thema:

Vogelvlucht. Over Elke Erb

Toen in 1987 de bundel Kastanienallee verscheen had Elke Erb (*1938) in de DDR de status verworven van een schrijver die zeggenschap heeft over zijn eigen woorden. Dat was bijzonder in een systeem waarin alle publicaties voorgelegd moesten worden aan de overheid. Ik noem haar laatste DDR- bundel vanwege wat meteen in het oog springt: gedichten die na afloop direct vergezeld gaan van eigen commentaar, van ‘woordelijke begeleiding die niet gewoon reflectie is, maar het taal- en aardmateriaal van de tekst voorstelt, daar waar de witte mollenhandjes het blinde handelen tevoorschijn groeven.’ De laatste woorden zijn van de dichteres Ulrike Draesner, en het komt voor haar rekening dat zij zich Elke Erb voorstelt als een mol. Over de nauwe band met dieren in het algemeen hoeft geen twijfel te bestaan; Draesner legt de nadruk op een mol en op reeën, ik zou geiten willen aandragen als wezens waar de dichteres vaker een gesprek mee aangaat. Maar de vergelijking met een mol is om twee redenen briljant: het gaat Elke Erb om het zo diep mogelijk uitspitten van een gang (zeg: toegang, thema, associatie, gevoel), maar het wroeten zelf en de aarde die erdoor opgeworpen wordt zijn al net zo belangrijk. In haar geval moet de nadruk op het creatieve proces meteen gerelativeerd worden door nadrukkelijk te wijzen op het product: het gedicht, daar gaat het om. Ik kan erover meepraten, want ik heb een middag met haar samengewerkt aan de vertalingen en vragen gesteld – in haar werkkamer, omringd door het aloude toebehoren van een dichter: stenen, ansichtkaarten, kunstboeken, walnoten.

Berlijn, Wedding, Schwedenstraße. We werken aan de gedichten uit de fameuze bundel Sonanz uit 2008. Een bundel zonder commentaar, op het eerste gezicht, maar met een ondertitel die meer doet vermoeden: ‘5-Minuten-Notate’. Elke Erb vertelt waar dat op slaat: ‘Op zekere dag vertelde Ulrike Draesner (dezelfde, tn) me, dat ze elke dag vijf minuten lang iets opschreef. Toen ik opperde dat mij dat niet zou lukken zei ze: als je niet verder kunt schrijf je gewoon steeds het laatste woord nog een keer op tot de tijd om is. Juist dat was (niet de bemoediging, maar) de definitieve prikkel: het niets dat de remming wegstreepte.’ Ik stel een vraag naar een woord, Elke reageert met een wonderbaarlijke woordenvloed waarin de woorden van het gedicht aangevuld worden met de aarde die ze verplaatsen. Later krijg ik de notities die aan de gedichten ten grondslag liggen toegestuurd. Ik citeer er een, de tekst waaruit ‘Verlangen’ ontstond (vertaald dan en met behoud van alle rafels en scheuren):

2 januari 2004 – Hem overtuigen dat het denkt: hij? onzeker en: zal wel niks worden, programma/moloch dreigt. (op dit terrein overwinningen zouden zoet zijn & broodnodig) mijn dag is. Groeten, van je laten horen, monden met hem, een kussen. Oeroude oefening. Betovering, regeling, begrip. uitgelokt door: vogels laten van zich horen (zo moet ik het ook doen) tot het menselijke, het geoefende, gepleegde, het rituele misschien. Niet laten lopen, hem binden. Ben zu bene so si gelimida sint ben zi bena, bluot zi bluoda, / lid zi geliden, sose gelimida sîn! Vogelvlucht. Oost, west. De groeve, archaïsche groeve, middig, gaat naar de doden. Stad. / Zo is het firmament ferm. Zekers. Niet eigenschapsloos. / De maan is een tekenen, geruisloos. De rivier gehoorzaam. Het gras bovenaards. / Aantekening 12 december 2012: sose gelimida sîn – alsof ze gelijmd zijn. Vertaling omstreden: dat ze aan elkaar gevoegd zijn …

Je ziet de woorden toestromen, het associëren, de niet louter door de ratio geregelde gedachtegang. Ten opzichte van het gedicht, dat het verlangen naar een zekere man weergeeft en contrasteert met de naderende dood, spreekt de notitie net iets duidelijker taal. Het verlangen is seksueel, de stap moet ontegenzeglijk gezet worden, maar hoe doe je dat? Welke toverformules moeten daaraan te pas komen. Er zijn associaties met de beroemde tweede Merseburger Zauberspruch die aan het begin staat van de Duitse literatuur, en met de dichteres van hedendaagsere Zaubersprüche, Sarah Kirsch, die een befaamde gedicht schreef over de onmogelijke liefde tussen iemand uit West- en iemand uit Oost-Berlijn: de liefde komt samen in de vogel, een milaan, die van het ene stadsdeel naar het andere vliegt en door beide personen op hetzelfde moment wordt gefixeerd.

Het bijzondere van Sonanz, gedichten die tussen oktober 2002 en juli 2006 opgetekend werden, ligt in de principiële vertaktheid van elk woord, preciezer nog: elke klank. Het kan elke richting opgaan. ‘Het associatieve verloop zorgde voor een onwillekeurige (vaak nare, want doorstane, bevoogdende) klankglijbaan van het ene woord naar het andere. Of andersom. Onverwacht echter produceerden ze als vanzelf ideële, poëtologische prikkels…’. En dat verloopt anders dan in dromen, maar wel vergelijkbaar ermee: helderder en sneller, op een spannende manier gekoppeld aan emoties, angsten bijvoorbeeld en seksuele interesses, en aan alle andere diepere condities van het menselijke bestaan. De omringende natuur verheft haar stem, de dieren reageren, je doorziet de drijfveren van de beschaving en van het verstand. Elke Erb staat erbij en is verbaasd om haarzelf: ‘De onderhuidse inscripties werden opgeroepen en namen het spel over … Ik keek naar de verzen die ze teweegbrachten en constateerde dat ik dat zelf bezwaarlijk tot stand gebracht kon hebben.’

Elke Erb kijkt in haar gedichten vaker naar zichzelf: in verwondering veelal, en vaak ziet ze zichzelf terug op jeugdige leeftijd, als meisje dat door een bos dwaalt, 12 een geit aait, bij de planten bedenkt wat ze voor haar kunnen betekenen. Intussen is ze 75, is ze vele prijzen rijker, ze zou op haar lauweren kunnen rusten, maar de zucht naar formulering neemt toe. Ze vertaalt niet alleen vanuit wat haar overkomt, ze vertaalt ook in de eigenlijke zin van het woord. In 1988 ontlokte de dichter Gregor Laschen haar het volgende toen hij vroeg hoe ze haar specifieke, eigen toon kon blijven beheersen: ‘Weet je, ik denk dat dat eigenlijk toch niet zo uit mijn buik komt. Ik heb een lange ervaring in het vertalen, een bezigheid waarbij je echt uitgedaagd wordt als er een levend gedicht voor je staat en dat moet je nu bereiken. Dat is een fantastische scholing in het lezen en dan leer je bepaalde dingen. Daar is het dan niet te bevatten hoe je dat kunt bereiken: een detail net een beetje anders en ineens klopt het. En dat gaat in een – helaas niet benoembare ervaring – over. Ik zou het niet routine willen noemen. Nu is het zelfs zo dat ik de pijn die ermee gepaard gaat, kwijt ben: als ik nu vertaal, staat er ineens dat wat er ten slotte staat. En ik weet niet hoe het zo gekomen is, alsof alles in de lucht in elkaar gevlogen is.’ Vogelvlucht ja. Zoals de liefde mensen aan elkaar lijmt, lijmt de dichter de klanken aan elkaar, om de vogel te maken wiens vlucht een ander mag gadeslaan.

________________________

Ton Naaijkens (1953), vertaler en essayist. Hoogleraar Universiteit Utrecht Duitse literatuur en vertalen. Redacteur Armada en Filter. Vertaalde werk van Robert Musil en Paul Celan. Binnenkort verschijnt Ernst Meister, Alle schepen kenteren.

Over de auteur:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.