thema:

Zes gedichten

Vertaling:

De iglo

 

Buiten de iglo wachtte hij

op een uitnodiging van binnen.

Er hing geen klopper, geen deurbel.

Hij kuchte, er kwam geen antwoord.

 

Hij hurkte neer en nam een kijkje.

De warme lucht van een vuur stroomde

langs zijn wangen en door zijn haren.

Hallo zei hij zachtjes en herhaalde het.

 

De kou in zijn tenen dreef hem naar binnen,

net als de pijn in zijn buik. Zijn knieën

verwelkomden de sneeuw een voor een

en leidden hem de warmte in.

 

Hij stond op en haalde diep adem.

Hij warmde één voet aan het vuur

verruilde hem toen voor de andere.

Hij ging op de ijsbeerpels liggen

 

maar een geur deed hem opveren

en leidde hem naar een kast van been

waarop een kom stond met een deksel.

Hij tilde het op en vond gedroogd vlees.

 

Hij greep een homp en verscheurde die

met zijn tanden. Het was rendier.

Hij verslond wat er in de kom zat

en ging op zoek naar meer.

 

Hij vond niets, behalve een fles

vuurwater. Daar nam hij een teug van

en nog een, en liet hem toen achter.

Hij streek neer op de pels en viel in slaap.

 

 


 

De Inquisitiesteeg

 

Gisteravond liep ik door de Inquisitiesteeg

naar de oever van de Guadalquivir. Ik had

 

gebraden kip met knoflook en lamsniertjes gegeten,

met daarbij een fles Ramon Bilbao Rioja Crianza.

 

Niemand had me gemarteld om mijn ongeloof

in de gouden Madonna of de kruisbeladen Christus.

 

Niemand zou me in de rivier gooien,

minus mijn duimen, vingers of ballen.

 

Ik had zelfs Barcelona in stilte zien winnen,

in Sevilla even populair als protestanten.

 

De Inquisitiesteeg was schemerig maar niet donker –

de maan hing er laag boven, en zwaluwen

 

flitsten heen en weer boven mijn lange haardos.

Ik hoorde ergens zacht de flamenco zingen.

 

Ik kwam bij de rivier en zag daar een bootje –

in een opwelling sprong ik erin. De riemen

 

bewogen uit zichzelf door het water

en brachten me naar het slot van de Inquisitie

 

dat zich op de oever herbouwd had

en me ontving in zijn donkere kelder.

 

 

 

De matador

 

De matador zat fronsend achter in

de bar, en dronk langzaam zijn bier op.

Hij wilde de mensen neersteken die

naar hem staarden. Zijn zwarte das,

zijn zwarte pak beschermden hem niet

tegen hun blikken. Hij bestelde

testikels, zijn exclusieve voorrecht,

en een karaf donkerrode wijn.

Hij maakte een zwierig armgebaar,

alsof hij zijn cape deed wervelen,

reciteerde een versregel,

grinnikte vervolgens en bood zijn excuus aan.

Morgen zou hij in de ring staan

tegenover een stier uit Miura. Waar

bleven de hongerige reporters?

Zijn oog viel op een bebaarde man

die het over hem zou kunnen hebben –

Hij nipte aan zijn wijn en dacht weer

aan de witgesokte stier in Toledo.

Hij was onverslaanbaar.

 

 

 

De verzekeringsagent

 

Hij reed in amazonezit, twee voeten

aan dezelfde kant van de witte

merrie, die haar hoofd hoog hield, terwijl ze

door de vallei vol cactussen stapte,

waar cobra’s tussen haar hoeven gleden.

 

Een ambitieuze gier bleef hangen in de lucht.

Een coyote huilde in de verte. Hij

negeerde ze beiden, haalde een hele

chorizo tevoorschijn waarop hij kauwde,

terwijl zijn verrekijker hem liet zien

 

wat er in het verschiet lag: een vliegtuigwrak

stukgeslagen in de woestijn, stoelen,

lichamen overal verspreid (hoewel botten

een betere beschrijving zou zijn),

en het zonlicht kaatste van zijn romp.

 

Hij steeg af, pakte zijn notitieboek,

liep rond, legde de half opgevreten

lijken op hun rug en maakte aantekeningen,

tot hij er genoeg had, besteeg toen weer

de merrie, een been aan elke kant ditmaal.

 

 

 

Into the air
i.m. Seamus Heaney

 

Ik zal denk ik de plechtige mis rond je kist

wel vergeten, hoe je door die priesters,

je gretige confraters, tot de sterren werd verheven

 

en het hoge koorgezang, bedoeld om je

door de diamanten hemelpoort

te loodsen, voor je signeersessie met God.

 

Ik zal ook vergeten hoe die kraai van een bisschop

met zijn Latijnse hymne zo nodig

het laatste woord moest krassen (hoewel

 

je van Latijn hield) na het bovenaards trage

doedelzakspel dat je uitgeleide deed terwijl je

kist verdween in dat gat in de grond in

 

Bellaghy, je eigen plekje, waar twee

avonden later een eenzame harpiste zat te spelen

in het donker, alsof jij haar had uitgenodigd

 

om alles recht te zetten. Dat zal ik onthouden,

net als de treurende doedelzak, je stem uit Derry,

je lach en, ja, misschien een of twee gedichten.

 

 

 

Goud

 

Na de moord hield ik een meeting

om de stemming te peilen. Ik zei

dat ik ongelukkig was – dat ik hem

had gemogen, de man die we hadden

doodgeschoten. Jullie protesteerden.

Ik vroeg wie hij dan was, wie zijn vrouw.

Dat wisten jullie niet. ‘Dood mij dan’,

zei ik. Ze staarden me aan. ‘Natuurlijk niet,

Bernard. Waarom zouden we?’.

‘Waarom niet?’ zei ik. ‘Hij was een goed

man, een beter man dan ik. En

kijk wat ik jullie heb gegeven –

gezever, prietpraat, pulp.’

‘Klinkklare onzin,’ zeiden jullie.

‘We vonden het geweldig. En jij

struinde wilde streken af om het

voor ons te vinden – je liedjes, je

legendes, je sprookjes, je goud.’

Ik dankte jullie, maar schudde mijn hoofd.

Een goed man was dood. Het kon me niet schelen

wat ik jullie gegeven had. Ik moest vertrekken.

Ik pakte mijn sagen, mijn liedteksten,

mijn geheime elixers, mijn goud, en

ik verdween.

Over de auteur:

Matthew Sweeney (1951) is Iers dichter. Hij studeerde in Londen en Freiburg, waar hij een liefde opdeed voor Duitstalige literatuur. In 1981 debuteerde hij met de bundel A Dream of Maps en sindsdien won hij verschillende prijzen voor zijn poëzie, waaronder de Cholmondely Award (1987), de Arts Council England Writers’ Award (1999) en meer recent de Piggot Poetry Prize (2014). In 2008 verscheen een Nederlandstalige bloemlezing van Sweeney’s werk onder de titel Het IJshotel bij Uitgeverij Atlas, met een selectie vertalingen van Peter Nijmeijer.

Over de vertaler:

Jeske van der Velden studeerde Engelse Taal en Cultuur aan de Universiteit Utrecht. Ze vertaalde onder meer voor Het Literatuurhuis, Terras en ‘The Chronicles’. Ook droeg ze haar vertalingen van Paul Farley voor op het festival Dichters in de Prinsentuin. Vorig jaar ontving ze een door het Nederlands Letterenfonds gesubsidieerde Talentbeurs. Momenteel werkt ze naast haar scriptie aan de vertaling van een poëziebundel voor Terras.