Blog | , september 20, 2016

Weg met al die fatsoenlijke plantsoenlyriek!

Idwer de la Parra leerde ik kennen als winnaar van de AVRO/TROS Vondel CS poëzieprijs, een prijs die met het honoreren van een gedicht van Idwer zijn bestaansrecht heeft bewezen en daarna een stille dood is gestorven. Aanvankelijk zou ik in de zomer van 2014 de jury vormen met Arie Boomsma en Jacques Klöters, vervolgens werd ik in januari 2015 alsnog opgeroepen als voorzitter om met Wim Brands en Joost Oomen drie prijswinnende gedichten te kiezen. De juryvergadering was betrekkelijk eenvoudig, er waren enkele gedichten waar twee juryleden een voorkeur voor hadden, er was maar een gedicht waar we alle drie wat in zagen. Ik herinner me het pleidooi van Joost Oomen voor het gedicht die vooral het stevige ritme roemde dat je bij een debutant niet zo snel tegenkomt. Dit moest een dichter zijn die al een behoorlijke periode schreef, of wat we toen zonder enige kennis van de persoon in kwestie noemde ‘een natuurtalent.’ Dit is het gedicht:

Kom terug

Daar waar het lampje brandt, planken kieren,
waar het kleed het tochten tegengaat, en waar
de geur van natte doek op kachelrand zich mengt

met zoet van melk waar schuim op staat – daar
zit de nacht in blik, in plooien van het tochtgordijn,
de nacht zweeft tussen kwasten, opgelost in terpentijn.

Kom terug – schilder mijn planken zwart, schilder
de schouw, de bint, het hout van de klok, het gewicht,
en ook de wijzers die als kettinghonden alert zijn op

je komst – schilder kieren dicht, het tochten zwart,
het raamkozijn en de weerspiegeling van mijn
gezicht – schilder dat, kom terug en schilder dat.

Aardige van een AVRO/TROS Vondel CS poëzieprijs is dat je een andere groep inzenders krijgt dan zegge de gebruikelijke usual suspects uit de poëziewereld. De prijs werd uitgereikt in een achterzaaltje van het voormalig filmmuseum in het Vondelpark, zo’n beetje achter de trap, terwijl in allerlei voorzalen van het gebouw jongens met blazers aan en stropdassen om champagne aan het drinken waren en tegen elkaar aan het roepen. Een radiopresentator kwam naar beneden om mij zoals hij het noemde ‘even mijn ding te laten doen’, de rapportjes voorlezen en de twee van de drie winnaars die op kwamen dagen een oorkonde te geven. Ernie Bosman won de tweede prijs en de hoofdprijs was voor Idwer de la Parra.

Ik herinner me van de bijeenkomst dat Idwer rustig was en heel kalm zijn gedicht voorlas en dat hij toen ik hem na afloop vroeg wat hij zoals las antwoordde dat het meestal buitenlandse poëzie was die hem inspiratie gaf. Las hij die dan in Engelse vertaling, vroeg ik hem, wetende dat lang niet alle goede poëzie in het Nederlands vertaald is omdat we nu eenmaal in een klein taalgebied leven. Idwer, die ik op dat moment nog geen twee minuten kende, keek me heel even aan met een bepaald soort blik die ik niet snel zal vergeten en zei, nee joh, dat weet jij ook wel, je ligt gewoon met een meisje in bed dat uit een ander land komt en die begint jou te vertellen over haar lievelingsdichter in haar moedertaal. Op dat moment begreep ik, moest ik ook toegeven dat het voor mij ook allemaal ooit zo is begonnen, dat we hier niet alleen van doen hadden met een prijswinnaar maar met een dichter. Ik nodigde Idwer uit gedichten te publiceren in De Revisor, waarbij ik moet ik zeggen echt even mijn best heb moeten doen de andere redacteuren mee te krijgen en later, toen deze bundel al ver in de maak was, kwam hij ook niet zonder slag of stoot te publiceren in Terras.

Moet je aan de gedichten van Idwer de la Parra wennen? Dat geloof ik eigenlijk niet. Zijn gedichten hebben een kalme toon en hebben in zekere zin iets klassieks, ze gaan van halfrijm naar vol rijm, van impressie naar metafoor naar gedachte. Ze zijn kernachtig en ze zijn vooral heel erg eigenzinnig. Grond is in alle opzichten een debuut, maar wel een debuut dat er gelijk is, een bundel die de grond vormt voor een oeuvre, maar daar kom ik, om maar het gevaarlijkste cliché erbij te halen wat je in een toespraak kunt gebruiken, straks nog even op terug.

Grond is een echt debuut – ik zei net dat ik er straks op terug kom maar doe het ook nu meteen al even – maar het is ook gelijk een rijp debuut. Neem het gedicht dat zo begint: ‘Den Haag, november / en kraaien. Gedachten vallen / in flarden van het hoge kerkdak / en waaien krassend over.’ De spreker in dit gedicht zegt de mensen te hebben laten wachten, hij ‘stapelde / zijn wensen hoger dan de poppenkast / die hij verachtte.’ Maar dan sloot hij zich toch soms aan bij vrouwen en fietst nu samen met een jongen door de stad. En dan het einde van het gedicht; ‘Begint te plenzen, pa, we moeten / schuilen! Zo houdt hij me tegen / en leidt me door een hek. Zonder / vloek of amen in het kerkportaal / bekijken we de regen.’ De gedachten die van het kerkdak rollen en krassend overwaaien, daar staat de dichter inmiddels onder te schuilen met zijn zoon, nadat hij heeft gezworven, op ‘gekte gekauwd als rijpe bramen’ en zich ‘aansloot bij Titanen’. De dichter is rijp, om het met de seizoenen te zeggen. Hij schrijft: ‘van woorden kun je messen maken, / van lange stilte slijpend staal.’

In de gedichten van Idwer de la Parra raken de natuur en de mens met elkaar vergroeid. ‘Breek de takken / van mijn stem, gierend rond mijn stam, / bedreig me met mijn voorgeslacht.’ Dromen worden niet vertrouwd en volgens mij worden droomuitleggers in deze gedichten ook niet al te serieus genomen. Als de spreker in zijn droom een vogel nadoet valt hij zich te pletter op het ochtendlicht. Treffend bij De la Parra is een soort Shakespeariaanse onmiddelijkheid, denk aan de regel ‘Mijn dochter zien, dat gaat nu niet.’ In zo’n zinnetje, in zes woorden, zit zo’n beetje alle mogelijke dramatiek en stof voor eindeloze verhalen vervat. De grond moet dicht, betegeld, de vogels moeten ophouden met fluiten. De natuur en het innerlijk van de spreker vallen samen in een zin als ‘mijn wil / ligt als een lijk op het land’.

Nu is de grap dat deze gedichten prima werken als antipode op wat schrijver Bob den Uyl ooit aanduidde in het titelverhaal van zijn debuutbundel Vogels kijken. Een generatie dichters die op zondagmiddag met verrekijkers de duinen in gingen om stof tot inspiratie te vergaren. Tegenover dit leger hobbyisten stellen we nu de debutant Idwer de la Parra die daadwerkelijk zadenteler en tuinman is, wiens metaforiek veel dieper in de grond (ik waarschuwde al, ik kom er op terug) verankerd is en ook in zijn ogen, zijn fysiek, zijn denken en zijn besef van de gang van zaken in het leven. Neem nu regels als ‘je weet dat waterlot geen vrucht / zal dragen’ of ‘vraatzuchtig als de larf / van het lieveheersbeestje.’ Hier is geen liefhebber aan het woord maar een kenner, een prof. We zijn met De la Parra meteen beland in de hardcore van de natuurkennis en daar is geen ruimte meer voor slappe plantsoenlyriek.

Hoe zit dat nu met die larf van het lieveheersbeestje, hoe ziet die er uit? De la Parra noemt het middels de titel van een gedicht ‘Vreemd’ dat men de vervorming van de gewetenloze kindertijd naar de volwassenheid geen metamorfose noemt, een volwassenheid die je ‘verstard in bonte schilden’ noemt. Dat is treffend, een lieveheersbeestje heeft twee schilden en die zijn  bont, want verschillend gekleurd en gestippeld. Maar volgens mij wordt hier meer bedoelt en heeft de dichter het ook over de schilden van ons, verstarde cafégangers die wij zijn, te midden van wie de dichter een kier zoekt in de bezopen gesprekken en ondertussen denkt of hij een hond zal kopen voor zijn zoon. Wij zijn mieren die in de klei zijn gestampt door de zool van een gigantische laars, die van een tuinman wellicht.

Dat is leerzaam en nogmaals, getuigt van een groot talent met een grote toekomst. In de laatste gedichten van de bundel heeft De la Parra het telkens over een veld. Het ligt open nu de zon de slapende soorten kan bereiken, het is een weids grasland waar vier elzen staan en dat door vier hazen door het dolle heen veroverd wordt. Ik hoef u niet meer uitentreuren te vertellen dat dit veld de grond uit de titel is. Cesare Pavese, een andere beroemde aspirant tuinman die je wel in vertaling kunt lezen, sprak van een nieuwe provincie, als je het veld hebt gerooid en op het eind een paar uitgeputte gedichten hebt geschreven die waarschijnlijk je beste zijn. Dan komt er een nieuwe provincie in zicht, er opent zich een poort in de heg als je gedichten bij elkaar gezet zijn en er een kaft omheen is geslagen, waarna je opnieuw kunt beginnen te rooien. Maar pas op: gedichten openen niet alle bestaande poorten. Beelden vertellen is een holle frase, omdat nergens het onderscheid kan worden gemaakt tussen het woord dat een beeld oproept en het woord dat een ding benoemt. Op dit moment is dat nog geen gevaar. Ik wens Idwer de la Parra succes met deze tuin en met iedere die erop volgt.

 

Deze tekst is voorgelezen als toespraak bij het verschijnen van Grond van Idwer de la Parra in café De Oude Mol in Den Haag op 18 september 2016.

Idwer de la Parra. Grond. De Bezige Bij, 2016. 54 blz.
Cesare Pavese. ‘Concerning some poems not yet written’ in: Selected poems, Penguin. 1971.

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.