thema:

Weerlicht

Vertaling: ,

Elk mens wil als het even kan graag weten wanneer hij is geboren. Je bent toch maar liever op de hoogte van het genummerde moment dat het allemaal op gang komt, dat de zaken van start gaan met de lucht, het licht, het perspectief, de nachten en de rampen, de genoegens en de dagen. Het geeft je in elk geval een eerste houvast, een registratie, een handig getal voor je verjaardag. Het vormt ook het vertrekpunt voor een kleine persoonlijke indruk van de tijd, waar iedereen ook het belang van kent: zo’n groot belang dat de meesten van ons besluiten en bereid zijn hem permanent op hun lichaam te dragen, onderverdeeld in meer of minder goed leesbare en soms zelfs fluorescerende cijfers, met een bandje om hun pols bevestigd, vaker de linker dan de rechter.
Maar dat exacte moment zal Gregor, die is geboren tussen elf uur ’s avonds en één uur ’s nachts, nooit kennen. Klokslag middernacht of wat eerder of later, niemand zal het hem kunnen zeggen. Zodat hij heel zijn leven niet zal weten op welke dag, die ervoor of die erna, hij het recht heeft zijn verjaardag te vieren. Deze niettemin zeer algemeen menselijke vraag naar de tijd is dus de eerste waarvan hij een persoonlijke kwestie zal maken. Hoe dan ook, dat niemand hem kan vertellen hoe laat precies hij ter wereld is gekomen, heeft alles te maken met de chaotische omstandigheden waaronder die gebeurtenis plaatsvindt.
Ten eerste is er, een paar minuten voordat hij zich loswerkt uit zijn moeder en terwijl iedereen in het grote huis druk in de weer is – geroep van bewoners, botsingen tussen huisknechten, gejakker van dienstmeisjes, gekibbel van vroedvrouwen en gekerm van de barende – een zeer hevig onweer losgebarsten. Korrelige, zeer dichte neerslag, die een strak, omfloerst, gefluisterd geraas met zich meebrengt, gebiedend als om stilte op te leggen, verwrongen door vlijmende luchtbewegingen. Een uit alle macht priemende wind probeert vervolgens vooral dat huis omver te krijgen. Daar slaagt hij niet in, maar hij forceert wel de ramen, die wijd open vliegen, waardoor de ruiten springen en het houtwerk begint te klapperen terwijl de gordijnen naar het plafond worden geblazen of naar buiten gezogen, en hij maakt zich meester van het pand om de inhoud te vernietigen en het te laten overspoelen door de regen. Alle dingen beginnen te dansen in deze wind, die de meubels omvergooit door de vloerkleden omhoog te blazen, de snuisterijen op de schoorsteenmantels breekt en de restanten in het rond strooit, de kruisbeelden, de wandlampen en de schilderijlijsten kringetjes laat draaien aan de muren, zodat de landschappen ondersteboven komen te hangen en de manshoge portretten omtuimelen. Hij verandert de luchters in schommels, waardoor de luchterkaarsen onmiddellijk doven, en blaast ook nog alle lampen uit.
Zo komt het dat Gregors geboorte zich afspeelt in die luidruchtige duisternis, totdat een gigantische, dikke, vertakte bliksemschicht, een gedraaide zuil van verbrande lucht in de vorm van een boom, van wortels van die boom of van roofvogelklauwen, zijn komst op de wereld bijlicht, waarna de donder zijn eerste kreetje overstemt en de bliksem het omringende bos in brand zet. Zo groot is de heksenketel dat niemand in de algemene ontreddering profiteert van het felle, verlamde schijnsel van het kortstondige daglicht om te kijken hoe laat het precies is – hoewel de klokken, waartussen een oude vete bestaat, het sowieso al heel lang met elkaar oneens zijn.
Een geboorte buiten de tijd dus, en buiten het licht, want verlichten doet men zich in die periode alleen nog maar daarmee, met was en olie, elektrische stroom is nog onbekend. Die stroom, zoals we er tegenwoordig over beschikken, wil nog maar niet doordringen tot de leefgewoonten, daar moet hoognodig iets aan gedaan worden. Alsof hij die andere persoonlijke kwestie ermee denkt te kunnen oplossen, zal Gregor die taak op zich nemen, hij zal dat klusje weleens klaren.
 
 
2
 
Wie zo ter wereld komt loopt de kans een tikkeltje nerveus te worden, en zijn karakter tekent zich dan ook al snel af: de lichtgeraakte, arrogante, overgevoelige, stugge Gregor blijkt een voortijdig antipathiek kind. Hij vestigt algauw de aandacht op zich met zijn grillen, driftaanvallen, zwijgzame buien, weglooppogingen en ongepaste initiatieven, vernielingen, smijtpartijen, sabotages en andere molestaties. Waarschijnlijk om dat tijdsprobleem aan te pakken, dat hem hoog lijkt te zitten, laat hij bijvoorbeeld geen kans onbenut om alle klokken en horloges in huis uit elkaar te halen – weliswaar met de bedoeling ze vervolgens weer in elkaar te zetten, maar terwijl de eerste etappe van die operaties altijd succes heeft, slaagt de tweede tot zijn niet geringe woede veel minder vaak.
Intussen blijkt hij ook erg vatbaar voor indrukken, nerveus, kwetsbaar en met name ongewoon gevoelig voor klanken, volslagen in de war door alle mogelijke geluiden, ritselingen of vibraties, echo’s; zelfs als ze heel ver weg zijn en voor niemand anders hoorbaar, kunnen ze hem verschrikkelijk boos maken. Ook lijdt hij aan ernstige aanvallen, ontwaart en ervaart dan zelfs bij heldere hemel opnieuw de bliksemschicht van zijn geboorte, hij verliest bij vlagen zijn gezichtsvermogen, tot schijnbare blindheid toe, drijft zijn familie tot wanhoop en ontlokt de direct ontboden artsen een verbouwereerd hoofdschudden. Tegen die chaotische achtergrond vindt in ongewoon hoog tempo zijn groei plaats: heel snel wordt hij heel groot en nog sneller nog groter dan iedereen.
Die verwarde ontwikkeling speelt zich ergens in Zuidoost-Europa af, ver van alles behalve van de Adriatische Zee, in een afgelegen dorpje dat ingeklemd ligt tussen twee bergketens en het moet stellen zonder zenuwartsen in de nabije omgeving, Gregor komt er soms pas weer tot bedaren door urenlang naar de vogels te kijken. Maar hoewel aanvankelijk wordt gevreesd dat de spanningen in zijn karakter helaas zullen uitlopen op krankzinnigheid, kunnen zijn naasten alleen maar vaststellen dat zijn verstand zich in een nog hoger tempo ontplooit dan zijn lichaamsbouw.
Nadat hij bijvoorbeeld ruim een half dozijn talen in een wip onder de knie heeft gekregen, zijn schooltijd fluitend heeft afgeraffeld door de helft van de klassen over te slaan, en vooral nadat hij een definitieve oplossing heeft gevonden voor het probleem van de klokken – die hij algauw geblinddoekt volledig kan demonteren en in een oogwenk weer in elkaar zetten, waarna ze stuk voor stuk permanent en op de nanoseconde af de juiste tijd aangeven – wordt hij de beste van de klas op de eerste de beste technische hogeschool, ver van zijn geboortedorp, en maakt hij zich in een mum van tijd alle wiskundige, natuurkundige, werktuigkundige en scheikundige kennis eigen, zodat hij vervolgens allerlei originele voorwerpen kan bedenken, een exercitie waarvoor hij een bijzonder talent aan de dag legt. Zijn geheugen is namelijk even nauwkeurig als de recentelijk ontdekte fotografie, en met name legt Gregor de gave aan de dag om zich de dingen mentaal voor te stellen alsof ze al bestaan voordat ze bestaan, ze driedimensionaal dermate nauwkeurig te zien dat hij in de vaart van het uitvindproces nooit een schets, bouwplan, maquette of voorafgaande proefnemingen nodig heeft. Wat hij bedenkt geldt onmiddellijk als waar, ◄14► en daarom is het enige risico waaraan hij zich blootstelt, en waaraan hij zich misschien wel altijd zal blootstellen, dat hij de werkelijkheid verwart met wat hij ontwerpt.
En omdat hij geen minuut te verliezen heeft, bezondigen de apparaten die hij voor ogen heeft zich in elk geval niet aan bijzaken, banaliteiten of details. Gregor zal er nooit het type naar zijn om een slot te perfectioneren, een blikopener te verbeteren of een gasaansteker in elkaar te knutselen. Als de ideeën bij hem opkomen, raken ze direct aan hoge, hemelhoge sferen, de oneindigheid van de kosmos en het universele belang.
Zo betreft een van de eerste een buis die over de bodem van de Atlantische Oceaan loopt en verschillende functies heeft, waaronder de snelle verzending van poststukken tussen Amerika en Europa. Gregor tekent eerst de detailplannen van een systeem waarmee water onder zoveel druk door die leiding wordt gepompt dat de bollen gevuld met poststukken worden voortgestuwd. Maar de wrijvingsweerstand die het water in de buis ondervindt blijkt zo groot dat hij het plan moet opgeven voor een ander, niet minder ambitieus plan.
Doel daarvan is de bouw van een gigantische ring die boven de evenaar los ronddraait met dezelfde snelheid als de aarde. Als die ring met behulp van de reactiekracht vervolgens wordt stilgezet, zouden we er allemaal in kunnen klimmen, met zestienhonderd kilometer per uur rond de aarde kunnen draaien en de landschappen kunnen bewonderen, of liever gezegd, de aarde zou onder ons door bewegen; zittend in gerieflijke fauteuils – waarvan Gregor nonchalant maar nauwkeurig het design en de ergonomie ontwerpt – zouden we zo in een dag de hele wereld rond kunnen gaan.
Dit zijn geen kinderachtige projecten, zoveel is duidelijk, want Gregor neemt alleen genoegen met gigantische uitdagingen. Zo is hij er bijvoorbeeld al heel vroeg van overtuigd dat hij weleens iets aardigs zou kunnen doen met de getijdekracht, de bewegingen van de aardschollen of de stralen van de zon, dat soort dingen – of, waarom niet, als vingeroefening, met de Niagarawatervallen, waarvan hij gravures in boeken heeft gezien en die hem behoorlijk op zijn maat toegesneden lijken. Ja, de Niagara. De Niagara, dat zou mooi zijn.
Maar eerst trekt Gregor met zijn diploma’s verfrommeld in zijn zakken naar het westen om te gaan werken in een paar grote West-Europese steden, waar zijn kwaliteiten, zo is hem verzekerd, een vruchtbaarder voedingsbodem zullen vinden. Hij vervult er diverse functies als ingenieur, expert en adviseur, maar geen ervan is naar zijn zin, en om tussen de kantooruren door iets te doen te hebben bouwt hij zijn eerste serieuze machine. Het betreft een nieuw soort wisselstroominductiemotor, en als hij die met zijn gebruikelijke arrogantie aan zijn collega’s laat zien, staan die eerst lange tijd met een lang gezicht te kijken. Maar als ze alle jaloezie overboord hebben gezet, moeten de collega’s vervolgens erkennen dat dit toestel voor een totale omslag zou kunnen zorgen en ze binden in, overwinnen hun wrevel en raden hem aan daar niet te blijven hangen: misschien zou het goed zijn om nog verder naar het westen te gaan, waar zijn ideeën op een andere, rijkere en veel beter bemeste voedingsbodem volledig tot bloei zouden moeten kunnen komen. We mogen aannemen dat die adviezen niet helemaal onbaatzuchtig zijn en dat de collega’s zo een mogelijkheid zien om Gregor weg te werken, want niet alleen is hij antipathiek, hij begint ook een beetje in de weg te staan.
Dat komt ook doordat Gregor, zelfs na het stadium waarin de groei doorgaans verslapt, nog altijd groter blijft worden.
 
 
3
 
Achtentwintig jaar oud en inmiddels twee meter lang scheept Gregor zich dus in naar de Verenigde Staten van Amerika. Op een New Yorkse kade gaat hij aan land, voorzien van paspoort en bolhoed, een kleine koffer met weinig bezittingen, een tweede koffer met weinig gereedschap, twintig dollar opgevouwen in een zak en, stevig weggeborgen in een andere zak, een aanbevelingsbrief voor Thomas Edison.
Edison is een rijke, machtige uitvinder, de baas van de firma General Electric en inmiddels zo wereldberoemd dat hij bijvoorbeeld bij zijn leven al de status heeft verworven van hoofdpersoon in een roman van Villiers de L’Isle-Adam, die rond deze tijd in Parijs door het blad La Vie moderne als feuilleton wordt gepubliceerd. Hij heeft duizend drieënnegentig uitvindingen op zijn naam staan – waarvan een groot aantal door anderen is gedaan en door hem zonder aarzelen toegeëigend – en gaat met name prat op de uitvinding van de telefoon, de bioscoop en de geluidsregistratie, om nog maar te zwijgen van de elektriciteit, die ons hier flink zal bezighouden.
Thomas Edison had om te beginnen, na allerlei andere dingen, de gloeilamp ontworpen, vervolgens een distributiesysteem opgezet om diezelfde lamp van stroom te voorzien en twee jaar later de eerste elektriciteitscentrale ter wereld officieel in gebruik genomen. Die levert bij Gregors aankomst al aan negenenvijftig klanten in Manhattan, in de directe omgeving van het laboratorium, 110 volt gelijkstroom. Maar voor Edison is dit nog maar het begin: hij heeft het systeem kort geleden uitgebouwd met een netwerk dat stroom levert aan verschillende fabrieken, werkplaatsen en een aantal theaters her en der in New York. Dat alles schreeuwt om nog verdere uitbreiding maar vereist ook kapitaal en investeringen. Probleem is dat de geldschieters de voordelen van die elektriciteit nog niet erg goed lijken te kunnen inschatten – behalve de rijkste van hen, een zekere John Pierpont Morgan. Een vreselijke man, gevreesd om zijn macht en zijn rotkarakter, maar ook om zijn vooruitziende blik: John Pierpont Morgan besluit dat hij beter zijn mond kan houden en het juiste moment kan afwachten, want hij heeft meteen begrepen dat er in de hele wetenschapsgeschiedenis sinds de uitvinding van de schroef door Archimedes niets beters is bedacht dan deze energievorm.
Gregor mag dan ondanks zijn reusachtige afmetingen erg mooi zijn, slank, gedistingeerd, ogenschijnlijk zelfverzekerd, met een elegante snor midden over zijn lange gezicht, Gregor voelt zich niettemin erg geïntimideerd als hij bij Edison aankomt, ook al ziet die er onooglijk uit – en misschien wel juist daarom. Thomas Edison is een lelijke, kromme, stuntelige, onaangename man die sloft, wegkijkt en steevast in een rare beigeachtige of bruinachtige katoenen stofjas loopt, vervaardigd door zijn vrouw en dichtgeknoopt tot aan zijn kin. Daarbij is hij doof sinds zijn dertiende ten gevolge van een sluwe roodvonk, een handicap die hem er niet van heeft weerhouden om zeven jaar geleden de eerste fonograaf te bedenken en te bouwen.
Bovendien is Edison, als Gregor zich bij hem aandient, in een pesthumeur: al een paar dagen doet zich de ene na de andere storing in zijn gelijkstroominstallaties voor, zowel bij verschillende bedrijven als bij particulieren. Al zijn ingenieurs zijn vertrokken om met spoed die van de Vanderbilts te repareren, aan Fifth Avenue, maar nu is zojuist een scheepvaartmaatschappij hem komen melden dat de door zijn onderneming geleverde dynamo’s van het passagiersschip Oregon ook defect zijn: het schip blijft noodgedwongen aan de kade liggen, de maatschappij verliest elke dag enorme sommen geld en dreigt Edison een proces aan te doen. Laatstgenoemde, even gierig als onhebbelijk, heeft geen personeel meer bij de hand op het moment dat Gregor hem schuchter zijn brief aanreikt, waarin melding wordt gemaakt van zijn capaciteiten als elektricien. Na het papier vluchtig te hebben doorgelezen stuurt Edison de jongeman op goed geluk, zonder hoop en zonder hem ook maar aan te kijken naar de Oregon om daar aan boord polshoogte te nemen.
Het kost Gregor eerst enige moeite om de weg te vinden naar de haven, en dan naar de kade waaraan de passagiersboot ligt, met meeuwen erboven die zijn aandacht trekken, want hij heeft zich zijn hele leven al geïnteresseerd voor alles wat vliegt, en dan speciaal, god weet waarom, voor hout-, sier-, tortel- en ander geduifte. Maar goed, zeemeeuwen zijn ook niet oninteressant. Nadat hij ze een tijdje zweef- en duikvluchten heeft zien ondernemen wijst een barse walbaas hem de weg naar de machinekamer, waar hij zich opsluit met zijn instrumenten. Hij stort zich op de dynamo’s en repareert ze diezelfde nacht nog. Als hij de volgende ochtend weer op Edisons kantoor komt, neemt deze hem zonder een woord te zeggen in dienst als assistent, tegen het salaris van een groom.
 
 
4
 
Een assistent is in Edisons ogen meer een factotum, een werkezel dan een vertrouwensman, en Gregors rol zal vooral bestaan in het gevolg geven aan de meest uiteenlopende lastgevingen. Huiselijke of zelfs huishoudelijke taken, zonder nu direct recht van spreken te hebben, maar wel continu stand-by om de problemen te verhelpen die zich steeds vaker voordoen in de door General Electric geleverde installaties. De hardnekkigheid van die storingen zaait bij Gregor twijfel aan het basisprincipe van Edisons apparaten, namelijk gelijkstroom, en die twijfel groeit gestaag.
Laten we die gelijkstroom eens proberen te begrijpen. Het is stroom – een verplaatsting van elektriciteit, snapt u – waarin de elektronen voortdurend dezelfde kant op bewegen. Gelijkstroomdynamo’s produceren een vrij geringe spanning, waarvoor een hoge stroomsterkte vereist is. Vandaar de noodzaak om dikke kabels te gebruiken, wat een aanzienlijk verlies tot gevolg heeft omdat een deel van de stroom door de weerstand van genoemde kabels wordt omgezet in warmte. Maar wie warmte zegt, zegt al vrij gauw vonk, vuurzee, rampspoed, verzekeraars en brandweerlieden, niet leuk dus. Daarbij komt dat gelijkstroom niet over meer dan drie kilometer door die kabels kan worden vervoerd, omdat ze niet bestand zijn tegen de voor geleiding over grote afstand vereiste hoge spanningen. Wie wil profiteren van elektriciteit is dus gedwongen om zoals Edisons buren vlak bij een centrale te wonen. Door dat alles gaat het ook vaak goed mis met het systeem: regelmatige brandjes, langdurige storingen en veel ongelukken: aanklachten, processen, schadeloosstellingen. Wat Thomas Edison ook mag beweren, zo gaat het niet.
Dat het zo niet ging wist Gregor al sinds zijn studie, toen zijn natuurkundedocent eenzelfde soort machine aan hem had gedemonstreerd. Er kwamen veel te veel vonken uit, waarna Gregor schuchter had voorgesteld de gelijkstroom te vervangen door wisselstroom, dat wil zeggen stroom die frequent en regelmatig van richting verandert – zou dat niet beter werken? De docent had zijn schouders opgehaald en verklaard dat een dergelijk idee neerkwam op een perpetuum mobile, dus op het onmogelijke, en Gregor had niet verder aangedrongen.
Nu hij bij General Electric werkt heeft Gregor die wisselstroomhypothese een paar keer laten vallen, maar omdat Edison dan begon te steigeren alsof het over de antichrist ging, heeft Gregor nog steeds niet aangedrongen. Hoewel hij zijn baas voor zich heeft weten te winnen door tal van technische problemen op te lossen en zeven dagen per week achttien uur per dag te werken, is er in de tussentijd toch twijfel gerezen bij de achterdochtige Edison: dat zo’n begaafd, toegewijd figuur een andere oplossing dan gelijkstroom heeft kunnen opperen, wekt en voedt zijn argwaan. Als Gregor Edison eenmaal heeft beschreven hoe hij eventueel het rendement van zijn generator kan verhogen zegt de baas: Goed, probeer maar. Vijftigduizend dollar voor jou als het je lukt. Gregor gaat aan de slag, het kost hem een halfjaar en dan blijkt de generator inderdaad in blakende vorm te verkeren; Gregor haast zich naar zijn werkgever om verslag uit te brengen.
Goed, roept Edison vanuit zijn luie stoel, mooi, heel mooi. Dus, vraagt Gregor ongerust, u bent blij. Dolblij, verklaart Edison opgetogen. Dat betekent, waagt Gregor, maar hij krijgt zijn zin niet afgemaakt. Dat betekent wat, valt Edison hem namelijk in de rede, terwijl zijn gezicht betrekt. Nou, waagt Gregor, ik meende te hebben begrepen dat er vijftigduizend dollar. Zeg Gregor, onderbreekt Edison hem, terwijl hij zijn gekruiste benen ontkruist op zijn bureau, snap je dan niks van Amerikaanse humor?
Dit keer stond Gregor op, liep naar de kapstok, pakte daar zijn bolhoed, liep toen naar de deur, die hij doorging zonder iets te zeggen en zonder hem achter zich dicht te doen, liep toen naar de boekhouding om zijn loon te innen en liep toen naar buiten, zich afvragend wat hij zou gaan doen na die smerige streek.
Nou heel simpel, hij gaat zijn wisselstroomplannetje gewoon in zijn eentje proberen uit te werken. In de drie jaar bij Edison heeft hij vrij snel de aandacht op zich gevestigd door zijn vlotte efficiëntie en zijn originele oplossingen, en in korte tijd heeft hij zijn faam als ingenieur ook buiten de kring van General Electric gevestigd. Gregor vervoegt zich dus bij het hoofdkantoor van een groep geldschieters en zet daar zijn denkbeelden uiteen. Beschrijving van het systeem, kritiek op het systeem, manieren om het te verbeteren, harde deadline en becijferd budget.
Nou dat verloopt allemaal heel plezierig. Met zijn vroeg aan het licht gekomen talenknobbel en zijn al gedegen kennis van het Engels heeft Gregor in die eerste Amerikaanse jaren het idioom algauw vrijwel perfect onder de knie gekregen, en daarnaast beschikt hij over een natuurlijke flux de bouche, een talent om zijn woorden een dramatische lading en een overtuigingskracht te geven die hem voortdurend van nut zullen zijn. Als hij weg is komen de zakenlui in conclaaf bijeen en concluderen dat er waarschijnlijk wel iets in zit. Ze laten hem twee dagen later terugkomen en verklaren geïnteresseerd te zijn, zozeer dat ze hem voorstellen een vennootschap te stichten op zijn naam, de Gregor Electric Light Company, waarbinnen hij zijn onderzoekingen verder kan ontwikkelen. Zij zullen daarin als geldschieters uiteraard een meerderheidsbelang hebben, u weet hoe dat gaat, maar Gregor dient er ook zelf geld in te pompen om de naam van de onderneming en zijn nieuwe status te billijken. Gregor vindt dat inderdaad heel normaal en doet in één klap afstand van al het geld dat hij in die drie jaar als werknemer van General Electric opzij heeft gelegd: alles, dat wil zeggen weinig, maar hoe dan ook alles. En aangezien dat alles niet genoeg is, heeft hij zelfs de euvele moed om een lening aan te gaan.
Nou ook daarna ging het razendsnel. Nog maar net heeft hij een booglamp uitgevonden, die onmiddellijk een octrooi oplevert, in gebruik wordt genomen en geld in het laadje brengt, en nog maar net hebben zijn partners een mooie kleine return on investment en keurig nette winstmarges zien verschijnen, of Gregor wordt prompt ontslagen bij zijn eigen onderneming, zijn vennoten nemen de zaak over en vieren dat heuglijke feit met champagne, hijzelf is totaal buitenspel gezet. En zo sta je ineens tot over je oren in de schulden op straat, als grondwerker, dagloner, sjouwer in de bouw, vier jaar lang.
 
 
 
Dit is een fragment uit Flitsen (Des Éclairs), World Editions, 2014

Over de auteur:

Jean Echenoz (1947) studeerde sociologie en civiele techniek in Aix-en-Provence, Marseille en Parijs. Zijn eerste boek, Le méridien de Greenwich (De breedtegraad van Greenwich), verscheen in 1979. Sindsdien heeft hij nog negen romans gepubliceerd en een tiental Franse prijzen ontvangen, waaronder de Prix Médicis 1983 voor Cherokee en de Prix Goncourt 1999 voor Je m'en vais (in het Nederlands verschenen als Ik ben weg). Echenoz geldt als een geraffineerd parodist van politie- en avonturenromans. En telkens bouwt hij prudente maar vreemdsoortige plots. Als lezer glijd je mee in ongerijmde genre-oefeningen vol timide humor, die met een Buster Keaton-achtige pokerface worden uitgevoerd. Echenoz schreef een‘biografisch’ drieluik dat respectievelijk componist Maurice Ravel, hardloopwonder Emil Zatopek en uitvinder Nikola Tesla centraal zette. Zo was er Ravel (2006) waarin hij beschrijft hoe de schepper van de Bolero de laatste tien jaar van zijn leven langzaam verzandde in een sublieme, bijna gecultiveerde verveling. Voor zijn volgende roman Courir (Hardlopen) ging hij aan de slag met de geschiedenis van looplegende Emil Zatopek, de 'Tsjechische locomotief' die in de jaren 1950 bekendstond als 'de snelste man ter wereld'. Flitsen is het sluitstuk van dit drieluik, over de merkwaardige uitvinder Nikola Tesla.

Over de vertalers:

Jan Pieter van der Sterre (1951) vertaalt Franse literatuur. Recente vertalingen: Hardlopen van Jean Echenoz, De mooiste van Beaudelaire, De zwangere weduwe van Martin Amis. Voor Raster schreef hij onder meer over Raymond Queneau.

Martin de Haan (1966) is essayist en vertaler van Franse literatuur. Hij vertaalde o.a. Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq, Jacques de fatalist en zijn meester en Dit is geen grap van Denis Diderot, De toespraken van de bekkenknijper van Julio Cortázar, Identiteit, Onwetendheid, Het doek en Een ontmoeting van Milan Kundera.