thema:

Vroeger

Als ik terugga naar vroeger pak ik eerst mijn koffer. Daar gaat van alles in. Een flesje scheerzeep dat klein genoeg is om er bij de douane geen afscheid van te hoeven nemen. Zo’n tussenstekker voor de vreemde stopcontacten die je in afgelegen hotelkamers soms tegenkomt. Meer boeken dan ik onderweg kan lezen, zodat ik er zelf geen hoef te schrijven. Zes verschillende maar identieke sokken. Overhemden zoals ik ze destijds ook had kunnen dragen. Een zonnebril voor dat eerste moment van het weerzien.

Het enige wat niet meegaat zijn de herinneringen zelf. De mensen die ik vroeger ga terugzien zijn daar al, tenslotte. De plekken waar ik ze ga ontmoeten ook. Toch is dit ingewikkeld. Die mensen, en de plekken trouwens ook, heb ik altijd bij me. Dus ook hier en nu. Als ik nu vertrek, om terug te gaan naar vroeger, wil ik ze hier niet achterlaten. Maar ik hoef ze ook niet mee te nemen. Want ik ga al naar ze toe.

Dat geldt ook voor mezelf. Waar ik heenga ben ik al. Anders zou ik er geen herinnering aan hebben. Ook mezelf hoef ik dus niet mee te nemen. Alleen: wie draagt er dan mijn koffer?

 

Ik mis iemand die op dit soort dingen altijd wel iets weet te verzinnen. Carolien bijvoorbeeld. Die zou om te beginnen over de telefoon zo lief gaan lachen dat het probleem vanzelf een grap werd, iets waar ik zelf opeens ook om moest grinniken. Een gecompliceerde grap, dat wel. Iets met een koffer en scheerzeep en herinneringen en sokken. Gelukkig waren dat juist haar lievelingsgrappen. Dan zou ze eerst over iets heel anders beginnen. Een treinreis waarbij ze in slaap was gevallen en pas wakker werd in Koblenz of zo. Daarna zou ze vragen: heeft die koffer van jou soms geen wieltjes? Probleem opgelost. Maar ja. Carolien kreeg alvleesklierkanker.

 

Waar ik nu ben, in een veel te grote villa met vijf onbeslapen bedden aan een lommerrijke laan op de grens tussen Naarden en Bussum, zijn de mensen die ik ga terugzien dood. De huiskamers en restaurants waar ik me ze herinner zijn nu van iemand anders of gesloopt. Dat wordt dus een pijnlijk weerzien. Tegen de tijd dat ik weer vertrek naar vandaag kunnen ze niet mee. Ze moeten blijven waar ze zijn. En toch hou ik ze liever bij me. Ik draag ze met me mee. Ik heb mijn handen eraan vol. Zo vol zelfs, dat ik mijn koffer moet laten staan. Alleen: die kan daar niet blijven, want in mijn herinnering bestaat hij niet.

 

Van die koffer moet ik dus af. Hij is slecht voor mijn hart. En daar ben ik zuinig op, want ik ben nog niet zo ver dat ik wil achterblijven waar mijn herinneringen al zijn. Laat ik me, in plaats van op de dingen die ik mee moet nemen, concentreren op de reis zelf. Op het gaan. Ik heb zin in een glas koud bier met Jacq aan het plein in Sint-Truiden waar een zekere G. Baltus met olieverf op doek in de Kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Tenhemelopneming een twaalfde-eeuwse extatica, Christina de Wonderbare, de lucht in schilderde.

Hij schreef erover in Uit het hart. De tekst heette Openhartoperatie. Dit stond er:

‘Je gezicht wordt van boven verlicht. Hoe snel heeft zich van je gelaatstrekken een ongekende rust meester gemaakt; in je vlucht lijken belofte en streven elkaar bijna te raken.

De rust is niet minder groot voor wie ziet dat zij allesbehalve ontspannen is. Integendeel, het is de rust van een gespannen boog; het wachten is op het moment suprême dat de onzichtbare hand je zal laten gaan.’

 

Dat ging natuurlijk over hemzelf. Op de zoveelste operatietafel. Zelf zou hij dat nooit toegeven, ook na twee glazen koud bier niet, en na vijf nog steeds niet. Maar ik weet het zeker. Kom, ik ga het hem vragen. Met een koffer op wieltjes. Wieltjes! Waarom kom ik nou in mijn eentje nooit op dat soort dingen?

Over de auteur:

Chris Keulemans (1960) is schrijver, journalist, artistiek leider van de Tolhuistuin en oprichter van boekhandel en literaire stichting De verloren tijd, beter bekend als Perdu. Publicaties: Een korte wandeling in de heuvels (proza, 1994) en De Amerikaan die ik nooit geweest ben (2004).