit echt iemand vermoord – tenminste niet met opzet. Ze werden ouder en dikker zoals iedereen. Ze waren gerehabiliteerd. Ze zaten hun straf uit. En, nou, als ze die niet uitzaten, dankzij vreselijk klassenprivilege waardoor ze gewoon verder konden met hun bestaan alsof er nooit iets was gebeurd, nou, dan voedden ze elkaars kinderen op, haalden ze een masterdiploma en gaven ze op andere manieren iets terug aan de samenleving. Gokte hij. Hij wist helemaal niet zo veel van Chicago. Hij kwam eigenlijk uit Michigan, maar als hij op reis ging vloog hij altijd vanuit O’Hare.

‘Eh, ja. Die terrorist die overheidsgebouwen probeerde op te blazen, nog hier in Washington.’

‘Toen Brocko nog klein was? In de jaren zestig, die vent? Maar Brocko houdt niet eens van de jaren zestig. Hij vindt ze zo … sixties. De jaren zestig sleurden zijn moeder ver van hem vandaan.’

‘Zonder de jaren zestig was er niets van hem gekomen, vriend.’

Bake keek nog eens goed naar haar. Nu zag hij dat ze helemaal geen Aziaat was. Ze had gewoon een of andere plastische chirurgie gehad: haar huid was vreemd om haar ogen gespannen en gehangen. Een slordige ooglidcorrectie. Een mislukte facelift. Een uit de hand gelopen chemische behandeling. Wat het ook was, Suzy zou het precies weten.

‘Nou, hij was nog maar een kind.’

‘Dat beweert hij.’

‘Is er twijfel over zijn leeftijd?’

‘Waar is zijn geboortebewijs?’

‘Geen idee,’ zei Bake. ‘Ik weet niet eens waar dat van mij is.’

‘Dit vind ik het echte probleem: ons land is gesticht en wordt nog altijd bij elkaar gehouden door mensen die keihard hebben gewerkt om iets te bereiken.’

Bake haalde zijn schouders op en wiegde zijn hoofd in het rond. Dit was geen goed moment om het over timing te hebben. Het zou alleen ongeluk brengen als hij over geluk begon. Kon hij iets zeggen over mensen die niet verdienden wat ze hadden, in een kamer vol met zulke mensen? Ze ging verder: ‘En als je dát nog niet had begrepen, vriend, dan is ons gesprek al snel afgelopen.’

Hij schrok ervan dat ineens de hele mogelijkheid tot communicatie op het spel stond. ‘Ik merk dat je verstand hebt van de oprichting van ons land.’ Hij zou op zoek gaan naar iets dat ze gemeen hadden.

‘Ik heb John Adams op HBO gekeken. Alle afleveringen.’

‘Wat leek de acteur van George Washington sprekend, hè? Ik vond wel dat Jefferson te veel op Martin Amis leek. Zou Martin hier zijn?’ Hij keek weer over zijn schouders. Martin Amis moest onmiddellijk naar ze toe komen en hem helpen.

Linda keek hem woest aan. ‘Het was een geweldige serie en een geweldig eerbetoon aan de basisbeginselen van ons land.’

‘Wist je dat George Washington als de dood was om levend begraven te worden?’

‘Daar had ik nog niets over gehoord.’

‘Hij was zowat nergens bang voor, behalve dat. Je wist dat hij zijn slaven vrijliet?’

‘Hmmmm.’

Ze was aan het eten; hij niet. Dat zou niet in zijn voordeel werken. Toch ging hij verder. ‘Over mensen gesproken die hard voor ons land hebben gewerkt – en toch, ik wil je stelling niet al te veel tegenspreken, maar al die slaven kwamen niet bepaald hogerop.’

‘Die Barama van jou zou niet eens in de race zitten als hij niet zwart was.’

Nu raakte hij zijn eetlust helemaal kwijt. Het voedsel op zijn bord, wat het ook was, bruingrijze klodders, kwakjes oranje, werd zo abstract als een schilderij. Zijn bloeddruk schoot omhoog, hij voelde het kloppende trekje in zijn slaap. ‘Weet je, zo had ik er nog nooit over nagedacht, maar je hebt gelijk! Zwart zijn is inderdaad de snelste, makkelijkste manier om in het Witte Huis te belanden!’

Ze zei niets, dus voegde hij toe, ‘Tenzij je met de taxi gaat, want dan, nou, dan kan het wat langer duren.’

Linda keek hem kauwend aan en haar ogen flitsten. Ze slikte. ‘Nou, het schijnt dat we al een zwarte president hebben gehad.’

‘Echt waar?’

‘Ja! Een schrijver met een Nobelprijs zei van wel!’

‘Zeg. Neem het maar van me aan: geloof niet alles wat een Nobelprijswinnaar tegen je zegt. Ik denk niet dat een zwarte president ooit president zou worden als hij vreemdging met een nachtclubzangeres die tijdens de campagne persconferenties gaf. Dat kan – dat kan alleen een blanke president zijn. Mag ik het zout, alsjeblieft?’

Het zoutvat verscheen voor hem. Hij schudde wat zout over zijn bord en staarde ernaar.

Linda glimlachte streng en geforceerd terwijl ze iets met haar mes probeerde te snijden. Was het vlees? Was het kip? Het was een troost dat de rijken voor de verandering eens een lieve duit voor hun kip moesten betalen terwijl die van hem gratis was. Maar de troost was niet groot genoeg. ‘Als je denkt dat ik als vrouw niet het een en ander van discriminatie weet, zit je er toch echt naast,’ zei Linda.

‘Ach, zo makkelijk is het ook niet om een man te zijn,’ zei Bake. ‘Je moet bakken geld uitgeven aan porno, en geloof me maar dat je dát geld nooit meer terugziet.’

Toen trok hij zich terug, draaide naar links, naar Suzy, en boog zich naar haar toe. ‘Help,’ fluisterde hij in haar oor.

‘Ben je de genodigden aan het charmeren?’

‘Ik ben bang dat er straks iets gegooid gaat worden.’

‘Je zou de genodigden charmeren.’

‘Weet ik, weet ik, dat probeerde ik ook. Echt waar. Maar zij is er zo eentje die Brocko steeds maar Barama blijft noemen.’ Hij had de meeste taboes van Suzy op het gebied van tafelgesprekken al verbroken: geen politiek, geen religie, geen portfoliotips. En tenzij je het hoofdje al ziet verschijnen, nooit naar de buik van een vrouw kijken en vragen of ze zwanger is. Hij had het allemaal met vallen en opstaan geleerd.

Maar in een jaar als dit kón je sommige gespreksonderwerpen niet negeren.

‘Terug jij,’ zei Suzy. De beeldhouwster tikte haar weer op haar arm.

Hij ging het gesprek weer aan met Linda Santo, de lobbyist van de duivel. ‘Ik zie het zo – en volgens mij vind je dit wel wat. Het zou toch mooi zijn om eindelijk eens een president in het Witte Huis te hebben wiens achternaam op een klinker eindigt.’

‘Hebben we er nog nooit een gehad met een klinker aan het einde van zijn naam?’

‘Nou ja, Coolidge reken ik niet mee.’

‘Waar in Chicago kom je vandaan?’

‘Nou, vlak buiten Chicago.’

‘Waar dan buiten?’

‘Michigan.’

‘Ligt Michigan niet ver van Chicago?’

‘Klopt!’ Hij voelde de koude lucht tegen het stukje ontblote huid tussen zijn sokken en zijn broekspijpen. Toen hij naar haar handen keek leken ze verstard te zijn in de vorm van klauwen.

‘Ze hebben het altijd over de onverstoorbare lieflijkheid van het Midwesten, maar ik moet zeggen: de inwoners van Chicago lijken erg trots te zijn op hun eigen misdaadcijfers.’ Ze glimlachte macaber.

‘Ik denk niet dat dat waar is.’ Of was het wel waar? Hij wilde haar een kans geven. Wat als ze gelijk had? ‘Misschien hebben we een onvervuld verlangen naar heldenverhalen. Of misschien gaan we niet even bang door het leven als andere mensen,’ zei hij. Nu was hij alleen nog aan het gissen.

‘Wacht maar, vriend, er zit al een stel duivels naar die Sears Tower van jullie te loeren, as we speak.’

Nu zei hij niets.

‘En als jij in die toren bent als het gebeurt, wat ik natuurlijk niet hoop, maar als je daar bent, als je daar bent, áls, als je bovenin zit te lunchen of beneden een vergadering hebt of wat het ook is dat je doet, dan zal het je leven veranderen. Want ik heb het beleefd. Ik weet hoe het is om door terroristen aangevallen te worden – ik was in het Pentagon toen ze dat vliegtuig er recht in lieten vliegen en luister: ik ben levend verbrand maar ik ging niet dood. Levend verbrand, zeg ik je. En nu brandt het nog vanbinnen. Daarom weet ik meer dan ooit waar het in ons land om draait, vriend.’

Hij zag nu dat haar nagels eigenlijk van plastic waren, dat haar hand echt een uitgedroogde, verstarde klauw was, dat het gezicht dat er eerst betoverend exotisch uit had gezien eigenlijk misvormd was door het vuur en alleen deels was hersteld. Hij zag hoe ze omhuld was door heldhaftige en intense afzichtelijkheid. Haar haar was mooi, maar nu gokte hij dat het waarschijnlijk een pruik was. Hij werd vervuld van medelijden. Hij had zich nog nooit zo vreselijk gevoeld om iemand. Hoe kon iemand zo veel hebben geleden? Hoe kon iemand zo dicht bij de dood zijn gekomen, zo onverdiend, zo pijnlijk en heldhaftig, en hoe kon hij haar dan toch willen wurgen?

‘Was je lobbyist voor het Pentagon?’ Meer wist hij niet uit te brengen.

 

‘Nog vrienden gemaakt?’ vroeg Suzy in de taxi op de terugweg naar de B&B, waar warme koekjes bij hun deur zouden klaarliggen, en neusstrips op hun nachtkastje.

‘Alleen vijanden,’ antwoordde Bake. ‘Verdomd onvriendelijke vijanden. Het noemen van mijn naam alleen al voelde alsof ik op de tafel ging staan en in een wijnglas piste.’

‘Wat? O, alsjeblieft zeg.’

‘Ik vrees dat ik over politiek ben begonnen. Ik kon me niet inhouden.’

‘Brocko gaat winnen, wacht maar. Zijn dochters gaan zich hier prima vermaken. Alles komt goed. Wees maar gerust,’ zei ze, terwijl de taxi richting Georgetown voortsnelde, langs de stoepranden die al roestig rood waren van de eerste herfstbladeren.

‘Beloofd?’

‘Beloofd.’

Hij was bang om nog meer te zeggen.

Hij wist niet hoe veel tijd hij en Suzy überhaupt nog samen hadden en een eindspel van geriatrische speeddates—iedereen stokdoof en hetzelfde uiterlijk: ‘Wat? Ik versta je niet? Wat? Weer jij? Had ik jou net niet ook al?’—en dat allemaal te midden van financiële crisis en oorlog, dat zou wel eens de echte hel kunnen zijn die hem te wachten stond.

‘Laat me nooit alleen achter.’

‘Waarom zou ik dat ooit doen?’

Hij was even stil. ‘Ik bedoel niet alleen tot de dood ons scheidt, maar ook in het hiernamaals nog.’

‘Is goed,’ zei ze en kneep hem zachtjes in zijn vlezige dij. Tenminste, hij had hem ooit graag vlezig genoemd.

‘Ik ben bang dat je binnenkort een totaal voor de hand liggende reden ontdekt om me onvoldoende te vinden.’

‘Je bent voldoende,’ zei ze.

‘Net voldoende genoeg.’

Ze hield haar hand daar op zijn been, en bovenop de hare legde hij de zijne, die met de trouwring die ze hem had gegeven, identiek aan de hare. Hij zond al zijn liefde naar het uiterste van zijn vingertoppen, en terwijl zijn hand die van haar vastpakte, keek hij naar de stevige, doelbewuste hydrauliek van de knokkels en gewrichten. Maar zij had haar hoofd al afgewend en keek onverstoorbaar uit het raam, de hele weg terug, en keerde hem alleen haar sierlijke haar toe, dat als goud oplichtte in de voorbijflitsende straatlantaarns alsof het helemaal geen deel van haar uitmaakte.

Over de auteur:

Lorrie Moore (1957) is een Amerikaans auteur, vooral bekend om haar korte verhalen. Ze debuteerde in 1985 met de verhalenbundel Self Help, waarop nog twee bundels, drie romans en een kinderboek volgden. In 1998 ontving ze de O. Henry Award voor het korte verhaal ‘People Like That Are the Only People Here’ en ze kreeg in 2004 voor haar gehele oeuvre de Rea Award for the Short Story. Haar nieuwste verhalenbundel Bark: Stories (2014) stond op de shortlist voor de Frank O’Connor International Short Story Award.

Over de vertaler:

Lukas Skowroneck (1992) vertaalt uit het Engels en het Zweeds. Momenteel volgt hij de master Literair Vertalen aan de Universiteit Utrecht, met als afstudeerscriptie een onderzoek naar vertalingen van Haruki Murakami’s werk in het Nederlands, Engels, Zweeds en Duits. Hij liep in 2015 stage bij Terras.