thema:

Voorjaar

Het had heel wat voeten in aarde om Stef mee te krijgen. Natuurlijk wilde hij me niet helpen, dat wil hij nooit. Ik stond met mijn overall aan in het halletje, bij de deuropening, mijn laarzen had ik bij de achterdeur uitgetrokken. Ik keek hem op de rug. Hij zat achter de computer. Er waren explosies te horen en het ratelen van geweren. Hij deed alsof hij me niet had gehoord. Ik liep verder naar binnen en ging naast hem staan. Hij had zijn haar voor zijn ogen, dat schijnt in de mode te zijn. Ik vroeg het nog eens, dwingender nu.
‘Ik heb vakantie,’ zei hij.
Dan hebben ze vakantie en dan gaan ze voor de tv of achter de computer zitten. Ik kan daar heel slecht tegen. Roel had de avond ervoor mee gemolken, Anne had ’s morgens de kalfjes melk gegeven. Nu was Stef aan de beurt. Gelukkig kwam Hanneke uit de keuken.
‘Jij gaat nú met papa mee.’
Op de een of andere manier luisteren ze beter naar haar dan naar mij.
 
We zouden een draad gaan spannen. Ik wilde de koeien niet in de hele wei, maar op een smalle strook laten grazen, net als vorig jaar. Om de paar weken had ik het schrikdraad verzet, zodat ze steeds aan een nieuwe strook met vers gras konden beginnen. De kaalgevreten strook kreeg dan de tijd om te groeien. Dat beviel me goed. Inmiddels was het mei. Het werd tijd dat ze weer naar buiten gingen. Het gras stond hoog genoeg.
 
Toen we in de stal waren, wilde Stef geen overall aantrekken, alleen laarzen. Het idee daarachter is dat hij me dan maar heel even hoeft te helpen, dat ik hem niet voor een extra klusje kan vragen, want hij heeft zijn goede kleren aan. Slim bedacht. En als er een kans bestaat dat hij bij het werk vies wordt, heeft hij een reden om meteen weer naar binnen te gaan.
Stef had zijn schoenen uitgetrokken en was bezig met zijn laarzen. Met een hand sloeg hij tegen de achterkant van de hak, alsof hij de zool los wilde tikken. Dat slaan op de hak doet hij sinds hij een muis in zijn laars heeft gehad. Met veel bombarie was hij ons het verhaal komen vertellen. De muis glipte eruit toen hij zijn voet erin wilde steken. Een week lang heeft hij niets uitgevoerd op de boerderij. En nu stond hij daar te klungelen met die laarzen. Hij hield er een ondersteboven. Polly stond erbij. Ze kwispelde en keek naar de laars. Er dwarrelde wat stro uit. Geen muis.
Ik had er schoon genoeg van.
‘Je doet eerst deze aan, verdomme.’
Ik gooide een overall naar hem toe.
Hij zuchtte en mompelde iets wat ik niet kon en wilde verstaan. Ik stond met mijn handen in mijn zij. Hij liet de laars op de grond vallen en pakte de overall.
 
Met de draadhaspel was ik naar de wei gelopen. Stef sjokte achter me aan, in zijn handen een stuk of acht kunststofstokken. Het was simpel. Ik zou de haspel afrollen, hij zou om de tien meter een stok in de grond drukken en de draad door de isolator leiden. Ik bekeek hoe groot ik de strook wou hebben, maakte twintig flinke stappen vanaf de hoek. Polly liep met me mee. Ik knoopte de draad vast aan het prikkeldraad dat langs de stal hing. Toen ik het hoge gras in liep, bleef Stef staan. Hij keek naar de draad die ik aan het uitrollen was en die net boven het gras bungelde.
‘Wat nou weer?’ riep ik.
‘Ik wil zeker weten dat er geen stroom op staat.’
‘Maar ik heb die draad zojuist vastgeknoopt.’
‘Toch vertrouw ik het niet.’
Hij vertrouwt het nooit.
Ik moest mijn hand op de draad leggen, anders zou hij niet verder mee de wei in gaan. Dan zou ik alsnog boos moeten worden. Ik liep naar hem toe en deed wat hij vroeg, vijf seconden lang, terwijl ik hem indringend aankeek. Hij knikte, ontweek mijn blik, had een boze frons op zijn gezicht. Toen hield ik de draad vlak voor zijn neus. Hij tikte met zijn hand een paar keer heel kort tegen de draad voordat hij hem vastpakte. Ik vroeg me af hoe vaak hij in zijn leven stroom had gehad. Het zou een peuleschil zijn, vergeleken met al die keren dat ik een opsodemieter had gehad.
Ik pakte de haspel weer op, hij de stokken. Er vloog een reiger over. Het was een mooie dag voor dit werk.
 
Midden in het weiland ging ik op een haas staan. Dat is me al een keer eerder gebeurd. Iets beweegt onder je laars en schiet dan weg, nog voor je er goed en wel erg in hebt. Polly ging er achteraan. Ze renden richting de sloot. Stef zag dat ik uit mijn evenwicht was gehaald en een stap opzij moest zetten. Hij liet de stokken uit zijn handen vallen en kwam naar me toe.
‘Wow!’ riep hij. ‘Wat was dat?’
‘Een haas.’
‘Een haas?’
‘Die verschuilen zich soms in het gras.’
Ik wees naar de rennende hond. Heel even zag ik iets bruins vlak voor haar bewegen.
Stef tuurde.
‘Ik zie alleen Polly. Zal ze ’m pakken?’
‘Dat denk ik niet. Hazen zijn sneller.’
Hij knikte met een zekere ernst.
‘Gebeurt het vaker dat je op een haas staat?’
Da’s typisch Stef, komt ie opeens met zo’n informatieve vraag, is ie ineens geïnteresseerd.
‘Ja, af en toe,’ zei ik. ‘Bij hoog gras is de kans aanwezig. Dan heeft hij mij en heb ik hem pas laat in de gaten.’
Ik zag dat Polly zich schrap zette om over de sloot te springen. Toen de hond de overkant had bereikt, was de haas al lang weer aan deze kant van de sloot. Het beestje had een U-bocht gemaakt. Het duurde even voor Polly weer in onze wei was. De bruine vlek was naar het bos gerend, met een straatlengte voorsprong. Wat een treurigheid voor de hond. Ze had het opgegeven en snuffelde nog wat rond bij de sloot. Stef riep haar. Toen ze opkeek, ging hij iets door zijn knieën en klapte in zijn handen. In draf kwam ze naar hem toe.
Terwijl hij met Polly bezig was, zag ik hem denken aan die haas. Zijn gedachten zouden ongetwijfeld naar onze kelder gaan. Iedere winter krijgen we een haas van Van Vliet, een zestiger die zichtbaar trots is op zijn groene jachtkostuum. Ik geef hem toestemming om in onze wei te jagen. Als dank komt hij met een haas aan de deur die hij bij de poten vasthoudt. Dat beest laten we dan twee dagen in de kelder liggen om te versterven. Elke keer is Stef weer bang voor de haas in de kelder. Ergens snap ik dat wel. Die bruine vacht op de betonnen vloer, de ogen open, het stroompje bloed. Hij kan daar niet aan wennen. Dan wil hij cola pakken, loopt de trap af, blijft halverwege stil staan en komt terug. Afgelopen winter hoorde ik vanuit de keuken hoe hij aarzelde en moest daar hard om lachen. Hanneke zei toen dat ik niet zo stom moest doen. Stef eet geen haas. Hij zegt dat het niet vanwege de kelder is, maar vanwege de structuur van het vlees. De structuur van het vlees, ik weet niet waar hij dat vandaan haalt.
 
‘Kom, aan de slag,’ zei ik tegen Stef.
Hij keek op, aaide Polly nog een keer over zijn kop en liep terug naar de plek waar hij de stokken had achtergelaten. Ik twijfelde of ik hem, als we hiermee klaar waren, nog voor een ander klusje kon vragen. Ik wist niet hoe hij zou reageren. Het ging om de manier waarop je het vroeg. Het moest lijken op een klein maar belangrijk klusje dat ik onmogelijk in mijn eentje op kon knappen. Maar ik mocht niet te dramatisch klinken.
Ik begon weer met de haspel te lopen. Langzaam kwam Stef in beweging. Hij deed ineens heel voorzichtig. Bij elke stap hield hij zijn knieën extra hoog, alsof hij zich door water begaf. Aandachtig zocht hij in het gras. Ik bleef even stilstaan om naar dit tafereel te kijken. Zonder dat hij het in de gaten had, liep hij schuin met de draad. Hij focuste zich geheel op de stokken en het gras. Hij was op weg naar de straatkant. De draad kwam in een ‘v’ te hangen. Het zag er grappig uit, maar zo schoten we niet op.
‘Pas op!’ riep ik hard. ‘Een haas!’
Hij schrok, keek op, kon er niet om lachen. Toen hij doorhad waar hij terecht was gekomen, liep hij terug. Hij kwam mijn richting uit. Nog steeds met voorzichtige stappen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Over de auteur: