thema:

Yu Jian en de liefde voor de dingen

Ieder tijdvak heeft zijn modeverschijnselen, en geen enkel domein van menselijke activiteit is vrij van tijdsgebonden tendenzen. In het academische strijdperk is het momenteel modieus en bon ton om het leven van een schrijver of kunstenaar zo volledig mogelijk los te koppelen van diens literaire of artistieke creaties. Ik ben tot op zekere hoogte wel bereid mee te gaan in de gedachte dat het zinloos is iemands oeuvre te gaan verklaren vanuit zijn leven, maar tegelijk ben ik ervan overtuigd dat ons begrip van een literair of ander kunstwerk alleen maar verrijkt kan worden door verstandig gebruik te maken van wat we weten over het leven van de kunstenaar. Is het bijvoorbeeld van belang te weten dat de dichter en filmmaker Yu Jian (op 8 augustus 1954 geboren te Kunming, in het diepe zuidwesten van China) op tweejarige leeftijd bijna volledig doof werd als gevolg van een medische flater? Ik ben geneigd ‘ja’ te antwoorden, want die handicap dwong of stimuleerde Yu Jian om de hem omringende wereld in hoge mate via zijn ogen te gaan verkennen en begrijpen, en dat zou een beslissende invloed op zijn poëzie uitoefenen.

 

Op achtendertigjarige leeftijd kocht Yu Jian een hoorapparaat. Dat is inmiddels al meer dan twintig jaar geleden, maar zijn gewoonte om de wereld met enige verwondering te bekijken als een boeiende verzameling dingen is gebleven. Geen andere hedendaagse Chinese dichter schrijft zo vaak en zo uitvoerig over de gewone dingen die ons in het leven omringen, dingen die zo alledaags zijn dat ze bijna onzichtbaar worden. Maar dat betekent niet dat ze niet het voorwerp van een gedicht kunnen zijn, integendeel. Titels als ‘De stop op de bierfles’ (1991), ‘Omheining’ (1991), ‘Een stapel olievaten vlak bij de spoorweg’ (1993) en ‘Observatie van het leven van een regendruppel buiten het bereik van de dichter’ (1998)[1] spreken voor zichzelf. Vandaag worden daar zeven dinggedichten aan toegevoegd, geschreven tussen 1990 en 2010. Centraal erin staan de volgende dingen: een pas aangelegd wegdek; een mand vol wilde kruiden; tennisballen in de buurt van een omheining; een set porselein; een radio, ontvreemd tijdens de Grote Proletarische Culturele Revolutie; een pocketboek met verhalen van Jorge Luis Borges, onderdeel van een stapel spullen die in de badkamer van de dichter rondslingeren; en tot slot een onstoffelijk ding, een gedicht dat wordt aangeboden als verjaardagsgeschenk.

 

Oppervlakkig beschouwd lijken Yu Jians gedichten weinig of niets van doen te hebben met de klassieke Chinese poëtische traditie. Rijm en metrum, die in de klassieke poëzie van primordiaal belang zijn, zijn bij Yu Jian onbekend, leestekens worden nauwelijks gebruikt, en de gedichten zijn opgebouwd uit groepjes woorden, die van elkaar worden gescheiden door een portie wit – erg ongebruikelijk in het Chinees. Omdat de Chinese grammatica zo primitief is – dingen die voor ons vanzelfsprekend zijn, zoals verbuigingen en vervoegingen, ontbreken er volledig – moeten lezers en vertalers tastend hun weg door de gedichten zoeken. Welke groepen woorden horen samen in een ruimer grammaticaal verband? Waar houdt een zin op en waar begint een andere? Zoek het maar uit. Het feit dat schrijvende Chinezen waar het ook maar even kan het onderwerp van een zin weglaten, maakt het er niet makkelijker op. (Maar het is precies dat gevoel een ontdekkingsreiziger in een land van schrifttekens te zijn dat het lezen en vertalen van Yu Jians gedichten voor mij zo boeiend maakt!) Jammer genoeg is de vertaler gedwongen een deel van de ambiguïteit van het origineel te laten verdwijnen. Het Nederlands, met zijn relatief ontwikkelde grammatica, zijn bepaalde en onbepaalde lidwoorden, zijn werkwoordstijden enzovoort, dwingt de vertaler tot het maken van keuzes en het expliciet maken van verbanden die in het Chinees hoogstens impliciet aanwezig zijn. De breuk met de klassieke poëtische traditie is bij Yu Jian overigens kleiner dan je zou kunnen denken. Vele van Yu Jians langere gedichten hebben wel wat weg van de klassiek Chinese fu (meestal vertaald als ‘rapsodie’ of ‘dicht’), een genre van poëtisch proza waarin een bepaald onderwerp uitputtend wordt bezongen. En de eeuwenoude liefde voor het spelen met (voor Chinezen althans) herkenbare uitdrukkingen heeft ook Yu Jian, getuige de klassieke versregels ‘lokken als wolken vallen voor geurige sneeuwwitte wangen’ en ‘lis als versiering voor de muren en purperen schelpen voor de kamer’, die opduiken tussen de badkamerrommel in het gedicht ‘pocketboek’[2].

 

Ik laat het woord ‘liefde’ hier niet zomaar vallen. De noodzaak van het liefhebben van alles wat beschreven wordt, is een van de constanten in Yu Jians werk. ‘Als je gedichten wilt schrijven’, stelt Yu Jian in ‘aantekening 137’, ‘dan moet je een hartstochtelijke liefde koesteren voor die / oppervlakkige     vulgaire     op grote schaal / van clichés gebruikmakende / mannen en vrouwen     die vervloekten / die niks van doen hebben met     verheven poëtische stijlen / vanaf de eerste dag van de week moet je met hen samen zijn / hun lawaaierige fastfoodverpakkingen hartstochtelijk liefhebben / flirten     met hun wulpse maar gezonde dochters / tijdens nachten vol vuil     zweet en neonlicht / zij aan zij door de bloedrode stad trekken / door de neuzen van politieagenten / tussen de gespierde konten van deze menigte moet je / neerhurken     en je losgeraakte schoenveter strikken / je moet hen liefhebben     je samen met hen in vuilnis wentelen / hun verhalen zijn geen poëzie / maar ze kunnen wel worden bezongen.’ En het gedicht ‘ik ken een liefde’, waarmee Yu Jians eerste officiële bundel (Zestig gedichten, 1989) opent, eindigt als volgt:

 

ooit in een moeilijk te duiden geluid dat uit de verte tot me doordrong

op een zekere middag toen ik nog een kind was

op een zonbeschenen rivier terwijl de bergwind in mijn oren ruiste

achter het glas van een regenachtige nacht

in een album met foto’s uit vervlogen dagen

in een geur die kwam aanwaaien uit een herfstig land

terwijl ik eens op reis was door een bergketen

ervoer ik deze liefde

telkens niet langer dan een kortstondig moment

maar intens genoeg om me levenslang te doen ontbranden



[1] Verschenen in de bloemlezingen Poëzie als incident (Gent: Poëziecentrum, 1996) en De eerste scheppingsdaad (Leiden: Stichting Het Trage Vuur, 2005).

[2] De titel van de in 2013 verschenen bundel waaruit ‘pocketboek’ afkomstig is – Bi heren si ofte Wat voor een man is hij? – is dan weer een citaat uit de meest klassieke van alle klassieke poëzieverzamelingen, het door Yu Jian bewonderde Boek der Oden, dat gedichten uit de eerste helft van het eerste millennium voor onze tijdrekening bevat.

Naar de door Jan De Meyer vertaalde Dinggedichten van Yu Jian.

Over de auteur:

Jan De Meyer (1961) is vertaler. Hij publiceerde onder meer Leyuan, de tuin van het geluk (2009) en vertalingen van Liu E, De reizen van Oud Afval (2010), Wunengzi, Nietskunnner. Het taoïsme en de bevrijding van de geest (2011) en van de roman Broers van Yu Hua (2013).