thema:

Wat niet gebruikt wordt, slijt

Het Frans kent er een staande uitdrukking voor: exode rural, ontvolking van het platteland. Weliswaar is Frankrijk een van de laatste Europese landen waar een grootschalige exodus van de agrarische bevolking naar de steden op gang is gekomen, maar die leegloop heeft er diepere sporen getrokken dan elders, in de levens van hen die weggingen en in de levens van hen die achterbleven. Rond 1850 woonde nog driekwart van de Fransen – 26,8 miljoen mensen – op het platteland, veelal kleine, zelfvoorzienende boeren; anno 2011 zijn nog maar enkele miljoenen Fransen in de landbouw actief, niet meer dan 3,4% van de totale beroepsbevolking, veelal in grootschalige landbouwbedrijven. De leegloop bereikte een piek na de Tweede Wereldoorlog, toen het proces werd versneld door de mechanisering van de landbouw en de voortgaande industrialisering en verstedelijking, waarna de Europese landbouwpolitiek sinds 1960 de kleine boer de doodsteek gaf. Die term is nauwelijks overdreven. , want aan de grootscheepse eliminatie van de boerenbevolking mag dan in Frankrijk – anders dan in bijvoorbeeld de voormalige Sovjetunie – geen staatsgeweld te pas zijn gekomen, dat wil niet zeggen dat de consequenties ervan niet gewelddadig waren.

Jean-Loup Trassard en Pierre Bergounioux, beiden geboren omstreeks de Tweede Wereldoorlog en op grote afstand van Parijs, hebben de ondergang van de eeuwenoude agrarische levenswijze van nabij meegemaakt. Die beschavingsmutatie, die maatschappelijke omwenteling vormt in meerdere of mindere mate het grondthema van hun schrijverschap. Het hoeft dus ook niet te verwonderen dat zij beiden in hun werk hebben getuigd van hun liefde voor oud landbouwgereedschap.

Jean-Loup Trassard wordt geboren in 1933 in Saint-Hilaire-du-Maine, een dorp in het departement Mayenne, in de Loire-vallei, op gelijke afstand van Normandië en Bretagne. Hij is de zoon van een ambtenaar met een eigen boerenbedrijf, en hoewel hij in de jaren ’50 rechten en etnologie studeert in Parijs treedt hij in de voetsporen van zijn vader. Tussen 1960 en 2000 int hij het marktgeld van veeboeren in Bretagne en Normandië en bestiert hij daarnaast een 14 hectare groot veebedrijf. ’s Nachts schrijft hij aan een intussen meer dan veertig titels omvattend oeuvre van romans, korte verhalen en etnografisch getinte, poëtische teksten over het boerenleven. Sinds de jaren 80 manifesteert hij zich bovendien als fotograaf; in 1992 wijdt het Centre Pompidou een solotentoonstelling aan zijn fotografische werk.

Van zichzelf zegt Trassard dat hij een ‘landbouwschrijver’ is; zijn onderwerp is niet de natuur – wat eerder een preoccupatie van stedelingen zou zijn – maar het werk, het gereedschap, de mensen. In een ingehouden, verfijnde stijl beoogt hij zo nauwgezet mogelijk getuigenis af te leggen van de beschavingsvormen die voorafgingen aan de huidige grootschalige, gemechaniseerde landbouw. Inventaire des outils à main dans une ferme [Inventaris van het handgereedschap op een boerderij] oorspronkelijk gepubliceerd in 1981 en heruitgegeven in 1995 bij uitgeverij Le Temps qu’il fait, illustreert die etnografische preoccupatie. Trassards tekst komt over als een catalogue raisonné van het traditionele boerenbedrijf: hij levert gedetailleerde beschrijvingen van alle werktuigen die tot aan het eind vande 20e eeuw op de boerderij werden gebruikt. Zo is één hoofdstuk getiteld ‘Zeisen, sikkels & snoeimes’, een ander ‘Aksen, dissels & kloofbijl’, en het hier vertaalde hoofdstuk heet ‘Hamers, mokers & sleg’. Trassards wil dat oude, tot verdwijnen gedoemde gereedschap redden van de vergetelheid, zichtbaar maken in zijn voormalige hoedanigheid van intermediair tussen mens en materie. Van Trassards werk is nog niet eerder iets vertaald.

Pierre Bergounioux wordt geboren in 1949 in het stadje Brive-la-Gaillarde, in het departement Corrèze, ten zuidwesten van het Massif Central, ook hij als telg van een oud boerengeslacht. Hij en zijn broer Gabriel, ook schrijver, zijn de eersten in zijn familie die hoger onderwijs genieten; hij studeert moderne letteren in Lyon en wordt leraar in de Parijse regio. Sinds de jaren 80 heeft Bergounioux een oeuvre van meer dan zestig titels bijeengeschreven, waarin autobiografische inspiratie, filosofische reflectie en poëtische suggestie hand in hand gaan. Centraal bij Bergounioux staat steeds de vraag naar de wisselwerking tussen grote geschiedenis en kleine mensen. Hij excelleert in beklemmende evocaties van het spanningsveld tussen oorsprong en ontworteling. Van zijn vroege werk, autobiografisch getint proza waarin hij ingaat op zijn rurale antecedenten, is bij Uitgeverij Van Oorschot een viertal door Marianne Kaas verzorgde vertalingen verschenen (Dat waren wij (1994), De komst van de tijd (1997), Een stap en dan de volgende (2005) en Het roze huis (2005). Daarnaast verscheen in de Perlousesreeks van Uitgeverij Voetnoot de prozatekst B-17 G (2010), vertaald door Rokus Hofstede, een reflectie over literatuur en oorlog die inzoomt op de bombardementen op Duitsland tijdens WO II.

Bergounioux wordt in Frankrijk geprezen om zijn geciseleerde stijl. Ciseleren doet hij niet alleen met woorden; Bergounioux is behalve schrijver ook amateur-beeldhouwer. Oud ijzer, dat hij vindt in boerenschuren of op sloperijen, bewerkt hij tot allerhande menselijke of dierlijke figuren. Naar die beeldhouwkundige activiteit verwijst hij zijdelings in Miette (De komst van de tijd) uit 1995, en zij vormt de kern van de korte tekst La Casse (De sloop), verschenen in 1994 en heruitgegeven in 2003 bij uitgeverij Fata Morgana. Het is een complex, schrijnend verhaal dat Bergounioux in La Casse vertelt. Na de uitvoerige beschrijving van een bezoek aan een zigeunerkamp, waar de auteur toestemming vraagt om rond te snuffelen op de hopen oudroest die door de zigeuners te gelde worden gemaakt, zet hij met een paar omtrekkende bewegingen een oude familiegeschiedenis uiteen – het levenslange misverstand tussen vader en zoon Bergounioux. De wanhoop en de woede van de zoon, die door zijn vader nooit als volwaardige gesprekspartner is aanvaard, vormt het heimelijke substraat van zijn verlangen zich te meten met het ijzer. Zijn op latere leeftijd vervaardigde metalen assemblages zijn surrogaten voor de ‘verloren werkelijkheid’ van zijn jeugd, die nooit een gedeelde werkelijkheid kon worden doordat zijn vader zich aan elk echt gesprek, iedere echte verstandhouding onttrok.

Tussen Trassard en Bergounioux zijn er meer parallelen aan te wijzen dan alleen hun buitenstaanderschap, de aangeboren afstand die zij hebben tot de literaire hoofdstad Parijs. Hun werk behoort tot een onderstroom van taalvernieuwers uit de rurale marges, waartoe ook figuren als Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947) Jean Giono (1895-1970) kunnen worden gerekend. Niettegenstaande hun plattelandsafkomst zijn zij beiden in Parijs als toonaangevende schrijvers geconsacreerd; beiden worden uitgegeven door de prestigieuze uitgeverij Gallimard, en publiceren daarnaast bij kleinere, onafhankelijke uitgeverijen; beiden verdelen hun tijd tussen hun Parijse beslommeringen van professionele of literaire aard en hun verblijf op hun respectievelijke geboortegrond in de Mayenne en de Corrèze. Ten slotte kan beider proza worden gezien als een paradoxale belichaming van de tegenstrijdigheden die aan hun bestaan ten grondslag liggen. Want de taal waarin Trassard en Bergounioux schrijven is opvallend rijk en verfijnd, op het precieuze af; ze schrijven niet vóór de boeren over wie ze schrijven; hun poëtisch proza staat mijlenver af van zogeheten streekliteratuur, een term waarmee doorgaans wordt gedoeld op plattelandsromans geschreven in een moraliserende, oubollig-realistische trant. Weliswaar komen er in hun teksten elliptische, spreektalige wendingen voor, die hun vertrouwdheid met het patois verraden, maar die wendingen verlenen die teksten hooguit een toegevoegde artificiële dimensie.

Dit alles laat onverlet dat zowel Trassard als Bergounioux in hun werk een grote liefde voor oud landbouwgereedschap aan den dag leggen. Aan die liefde ligt geen nostalgie ten grondslag, geen terugverlangen naar een geïdealiseerd verleden, maar eerder een vorm van ontroering, van deernis ook, tegenover de in werktuigen opgeslagen geschiedenis en de vergeefsheid van hun voortbestaan. Oud landbouwgereedschap vormt een zinnebeeld van de plattelandsontvolking en de ermee gepaard gaande ontworteling; die ijzeren voorwerpen zijn exemplarische zij het stille getuigen van een cultuur die teloor is gegaan samen met alle bijbehorende ervaringskennis. Gereedschap is ‘omkleed met gebaren, die verstarren’ (Trassard): de technieken die een instrument veronderstelt, de virtuoze dans van het lichaam die er als een latent programma in besloten ligt, sterven af als talen die niet meer worden gesproken. Want uiteindelijk is de tand des tijds niet alleen zichtbaar in de slijtage van wat intensief wordt gebruikt. Ook wat niet gebruikt wordt, slijt.

In Rayuela: een hinkelspel beschrijft Julio Cortázar (in de vertaling van Barber van de Pol) hoe de schrijver Morelli ’s nachts met een kaars in zijn hand de gang op wandelt. ‘Ik zag hoe mijn linkerhand uit zichzelf omhoogkwam, een holte vormde en de vlam beschermde met een levend scherm dat de tocht er vandaan hield. Terwijl het vlammetje weer aanwakkerde, bedacht ik dat dat gebaar van ons allemaal geweest was (ik dacht ons en ik dacht juist of voelde juist), duizenden jaren lang, tijdens de Vuurtijd, tot de kaars vervangen was door elektrisch licht. […] Ik moet denken aan de voorwerpen, de trommels, de gereedschappen die soms in een schuur, een keuken of diep onder in een kast opduiken en waarvan niemand de functie meer kan vertellen. Wat een ijdele illusie om te geloven dat wij de werken des tijds doorgronden: hij begraaft zijn doden en houdt de sleutels. Alleen in dromen, in poëzie, in het spel – een kaars aansteken en ermee over de gang lopen – zien wij soms een flits van wat we waren voor we waren wat we misschien, wie zal het zeggen, zijn.’

Over de auteur:

Rokus Hofstede (1959), vertaler van Franse literatuur. Recente solo-vertalingen: Koningslichamen (Pierre Michon), Maigret en het dode meisje (Georges Simenon), Palmyra (Paul Veyne). Recente duo-vertalingen (met Martin de Haan): Swanns kant op (Marcel Proust), Wereld, wereld! (Régis Jauffret) (www.hofhaan.nl).