thema:

Word ook…

Vertaling:

Jérôme Mauche (1965), uit wiens Esaü à la chasse eerder fragmenten in Tortuca 35 verschenen onder de titel ‘Esau op jacht’, is een productief dichter, kunstcriticus en docent aan de kunstacademie van Lyon. Daarnaast organiseert hij al jaren regelmatig poëzie-avonden en is hij redacteur van de hedendaagse poëziecollectie van uitgeverij Les Petits Matins, wat hem tot een geschikte gids leek te maken voor wie Terras #11 Onze zou openslaan om ietwat aarzelend ons Franse dichtersdossier te gaan verkennen.
Maar vraag een nogal hermetische Franse dichter om een stuk waarin hij toelicht hoe de Franse poëzie vandaag de dag in elkaar steekt, en je krijgt een beschouwing in nogal hermetisch proza. Verwacht dus hieronder geen college literatuurgeschiedenis, al bevat het stuk van Jérôme Mauche genoeg concrete elementen waaruit de aandachtige lezer heel wat kan opmaken omtrent de positie van de hedendaagse poëzie in Frankrijk. Het is in de eerste plaats een handreiking die van de lezer het nodige lef vraagt. Pak die uitgestoken hand, spring over die oerhollandse sloot, en ziedaar: ook u bent een Franse dichter. (KA)

Word ook een hedendaagse Franse dichter, je bent geboren tussen 1945 en 1986, je bent jong of het niet meer geweest, maar je zult het daarentegen wel opnieuw zijn. En omdat je in de taal keuzes hebt moeten maken, ben je het ongetwijfeld nu al, misschien zonder het te weten. Aangezien de taal bereidwillig is, sympathiek, generiek. Giftig bij aanraking, al met al onaangenaam, maar prikkelbaar, vriendelijk en beschikbar. Ook voor de ander, terwijl die nu juist diegene is aan wie ze niet wordt geacht te denken.

Hoewel dit elftal geen team van een zogenaamde collectieve sport vormt, bezit een zeldzame en kostbare eigenschap. Het zijn uitstekende dichters, ze blinken erin uit, ze zijn uitblinkers. Ze schrijven op grond van wat ze weten, en als ze het niet te zeggen hebben dan zeggen ze het niet. Hun behendigheid wordt geacht geen betrekking te hebben. Laten we eens een kijkje nemen in de schappen van om het even welk winkeloppervlak, in deze gespecialiseerde distributiebranche vergelijkbaar met een hedendaagse kledingwinkel.

Zeventig jaar kunst en haar geschiedenis (volgens de tendensen van een algemeen discours dat men in Frankrijk overigens niet altijd weet te schrijven, afgezien van de institutionele grote lijnen) zullen er nodig zijn geweest voor de trage en leerzame aftocht van de beelden, volgend op hun associatie en hun fobie. Onze poëzie onderzoekt (jaren ’90), is soms zelfs een strenge ondervraagster, gaat over alles in gesprek en onderhandeling. Zij is dus het woord. Maar omdat ze nog altijd niets koopt of verkoopt (anders is het reclame, een clip of een video), interesseert ze zich alleen voor de praktijken (ze heeft iets weg van een tutorial).

Deze literaire talen hebben een eigen logica (in sommige gevallen metallic gelakt als de carrosserie van een auto) die tot aangewezen doel heeft een prototype te creëren dat je daarna alleen nog maar op een (niet-bestaande) markt zou hoeven te brengen (overigens maakt het gebrek aan een economisch levensvatbaar format het mogelijk om het concept ‘werk’ zelf aan te tasten; zodra het talige start-up bedrijf de touwtjes in handen heeft en haar statuten heeft gedeponeerd bezwijkt het van geluk onder de altijd aanwezige concreetheid het ultraliberale letterlijke genot van de circulatie dat het onze is, ver verwijderd, versplinterd.

Dat maakt de poëzie dus buitengewoon interessant sinds nu dat exotisch verleden achter ons ligt, de pre’s, de posten, de intra’s, bij elkaar gelegd, in kaart gebracht, gescand, herontdekt, en er, buiten wat stromen, vooral niet veel meer gebeurt na de grootse tijden van weelderig bloeiend braakland, een jaar of twintig geleden (in Frankrijk wordt dit tijdperk aangeduid als een netwerk: Revue de Littérature Générale, Java, Nioques).

De poëzie is in de Franse maatschappij altijd iets van orde en beroep, een soort luxebelasting op de indirect aan de taal toegevoegde waarde, berekend op grond van het gevoel (maar die zich daarvan onderscheidt door haar vrijwillige inningsproces, dat wil zeggen de heffing door de marktspeler zelf, vandaar de snelheid, de cesuur, de vreugde, maar ook een lyrische traditie en dito verwarring die verondersteld zouden worden de boel aaneen te voegen). Dit elftal vervolgt op een onderworpen en precaire grondslag met auctoriale dimensie een toegestane schuld.

Dat is wat de staat van hen verwacht, gezien onze lange traditie van afhankelijkheid van de publieke overheid die de specificiteit bij uitstek van onze literatuur is, of men dat nu waardeert of niet. Negatieve en objectivistische literatuur inbegrepen. Stralend (want ondanks de objectieve schijn gaat het altijd allen maar over glorie) biedt ze zich aan, geeft ze aan, zelfbediening maar niet gratis, onbeperkt en wijsneuzig, navertelbaar, trouwens nauwelijks abstract meer: deze poëzie is 24/7 geopend of verstandelijk, speels, alom aanwezig.

Hun middelen komen trouwens niet overeen met hun doelen (dat is een van de definities van de poëzie, ze putten er hun instrumenten uit), omdat ze historisch gezien tot doelstelling hebben die doelen te vernietigen (dat is de missie van de niettemin nog altijd moderne kunst, die in de poëzie zijn betekenis nog niet heeft verloren). Noch masochistisch, noch elitair, heeft een gedicht, een dichtbundel integendeel geen toeschouwer, lezer, toehoorder nodig. Deze hedendaagse poëzie is een volmaakte markt, in kleine hoeveelheden, waar iedere deelnemer ertoe voorbestemd is op zijn beurt dichter te worden. Ten slotte betaalt zij zich uit, omdat ze aan het einde van een deficitaire keten, door deze lichte fiscale maatregel waarschijnlijk nog versterkt, uitwisseling bevordert. Haar product is hard op weg om het quotiënt te worden.

Net als een Louis Wolfson, als diens populair geworden Le schizo et les langues (verschenen in 1970 met een voorwoord door Gilles Deleuze), moeten deze hedendaagse dichters zelf verdragen wat hun ‘moeder in poëzie’ (dat is een vergelijking, omdat het a-conceptualisme het familialistische schema weer terugbrengt) maar al te geneigd zou zijn in hun gezicht te blazen. En achter dezelfde geluiden in andere heilzame talen: hedendaagse kunst, muziek, de verhalende romanvorm, moeten ze dus horen: overbelaste gespleten identiteit, illegitimiteit, theoretisering bij verstek, om deze sirenenzang voor hun eigen oren draaglijk te maken, zelfs al zouden die talen al lang uitgedoofd en gedeprogrammeerd zijn.

Hoe het ook zij, er rest ons het niet incasseerbare deel van de taal die haar door hen geprogrammeerde einde nadert, vormgegeven door deze bloemlezende dichters met buitengewoon vernuft, veeleisendheid en beheersing tot in de puntjes. Maar wat ermee te doen? Waar kan het opgeborgen worden, bij wie? In Frankrijk is de oralisering van de processen weer van stal gehaald. Deze bezit een duidelijke sociale dimensie. Een economische ook, omdat ze een bron van inkomsten is die het mogelijk maakt andere (vanzelfsprekend uiterst precaire) levensvormen te scheppen. Wat de somatische performance opbouwt en vertoont, dat doet de publieke lezing ook (en alle 11 bedrijven ze natuurlijk de een en/of de ander), het zijn ogenblikken van oefening van publieke toetsing (neo-avantgardes).

Aanklacht, verdediging, herhaling, uitwisseling, eventueel verleiding of haar tegendeel, afkeer: het woord moet leiden tot het woord, met wat dat aan gelijkschakeling inhoudt; de huidige pragmatische poëtische praktijken zijn namelijk ten diepste hervormingsgezind, eventueel corrigerend, als antwoord op de representatiecrisis. Bevrijd van de lichte, traditionele overhangende schaduw (metafysica, geest, overtuiging, verandering), probeert deze poëtische waarde aan anderen de toevoeging van haar eigen constructie op te leggen, in kunstrichtingen waar de ontdekkingen, net als die in de farmaceutische industrie van tegenwoordig, zich nog maar op een uiterst klein deel van de bevolking richten, hoewel de prijs voor persoonlijke ontwikkeling niettemin nog altijd aanzienlijk is.

Zo wordt van een noodzakelijk conformisme (dat van het leven) getuigd, juist door het precieuze van haar verloop. Dat is in Frankrijk overigens te zien aan de kunstacademies, nieuwe kweekvijvers van de experimentele poëzie die veel water bij de wijn doen en sterk vijandig tegenover vernieuwing staan. Met het oog op objectiviteit moet hier ongetwijfeld aan worden toegevoegd dat de vernieuwingen van vandaag (verbonden met de informatietechnologie) waarschijnlijk ook wel veel minder significant zijn dan die die men van de tweede industriële revolutie verwachtte of droomde. Dit elftal behoort overigens nog grotendeels tot generaties die geen schrijfcursus aan universiteit of kunstacademie gevolgd hebben.

Hoe verbazend of ongelooflijk het ook mag klinken, haar minieme, vluchtige en bewust ondoeltreffende middelen, onhoorbaar, niet geconcipieerd, met minimale kapitaalvorming maar een grote autonomie, waarbij de ontvanger zender wordt, bepalen situaties van autarkie zowel als van zelfopvoeding en bieden een model (vandaar het fenomenale belang van de tautologie, die ook aan de communicatie voorafgaat). Ze wordt dus benijd door:

– de roman, stikjaloers, die achteruit blijft gaan, niet voor mutatie vatbaar;

– de hedendaagse kunst die je vertroetelt en uiteindelijk zal verstikken (maar je kunt er wel wat meer geld verdienen);

– de muziek, die wil rivaliseren, maar haar zang is klankloos, vol obligate loochening

– de theorie, de sociale wetenschappen negeren haar, misschien uit noodzaak, zoals ze gewend is negeert;

– als ze je echter sommeren de nieuwe vormen naast je neer te leggen, kost je dat moeite (vandaar het hardnekkig voortbestaan van alles wat lijkt voort te komen uit poëzie gefilterd door de praktijken van wat je maar wilt).

Over de auteur:

Jérôme Mauche (1965) woont en werkt in Parijs en is verbonden aan de kunstacademie van Lyon. Hij is schrijver, dichter, kunstcriticus en organiseerde poëzievoordrachten in het Musée Zadkine in Parijs. Momenteel organiseert hij het "Poésie plate-forme" bij de Fondation Ricard en het performance festival Menagerie de verre en is redacteur van de reeks Grand soirs van uitgeverij Les Petits Matin. Hij publiceerde bij Le bleu du ciel Le placard en flammes (2009),  Électuaire du discount (2004) en  Fenêtre, porte et façade, (2004).

Over de vertaler:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.