thema:

Wee

*
 
We heffen de vaten zo
 
dat we de inkt kunnen zien kruipen, dat het zwart uit onze handen druipt. Onze ogen lopen vol – aan de randen van ons blikveld voelen we het water rillen. Dat de zon dat met ons doet. De lucht één vlagvlakte, wit en blauw.
 
Happend, meehappend de 3D-beet van de zon. Dichtklappende kaken. Onze ogen lopen vol: golvende borsten, gemoedsgeschommel. Een mokkel zweeft voor ons aan de boeg, steeds vooruit, steeds afgewend. Een maat meert aan, ontbindt, meert aan, ontbindt. Het zit ‘m in de herhaling, we kunnen blijven kijken.
 
Sla niet om! Sluit de deur straks. De gaten dichten we later. We smeren onze kelen met wat voorradig is. IJswater snijdt. Vuurwater brandt. Hemelwater tintelt. Aardwater verdrijft.
 
We heffen een psalm aan van Datheen:
hij stuwt, hij waait, hij pakt de wind in.
 
*
 
 
 
 
 
*
 
We strelen ons mokkel – voor wie toch? Houd je hoofd
binnenboord, of je hoer je hoort zegt Barentsz niks. Hij is stok en hij blijft.
 
Goddank valt er niks te beluisteren, er is alleen het krassen van vogels op papier, het uitglijden half buiten beeld. Droogkomische scène in de herhaling. Terugspoelen. Nog eens. Terugspoelen. En weer. Al een dag of wat hetzelfde gebaar: meet de zeeën! Smelt ze ineen! Welja: of het niet op kan, of er niets verspild wordt bij het hozen –
 
er wórdt gespeeld, gemeten bij het leven, gezongen dat het een aard heeft, er is steun en wordt gesteund… iemand die zijn vader zoekt: of hij hem vindt. Vergeet het maar.
 
*
 
 
 
 
 
*
 
We raken staalhard. Glimmend als ijspegels, klaar om de zee te doorsteken. Barentsz staat vooraan, hand boven de ogen. Onze meester, onze betekenaar. Hij boort door ’t krakend ijs, dwars door de materie, door storm en nevel met zijn geest.
 
Het stak ons dat hij niet keek, dat hij de oversprong maakte. Diep in onze onderbuiken kwam hij. Niets vervliegt zonder dat hij het ziet. Watergeest zweeft, wijngeest verdiept. Niets vergaat. Wie heeft je dat gezegd?
 
Niets vergaat.
 
M-maatje van me! We raken moederziel de komende weken. We blijven schrijven om de hand te vieren. Gereedschap van de geest.
 
*
 
 
 
 
 
*
 
We waren bang van sneeuw. Eerlijk: we waren bang van hart. Hoe dat blauwwit omving, omhelsde… M-moeder. Nu betwist niemand de koene Nederlanders ene zee. Allemaal geleden nu, lang verleden.
 
Zuurstof hapt toe, waterstof bijt uit. Bleekt de haren tot ze glanzen.
 
Die door hunne vijanden veracht werd – bek dicht. De stof hoopt zich op. Wat we doen is hem bevechten: we slepen de kanonnen naar het schuttersdek. Tot uw dienst. Barentsz knijpt zijn ogen dicht tegen het licht:
 
we zien hem door lagen flinterdun papier. Bellen vormen zich op de onderlip. Doet het zeer? De druppels die aan onze neuzen hangen… ogen zien al groen waar het blauwwit moet zijn. Staalharde pijn. Maar hij poetst ons tot we glimmen.
 
M-maatje, de natie verenigd onder één warme arm. Moederzee. Wees niet bang: aan het eind bukt ieder voor de vaderheld. Nietwaar? Hij duikt de boeken in om haar te paaien. Leg je oor maar op het papier. Vries niet. Als je nu omslaat
 
zijn we verloren.
 
*
 
 
 
 
 
*
 
We hangen voor dood aan de achterboeg –
 
ons hart beklad met pruimtabak. Slikkend het vocht dat men opdient, proestend de scherven uit de mond. IJs doet geen pijn, moet je weten, ijs splintert. Een kaarsrechte baan.
 
Het spuug in stralen het water in. De golven kleuren bruinrood, of we kameraden zien zwemmen. We wissen onze ogen af, het zicht wordt nergens hemelsbreed.
 
Zeehonden trekken voren die zich sluiten voor iemand zich erin heeft neergevlijd. Iemand kopje onder? Iemand vastgenageld aan de mast? Hé, we zeulen de last van honderden jaren met ons mee, we zien wat ons geleerd is. Als je het ons vraagt kauwen we over twee eeuwen nog op dit been.
 
*
 
 
 
 
 
*
 
We drijven door een stuurloos nu. IJsschotsen van herdenken en vergeten. Wie geschiedenis schrijft, krijgt zwarte handen – wie schreef ons dat? Niet
 
de ijsbreker, die een kaarsrechte spiegelbaan splintert. Niet het blad dat onze vingers snijdt, het vouwbeen dat zich een weg door de pagina’s vreet. Het zuur in de huid verteert het papier, we dragen handschoenen. Koud blijft het toch.
 
Vang! De klap die ons terugbrengt op de plek. Nova Zembla ligt er nog. Of Barentsz ons terugplant in de bankjes: de zorgvuldige schoolvinger die over het perkament schuift, de bekrijte nagelriem, het vaderlandgevoel… Hier wordt ons gewezen waar we zijn, daar waar we naartoe gaan.
 
We liggen muurvast, eeuwenlang.
 
*
 
 
 
 
 
*
 
We smeren doodzieke kelen met wat voorradig is
 
en Nova Zembla hoort de psalmen van Datheen. Adem voor de longen. Zuinigheid houdt huis, naar Hollands oude zeden. We blijven binnen, onze ogen zouden verdrinken in het teveel.
 
Nu een krakende spant, dan een windvlaag… goeie soundtrack. Er wordt gekaart, dubbeltjes worden omgedraaid, vuurwater brandt. Laat de vlammen niet uitslaan, ga de deur niet door tot weer de zon ontwaakt en weer de hoop met haar. Water en vuur.
 
Holle, tochtige plek, inwendig vol afbraak en vernietiging. Niets behoudt, maar onze adem blijft ons bij. Rook bepaalt het zicht. Hebben we Barentsz nog in het vizier? Hij blijft schuiven met zijn stukken,
 
hij geeft dreiging, zijn vingers zwart doordrenkt.
 
*
 
 
 
 
 
*
 
We zijn besloten in glas, ons gebeurt niets. Barentsz heft zijn handen, niemand die het ziet. Ogen vol rook en smook. Dikke pakken papier gaan op het vuur, er hangt een verandering in de lucht. Twee liggen hand in hand.
 
IJsberen: ze vouwen dubbel als een vlinder die wordt opgeprikt, we steken ze dood met een speld van tweehonderd meter lang. Eindeloze arm boven de kruinen. De horizon verdraagt ons, het is al maanden zonder licht. Vuursteen dooft en valt.
 
Maar we blijven drinken – alles smaakt zwavelachtig, licht mousserend. We staan in rekken met aquaria opgesteld. Rijen van twee. Paradijsvissen drukken hun snuiten tegen het raam of zij onze vingers kussen wilden. Onze ogen lopen vol. Hier
 
dondert een glaswand in elkaar. Daar stroomt het water de gretige kelen in.
 
*
 
 
 
 
 

Over de auteur:

Laurens Ham is literatuurwetenschapper, essayist en dichter. Hij werkt als universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht en als docent Literatuurgeschiedenis van de Koningstheateracademie in Den Bosch. In 2015 verscheen zijn studie Door Prometheus geboeid. De autonomie en autoriteit van de moderne Nederlandse auteurs. Essays van hem verschenen de afgelopen jaren onder meer in De Groene Amsterdammer, nY, Ons Erfdeel en De Reactor; poëzie in DW B en Terras.