Blog | , maart 15, 2014

Vertaling:

De karper van Pigault-Lebrun

Soms kom je al muizend door Google iets tegen waar je rechterwijsvinger van in de lucht blijft hangen; je oog blijft aan iets haken, je zoekterm, maar nou niet bepaald in de context waar je hem in verwachtte, je trekt één wenkbrauw op, of twee… en leest verder.
Dat overkwam me onlangs met een boek van de 19e-eeuwse Franse schrijver Charles Pigault-Lebrun. Vraag me niet waar ik naar op zoek was, dat ben ik al lang weer vergeten. Maar het hieronder volgende fragment zal nog wel een tijdje door mijn hoofd spoken.
Ondanks de nodige jaren studie van de Franse literatuur had ik nog nooit van Pigault-Lebrun gehoord te hebben. Hij blijkt wat men noemt een veelbewogen leven achter de rug te hebben, dat hem zelfs in Nederland deed belanden. Voor wie geen zin heeft om Wikipedia erop na te slaan, of de ongetwijfeld nog veel boeiender biografie die Stéphane Audeguy over hem schreef onder de titel L’Enfant du carnaval (en die intussen op mijn leeslijstje staat, dat zult u dadelijk begrijpen) een paar romaneske hoofdpunten:
Na zijn studie wordt hij naar een Londens handelshuis gestuurd. Hij verleidt er de dochter van zijn baas, het schip waarop ze samen vluchten vergaat, en het meisje verdrinkt. Pigaults vader laat hem twee jaar opsluiten. Als hij vrijkomt wordt Pigault gendarme, krijgt weer een liaison en wordt wederom twee jaar door zijn vader gevangen gezet. Dit keer wordt hij na zijn vrijlating acteur, een nogal matige overigens, en verleidt in Parijs een arbeidersdochter, met wie hij naar Nederland reist. Ze trouwen, en installeren zich in België. Als Pigaults vader van het huwelijk verneemt, laat hij zijn zoon doodverklaren. Pigault verandert daarop zijn naam. Hij is in de tussentijd als toneelschrijver gedebuteerd, en gaat nu ook romans schrijven. Als één daarvan, L’Enfant du carnaval, een successchrijver van hem maakt, wordt hij door zijn vader weer in genade aangenomen. Zijn levensverhaal eindigt ten slotte met een rustige oude dag.
In 1804 publiceerde hij de lijvige roman Jérôme. Integraal online te vinden, anders kon ik dit nu niet met u delen. In onderstaand fragment woont de jonge hoofdpersoon de mis bij, maar hij heeft meer aandacht voor zijn teerbeminde, met wie hij vurige blikken uitwisselt, dan voor de preek van de pastoor. Opeens worden ze opgeschrikt door gemompel en gelach, en Jérôme vreest een moment dat ze betrapt zijn. Maar nee…
 
 
 
De aandacht ging helemaal niet naar ons uit. Er gebeurden daar op de kansel dingen die sommigen erg grappig vonden, anderen volstrekt schandalig, en ik volkomen natuurlijk, al was het niet echt het geschikte moment. Het superplie en de soutane van de pastoor gingen regelmatig op en neer, al naar gelang iets langs en stevigs dat onderaan zijn buik op en neer veerde, omhoog en omlaag bewoog. ‘O mijn God, zei iemand tamelijk luid, mijnheer pastoor is zijn broek vergeten.’
Het gelach in het ene kamp en het gemor in het andere zwollen aan. De pastoor zette onverstoorbaar zijn toespraak voort, zonder een spoor van verlegenheid. ‘Ik heb u gezegd, broeders, gezegend zijn zij die gezien hebben, en niet geloven! En wat gelooft u nu te zien? Altijd staat u klaar om af te gaan op uiterlijke schijn, en u denkt nu dat de gratie Gods mij verlaten heeft, en dat ik geleid word door de kwellingen der begeerte. Dat gaat u vertellen en navertellen aan uw familie, uw vrienden, uw buren; u zult niet schromen om een reputatie van kuisheid, verworven door dertig jaar strijd en opoffering, te bezoedelen. Kijk, en zie aan welke illusie u ten prooi bent. Wat u ziet, dames, is geen vlees; het is vis.’
Hij trekt zijn superplie en jasje omhoog; van zijn grote broeksknoop maakt hij een enorme karper los die hij daar met een touwtje aan had vastgeknoopt; hij tilt zijn arm op, houdt het dier omhoog; hij toont het aan zijn verbijsterde toehoorders.
Waarschijnlijk stond hij op het punt los te barsten in een donderpreek, maar de glibberige karper spartelt, glijdt weg, en ontsnapt aan de hand die hem in zijn greep dacht te hebben. Hij komt terecht in het decolleté van mevrouw Derneval die men de eer had bewezen van een zitplaats vlak onder de kansel. Een klap van de staart naar links, een klap naar rechts, en de karper baant zich een weg tussen twee charmante rondingen. Ontsteld springt de schone dame overeind, ijselijke kreten slakend. De vis, die door niets meer van zijn zwerftocht kan worden weerhouden, zakt verder, en blijft ten slotte met zijn vinnen hangen… weet u waar? Het gegil, wordt dubbel zo luid en dubbel zo hevig, van angst net zo goed als van pijn.
De generaal was woedend, om wat er gebeurde, maar ook omdat hij zijn echtgenote onmogelijk kon bijstaan op zo’n respectabele plek. Hij streek licht met zijn hand over de voorkant van de jurk om het komische effect van de kwispelende staart te laten stoppen, maar de karper, die kennelijk niet ingenomen was met deze beperking van zijn bewegingsvrijheid, begon alleen maar harder te spartelen. Buiten zichzelf tilde de generaal zijn wanhopige vrouw op en droeg haar naar de sacristie. Mijn liefste volgde, een schaar in de hand. Het fatsoen stond niet toe dat ik ook naar binnen ging: ik bleef bij de deur staan.
De generaal riep dat alleen de vinnen afgeknipt moesten worden, de knappe dame gilde dat alles eraf moest. Ik weet niet precies wat er uiteindelijk afgeknipt werd, maar op het gekrijs volgde stilte, en uit een langdurig gelach kon ik opmaken dat mevrouw bevrijd was.
Toen kwam de priester, die zijn duivelse preek niet had kunnen afmaken, binnen om zich uit te kleden. ‘Zalig, zei de generaal tegen hem, zij die voelen en die niet geloven!’ Hij gaf hem een twintigtal schoppen tegen zijn achterste, en bij elke trap zei hij ‘Ik ben niet degene die trapt; en u bent het niet die geschopt wordt.’

Over de auteurs:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.

Over de vertaler:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.