thema:

Het zakhorloge van tante Lee

Vertaling:

Iedereen was al naar huis, alleen ik zat nog op kantoor de transacties in het grootboek over te schrijven, toen de telefoon ging. Ik pakte de hoorn op en zei: ‘Hallo.’
‘Directeur Wong.’ Een lage stem met een gebiedende toon klonk door de telefoon. Ik herkende de stem en begon bijna meteen te stotteren.
‘Is het tante Lee? Directeur Wong is al weg.’
‘Hoe laat is hij weggegaan?’
‘Om vijf uur.’
‘Wat? Het is nog niet eens vijf uur.’ Ze gooide ruw de hoorn erop. In mijn oor klonk de pieptoon. Mijn oor gloeide. Ik weet niet of het kwam door het gescheld of wat anders. Ik keek op mijn horloge en zag dat het vijf over vijf was. Ik keek achter mij op de klok aan de muur en die gaf ook vijf over vijf aan. Directeur Wong was vast volgens de tijd op de klok naar huis gegaan. Ditmaal had hij pech. Stilletjes zette ik mijn horloge vijf minuten terug; ik dacht even na en zette hem nog wat terug. Het was absoluut noodzakelijk om volgens de tijd van tante Lee te werken.
In onze fabriek is alleen de tijd van tante Lee accuraat. Niemand weet hoelang ze hier al werkt. Sommigen zeggen dat ze er vanaf het begin is. Anderen menen dat ze familie van de baas is. Hoe het ook zij, ze is hier vanaf dat ons bedrijf nog maar bestond uit een kleermaker en een handjevol naaisters, dat winkeltje heeft zich ontwikkeld tot de huidige grootschalige westerse fabriek. Niemand weet wat haar positie is maar als onze fabriek een grote familie zou zijn, dan zou zij de strenge oma zijn met alle macht in handen. Zij is er en bepaalt de bedrijfsregels en deelt straffen en bonussen uit. Als de naaisters klachten of de medewerkers voorstellen hebben, dan gaan ze meestal naar haar toe. We hebben heel wat mooie verhalen gehoord, hoe ze nieuwe collega’s prijst en bonussen uitdeelt. Maar dat is alleen van horen zeggen. Weer anderen uiten eindeloze lof over haar mensenkennis, maar ook dat is natuurlijk van horen zeggen. Het komt erop neer dat wij te jong zijn en nooit de kans hebben gehad om getuige te zijn van haar vroegere glorie. Toen we begonnen met werken, bezat zij al buitengewoon veel macht. We hebben ook nooit gezien hoe die macht uitgeoefend werd. Zij staat symbool voor het ontwerp en uitvoering van alle wetten. We zijn allemaal bang van haar. Als er iets niet in orde is, het maakt niet uit wat, dan belt ze meteen op. Zodra je die diepe en bazige stem hoort, weet je al dat er beslist wat mis is.
Tantes besef van tijd is precies zo’n besef van rechtvaardigheid. Ze heeft een antiek zakhorloge dat ze altijd bij zich draagt. Men zegt dat het een van die zeldzame curiositeiten is die China werden ingevoerd tijdens de Qingdynastie en die haar grootvader haar nagelaten heeft. Dit zakhorloge staat bekend om zijn precisie. In de gebouwen van ons bedrijf worden alle uurwerken altijd gelijk gezet met het zakhorloge van tante Lee. Net als in ieder geschil tussen collega’s is het oordeel van tante Lee de norm. Kortom, tante Lee en haar zakhorloge zijn eenvoudig de wet in ons bedrijf.
Daarom keek directeur Wong ook zo geschrokken, toen ik hem de volgende dag vertelde dat tante Lee hem gebeld had. Hij klonk wel heel resoluut toen hij zei dat hij volgens de klok werkte maar ondertussen was hij toch zichtbaar van slag en begon hij te twijfelen aan zichzelf en de klok in ons kantoor. Even later werd hij door tante Lee in haar kantoor geroepen. Toen hij na ongeveer een half uur terugkwam, keek hij niet blij. Ik durfde niet te vragen hoe het was gegaan.
Toen het tijd was om naar huis te gaan durfde directeur Wong inderdaad niet meteen weg te gaan. Hij keek alsof er niets aan de hand was en schoof wat papieren heen en weer. Ik kon hem natuurlijk niet verraden. Hij bleef tot even na vijf over vijf (dat was de tijd die de klok aan de muur aangaf, terwijl het op mijn horloge, dat ik de dag ervoor had aangepast aan tante Lee’s tijd, precies vijf uur was). Hij zuchtte, bleef nog een paar minuten ritselen, en toen hij zag dat er verder niets bijzonders was, ging hij er snel van door.
Toen het vijf over vijf op mijn horloge was (en tien over vijf op de klok aan de muur), ruimde ik mijn bureau op en wilde ook weggaan.
Maar juist toen ging ineens de telefoon. Het was tante Lee. Ze wilde directeur Wong spreken.
‘Hij is om vijf uur weggegaan,’ zei ik waarheidsgetrouw.
Het bleef even stil aan de andere kant. Ik werd nerveus en vroeg:
‘Mag ik vragen…, tante Lee, hoe laat is het op uw horloge?’
‘Nu is het net vijf uur!’
Snel zette ik mijn horloge vijf minuten terug. Gewone horloges als dat van mij zijn onbetrouwbaar. Zo zie je maar. Dit keer is directeur Wong serieus in de problemen.
De volgende dag werd Wong weer naar de kamer van tante Lee gesommeerd. Dit keer bleef hij langer weg. Collega’s Fung en Chu van de boekhouding waren druk in discussie. Vandaag niet over het gebrek aan voorzieningen in ons bedrijf, problemen met promotie of salarisverhoging, zoals voorheen, maar de penibele situatie van Wong. Net als ik vonden ze het toch wel al te bar voor Wong, maar nu hij afging op die onnauwkeurige klok aan de muur, wat kon je nog zeggen? Net als alle andere collega’s prezen we ons zelf gelukkig dat wij niet de klos waren, en met het oog op het behouden van onze positie, hielden we voortaan de tijd goed in de gaten. We hadden respect voor tante Lee en waren bang voor haar. Gelukkig dat ze een goed voorbeeld gaf en dat we onze uurwerken gelijk konden zetten met haar tijd. Natuurlijk moeten we haar normen inachtnemen, precies zoals Chu zegt, wij zijn werknemers en daarom moeten wij ons houden aan andermans regels. Daar hadden we het nog over toen Wong terugkwam. Hij keek nog chagrijniger dan gisteren, dus we hielden ons mond maar.
Wong zei de hele dag niets en had aldoor een verongelijkte blik op zijn gezicht. Ik hield mijn hoofd gebogen en keek niet naar hem. Ik had het toch druk genoeg met mijn werk. ‘s Middags kwam bij ons op de afdeling de manager van onderhoud langs (men zegt dat hij verwant is met tante Lee), samen met een technicus. Terwijl ik me voor overgebogen hield over mijn werk, zag ik ineens zwarte sokken voor me. De technicus bleek z’n schoenen te hebben uitgedaan en was op m’n bureau geklommen om de klok aan de muur bij te stellen. De manager belde een interne lijn om instructies van tante Lee te krijgen. Daarna keek hij naar de klok aan de muur en zei tegen de technicus: ‘Zet hem vijftien minuten terug.’
Ik keek op mijn horloge. Ik had hem gisteren al aangepast, maar nu bleek hij weer verkeerd te lopen. Ik zette m’n horloge weer vijf minuten terug en nam me voor om voortaan extra voorzichtig te zijn en om er zeker van te zijn dat mijn horloge niet afweek van tante Lee’s tijdsnorm.
Daarna hoorde ik de manager door de telefoon zeggen: ‘De klok bij de boekhouding is aangepast, we gaan nu naar de fabriekshal.’
Toen ze weg waren zag ik Fung en Chu allebei hun horloges omhooghouden en aanpassen aan de klok aan de muur. Directeur Wong twijfelde even maar deed het toen ook. Alleen het geknars van het mechanisme van de klok was nog hoorbaar in het stille kantoor.
Vanaf die dag werd de tijd een veelbesproken onderwerp op kantoor. Fung had de volgende dag een insider bericht dat hij had gehoord. Volgens hem werd er extra streng gelet op het gedrag van het personeel omdat het bijna de dag was van de jaarlijkse salarisverhoging. Chu kwam met een ander bericht, hij wist te vertellen dat als gevolg van de algehele malaise het slecht ging in de textielsector, dat er ontslagen zouden vallen en daarom de situatie heel ernstig was. Beide nieuwtjes maakten me blij en bang tegelijk. We waren niet meer dan onbeduidend kantoorpersoneel, maar natuurlijk moesten we wel ons eigen hachje redden. Vroeger belandde andermans werk ook op mijn bureau. Op de boekhouding heb ik het meeste werk en ik ben ook altijd de laatste die naar huis gaat. Maar nu ligt de situatie anders, als het bijna vijf uur is, maken de anderen ook geen aanstalte om te gaan, ze blijven braaf op hun stoel zitten. Het is toch woensdag vandaag, de dag van de paardenraces, zelfs Fung die graag een wedje legt heeft geen haast om te gaan. In plaats daarvan vraagt hij:
‘Wat denk je: zullen we tante Lee bellen om te vragen hoe laat het nu is?’
‘Ja!’ Ongelooflijk snel draaide Chu het nummer. Ik hoorde hem zeggen:
‘Is dit tante Lee? Met Chu Kap-ming van de boekhouding, mag ik vragen hoe laat het nu is?’
Daarna zei hij heel nederig: ‘Dus het is vijf voor vijf? Dank u wel!’ Hij klonk helemaal niet verbaasd. Hij trok meteen zijn schoenen uit en klom op mijn bureau, om de klok aan de muur vijf minuten terug te zetten.
Toen moest ik wel mijn horloge ook aanpassen. Helaas weer niet goed, gelukkig dat Chu even gebeld had. Die horloges van tegenwoordig daar kon je ook niet van op aan.
Ondertussen stak directeur Wong zijn arm de lucht in en liet hem weer zakken. Het was niet duidelijk waaraan hij twijfelde, tot hij ineens woord voor woord zei:
‘LOOPT-HET-ZAK-HORLOGE-VAN-TANTE-LEE-WEL-GOED?
Verschrikt keek ik hem aan. Ik had niet verwacht dat hij dat zou zeggen. Ik weet niet waarom, maar Fung en Chu doken allebei ineen en deden alsof ze niets hadden gehoord. Het was maar beter dat niemand het hoorde, want als iemand dat naar buiten toe vertelde, nou dan waren de gevolgen niet te overzien. Bovendien, waarom zou iemand aan tante Lee twijfelen? Zij was degene die aldoor rust en orde hield, ze was oprecht en streng, zij was de belichaming van een karakteristieke traditionele Chinese geest. Bovendien stond haar zakhorloge bekend om zijn precisie.
Nadat directeur Wong dit had gezegd, liet ook hij zijn hoofd hangen. Hij was duidelijk van streek. Hij was vast z’n huid volgescholden, daarom was hij uit zijn doen en had hij zoiets gezegd. Dat was het vast.
De volgende dag was directeur Wong de hele dag stil, hij zei geen woord. De sfeer op kantoor was daardoor om te snijden. Ik vind dat helemaal niet fijn. Voorheen waren we altijd aan het praten en lachen, heel gezellig. Voorheen zei directeur Wong soms schertsend dat onze fabriek een harmonieuze mix van elementen uit oost en west was. Maar er waren geen voordelen, alleen maar nadelen. Er waren bijvoorbeeld helemaal geen bonussen westerse stijl, of materiele voordelen, maar er was wel een westers werksysteem. Zo was er ook geen Chinese-stijl vriendschap of camaraderie, maar wel overbodige werknemers als gevolg van Chinese vriendjespolitiek bij personeelszaken. En daarna konden we nog alleen de magere lonen bespreken en de duisternis van de toekomst. En als we uitgepraat waren dan gingen we weer gewoon verder. Maar dan voelden we ons beter en werkten we meer opgewekt. En ik weet zeker dat directeur Wong respect had voor tante Lee. Soms als hij zijn gal gespuwd had zei hij: het is maar goed dat we tante Lee hebben, zij houdt vast aan onpartijdigheid. En nu, zit directeur Wong daar stilzwijgend, hij zegt geen woord. Wat zou hij nu denken?
Ik kon echt niet tegen die stilte. Er kwam geen eind aan de dag. En toen was het eindelijk tijd om naar huis te gaan. Iedereen ging opruimen en ik zuchtte van opluchting. Directeur Wong keek op zijn horloge, en van zijn horloge naar de klok aan de muur. Het was 17.01. Hij stond er besluiteloos bij. Hij twijfelde nog even voordat hij een externe lijn belde en vroeg hoe laat het was. Uiteindelijk ruimde hij op en ging weg.
Ondertussen kreeg ik de la van mijn oude bureau niet dicht. Met kracht gaf ik er een stoot aan en schold erop en mopperde waarom het bureau nog niet afgeschreven was. Temidden van mijn gevecht met mijn bureau ging de telefoon.
Fung nam op en ik hoorde hem zeggen:
‘Hij is al weg.’
Ik wist het meteen: ditmaal was directeur Wong er geweest. Toen hoorde ik Fung vragen hoe laat het dan was en daarna klom hij op mijn bureau om de klok vijf minuten terug te zetten. Het was nu 16.58 en niet 17.03.
Het was dus nog geen tijd om te gaan. Ik gaf het gevecht met mijn bureau op en ging weer zitten. Ik ging verder met de journaalposten.
Uit kantoor ging ik meteen met openbaar vervoer naar de bioscoop. Ik had afgesproken met mijn vriendin om de film van half zes te zien. Vreemd genoeg zag ik haar weglopen toen ik net arriveerde. Ik rende snel naar haar toe maar ze negeerde me. Uiteindelijk schold ze me de huid vol. Ik begreep er niets van. Ze zei dat ik een half uur te laat was. Ik keek op mijn horloge, dat liep net als de klok op kantoor volgens het zakhorloge van tante Lee. Het was nu precies half zes. Maar op haar horloge en de klok in de hal van de bioscoop was het zes uur. De portier van de bioscoop zei: de film draait al een half uur. Ik had niet verwacht dat ik ook slachtoffer zou worden van het tijdsprobleem.
Maar vergeleken met de ramp die directeur Wong boven het hoofd hing was dat probleem van mij te verwaarlozen.
Toen directeur Wong de volgende dag op kantoor kwam werd hij meteen op het matje geroepen. Niet lang erna kwam hij terug en begon verontwaardigd zijn spullen op te ruimen. Het gerucht ging dat hij ontslagen was. Niemand durfde hem iets te vragen. Ze denken dat het komt doordat hij twijfel uitte over het zakhorloge van tante Lee. Maar of dat waar is en wie dan zijn mond voorbij gepraat heeft, is niet duidelijk. Directeur Wong ruimde zijn spullen op en verscheurde oud papier. Zijn kalme gelaat kon zijn woede niet verbergen. In de stilte van het kantoor klonk alleen het gescheur van paper. Later vertrok hij zonder een woord.
Toen hij weg was, had ik het gevoel dat er iets mis was. Maar ik wist niet wat. Even later hoorde ik gelach achter mij. Ik kon niet goed horen wat ze zeiden maar het leek alsof Fung Chu directeur noemde. Alsof Chu de opvolger zou zijn, nu Wong weg was.
Een paar dagen later echter werd Chu teleurgesteld. Tante Lee bracht een zekere meneer Lee ten tonele. Bij kennismaking gaf tante Lee nog een belerende preek. Hoe belangrijk het was om je te houden aan de regels. Hoe je respect moest tonen aan de oudere generatie. Met name je houden aan de tijd was een schone deugd in de Chinese traditie die wij niet mochten negeren. Het leek mij dat de woorden van tante Lee van grote betekenis waren. In een commerciële onderneming was discipline heel belangrijk; het lot van directeur Wong leek pech, maar nu het zo is gebeurd, moeten wij als gewone werkers niet gewoon verder met ons werk, ongeacht wie de baas is. Alleen Chu roddelde nog, misschien doordat hij zijn zinnen had gezet op die positie, en vertelde dat die nieuwe directeur een neef was van tante Lee. Niemand van ons wist of we hem moesten geloven.
Alles ging verder z’n gangetje. Het enige verschil was dat directeur Lee nu elke dag tante Lee belde om te vragen hoe laat het was. En iedere dag bleek dat onze klok vijf minuten voor liep. En dus pasten we ons meteen aan aan haar tijd. Iedere dag tegen sluitingstijd belde hij tante Lee en dan pasten we de klok aan de muur aan, en daarna onze horloges. Het werd een deel van ons dagelijks werk, net als dat we elke dag brieven ontvingen was dat ook een deel van ons werk. Het werd een onmisbaar afsluitlied van de dag. En elke dag klom ik op mijn bureau om de klok aan de muur vijf minuten bij te stellen volgens tante Lee’s accurate tijd, dat werd ook mijn verantwoordelijkheid. En ik voerde dit bevel heel natuurlijk uit, zonder enige twijfel deed ik het, net als mijn dagelijks toebedeelde taken.
In het begin was er niets aan de hand, de dagen gingen voorbij, onze fabriek leek langzamerhand een andere wereld vergeleken met de buitenwereld. Collega’s van alle afdelingen kwamen te laat voor de bus en de trein, ze misten het begin van de film, en kwamen te laat op feestjes en diners. Iedereen werd gewantrouwd door echtgenoten en kregen klachten van zijn vrouw. Geen tijd om de kinderen uit school te halen. Te laat voor de avondschool. In mijn geval bijvoorbeeld begon mijn vriendin met uitschelden en vervolgens met op humoristische wijze navragen of ik soms in wintertijd leefde, totdat ze er uiteindelijk niet meer tegen kon en het uitmaakte. Wat kon ik zeggen? Ik begon eerst te vertellen over dat beroemde zakhorloge van tante Lee. Over haar absolute correctheid, striktheid en tijdsbesef. Ik gaf tal van historische voorbeelden. En gaf verklaringen die varieerden van de depressie in Hongkong tot aan de overwinning in de oorlog met Japan, van het leven in een heel gewoon vissersdorp tot aan de ontwikkeling van meer dan tien jaren industriële bloei: tijdens die hele ontwikkeling had tante Lee’s zakhorloge een belangrijke rol gespeeld in ons bedrijf. Maar mijn vriendin perste alleen haar lippen op elkaar en zei dat we allemaal gek geworden waren en dat we ons onwetend hielden voor de echte tijd. Collega’s hadden soortgelijke problemen en waren niet in staat om anderen in de buitenwereld te overtuigen dat tante Lee’s tijd de enige juiste tijd was, en dat de tijd van de buitenwereld alleen maar een illusie was van versnelde ontwikkeling. De mensen in de buitenwereld die niet in ons bedrijf werkten waren niet in staat om de correctheid van tante Lee’s autoriteit aan te voelen. De helft van de tijd waren we op kantoor, de andere helft waren we in de buitenwereld, het voelde alsof er twee verschillende tijdsnormen waren, het was echt heel erg frustrerend.
En zo gingen de dagen voorbij, elke dag werkten we tot de tijd die volgens tante Lee de juiste tijd was. Het werd iedere dag later. ‘s Ochtends als iedereen al naar zijn werk was, lagen wij nog in bed. Tegen de tijd dat wij uit ons werk kwamen waren de straten stil en verlaten. Ik benijdde de mensen die een nachtleven hadden. En ik kon niet anders dan klagen dat de tijd van de buitenwereld anders was dan die van tante Lee. Niemand wist wat nu juist was: sommigen volhardden erin dat tante Lee’s tijd de juiste was, terwijl ze de realiteit van de buitenwereld negeerden. Anderen begonnen net als directeur Wong te twijfelen aan tante Lee. Maar die laatsten waren in de minderheid. De meesten gingen gewoon volgens de regel naar werk. Ze leefden van dag tot dag. Af en toe zaten ze te klagen dat ze echt pech hadden.
Als we uit werk kwamen, waren er steeds minder mensen op straat. Eerst dachten ze dat we uit de laatste film kwamen, daarna toen we nog later over straat liepen, dachten ze dat we illegale bijeenkomsten hielden, en het scheelde niet veel of we werden opgepakt door de politie op beschuldiging van een demonstratie. Toen we middernacht in de verlaten straten terugliepen naar achterbuurten en nieuwe wijken, geloofde niemand ons dat we net uit werk kwamen. Mannelijke collega’s werden vaak gefouilleerd door de politie, maar nog vaker werden ze door boeven in trappenhuizen beroofd. Vrouwelijke collega’s werden regelmatig lastiggevallen. Dit was aan de orde van de dag en iedereen had het als een feit aangenomen, alsof het ook een deel was van onze dagelijkse taken.
De mensen die in de fabriek werkten, hielden zich wel aan tante Lee’s tijd, maar op het welvaren van de textielindustrie had ze natuurlijk geen vat. Onder invloed van een economische depressie ging het slecht met onze handel, we kregen minder bestellingen, de productie liep terug, terwijl het geroddel in de fabriek toenam. Iedereen had het over financiële groepen in Amerika en Japan en zelfs Oost-Europa, hoe die de markt overnamen. Zou ons bedrijf een nieuw jasje nodig hebben? Ik wist niet wat ik van het gerucht moest maken. Tot de dag dat tante Lee mij beval met het grootboek naar haar kantoor te komen. Tot mijn verbazing zat er een vreemde man van middelbare leeftijd met haar te praten. Terwijl ze antwoord gaf, overhandigde ze hem het grootboek. Ik stond ernaast te wachten, als een bediende. Hij bladerde wat en maakte opmerkingen die ik niet begreep. Ik leunde tegen de muur en viel bijna in slaap. Uiteindelijk keek hij op zijn horloge en zei: ‘Het is bijna 5 uur, laten we een andere keer verder praten.’
Toen ik dit hoorde, schrok ik me een ongeluk. Deze man wordt zo direct zijn huid volgescholden, dacht ik bij mezelf. Op de klok aan de muur achter hem was het nog maar 11 uur (ongetwijfeld volgens tante Lee’s zakhorloge elke dag bijgesteld). Zijn horloge, net als zoveel uurwerken in de buitenwereld, was duidelijk niet aangepast aan de tijd van tante Lee.
Ik stond te wachten op haar woedeuitbarsting. Maar die kwam niet. Wat ik zag was dat tante Lee heel vriendelijk en moederlijk de man de hand schudde en lachend gedag zei. Zonder een woord van verwijt. En ik dacht bij mezelf: Zou ze het niet gehoord hebben? Dat zal toch niet waar zijn. Maar waarom dan? Ze hield de deur open voor de man en kwam terug. Ze ging weer zitten zonder aandacht te schenken aan mij. Ik stond erachter en probeerde kleine geluidjes te maken om haar te laten weten dat ik er nog stond. Maar ze hoorde me niet, ze zat heel geconcentreerd te bladeren in het grootboek. Ze was vast vergeten dat ik hier nog achter haar stond te kijken. Na een poosje sloot ze het grootboek. Daarna viste ze het zakhorloge uit haar zak, ze klikte het open, keek even en legde het op tafel. Ze staarde voor zich uit in de ruimte. Even later greep ze naar haar voorhoofd, alsof ze hoofdpijn had. Daarna legde zij haar hoofd op tafel. Ik wist niet wat ik moest doen, moest ik hier achter haar blijven staan? Of moest ik snel de benen nemen? Het leek alsof ik stiekem stond te gluren naar een geheim. Maar ik deed het toch niet met opzet, ik kan zweren dat ik het absoluut niet expres deed. Maar ik kon het niet helpen dat het grijze haar van tante Lee, en haar uitdrukking van een gewone bejaarde vrouw met ziektes en gebreken, helemaal niet strookten met het beeld dat ik had van haar kordaatheid en strengheid.
Als ik weer terugdenk aan daarnet, dan voel ik me heel onrustig. Alsof een beestje zachtjes aan mij knaagt. Waarom had ze daarnet die man niet uitgescholden? Net zoals ze op ons schold, dat we ons aan de juiste tijd hadden te houden? Ik begreep het echt niet. Daardoor begon ik ook te twijfelen, en ik die anders altijd bevelen opvolgde begon ook na te denken. Daardoor voelde ik mijn moed toenemen en ik deed zachtjes een stap naar voren om dat beroemde zakhorloge nader te bekijken.
Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een zakhorloge van dichtbij zag. Het lag naast het hoofd van tante Lee. In de schaduw van haar dunne, grijze haar, zag het er heel anders uit dan ik me had voorgesteld. Wat ik zag was een heel gewoon zakhorloge. Het zag er heel oud uit en had wat olie-achtige vlekken. Misschien kwam het doordat het zo antiek was, en omdat de behuizing en de uurwijzer verroest waren en de cijfers vervaagd. Eerlijk gezegd kon ik niet zien of die minutenwijzer nog wel liep. Het enige wat ik zag, was een bruin wormpje dat tussen de barstjes naar buiten kwam kruipen….

 

April 1976

Over de auteur:

Leung Ping-kwan (1949-2013), ook bekend onder zijn pseudoniem Ye Si, was een bekend dichter, romanschrijver en vertaler in Hongkong. Werken van zijn hand zijn onder meer de roman Jianzhi (Papierknipsels), gedichten verzameld in Gei kugua de songshi (Ode aan een bittere meloen) en Xingxiang Xianggang (Beelden van Hongkong) en de verhalenbundel Dao he dalu (Eilanden en continenten). Daarnaast was hij als wetenschapper in de vergelijkende literatuurwetenschap verbonden aan verschillende universiteiten.

Over de vertaler:

Audrey Heijns studeerde Chinees in Leiden. Zij vertaalt Chinees proza en poëzie in het Nederlands en Engels. Haar vertalingen zijn verschenen in literaire tijdschriften zoals Het Trage Vuur, Tweede Ronde, KortVerhaal, Renditions, Exchanges en bij Poetry International. Zij is redacteur van de online database VerreTaal.