thema:

De keeper ben ik II

Vertaling:

Woensdag de week daarop word ik ‘s ochtends vroeg al gebeld door ene meneer van een verzekering. Belt me wakker om negen uur. Bravo. Inboedel en aansprakelijkheid of zo. Zegt dat ‘ie graag eens langs wil komen, en dat ‘ie een offerte voor me heeft, vrijblijvend.

Heb ik soms gevraagd om een offerte? Hé, hallo, heeft iemand gezegd dat ik een offerte nodig heb? Dat staat mij niet bij, sorry, anders wist ik het nog wel. Ik herinner me wel aan wie ik wat vraag. Bovendien zei ik dat het mijn dag niet was, al kon hij daar ook niks aan doen.

Hij bood zijn excuses aan en zei gedag. Goed. Oké. Maakt niet uit. Ook sorry. Weet ook niet waarom ik net zo agressief reageerde.

 

Eigenlijk had ik nu naar het Maison kunnen gaan, krantje lezen, kijken of Regula werkt vandaag. Maar ik deed het niet. Doe het niet. Heeft geen zin. Regula is met Budi en Budi is met haar en die twee hebben het vermoedelijk best goed samen en aan mij is er geen behoefte in dat verfilmde streekromannetje. Ik sta voor lul als ik wat blijf scharrelen bij iemand die al zo goed als getrouwd is.

Alhoewel, ik kan het natuurlijk wel blijven proberen. Misschien is ze Budi allang zat, met zijn opgevoerde Toyota Celica, zijn onmogelijke muzieksmaak en zijn rare kop. Maar als het zo is, dan ben ik allicht niet de aangewezen persoon om haar dat duidelijk te maken. Beslist niet, zelfs. Als ze Budi wil lozen, moet ze dat maar zelf bedenken. Dat zou althans het beste zijn. Zeker voor mij.

Toen ben ik maar wat gaan ijsberen op mijn etage, een eeuwigheid. De zenuwen. De zenuwen, verdomme, de zenuwen. Ik ben in de nor alleen maar nóg zenuwachtiger geworden. De zenuwen zijn mijn zwakke plek en zenuwachtigheid is het allerergste. Dan kun je roken zoveel je wilt, als je zenuwen echt opspelen, doet geen sigaret en geen joint ter wereld daar wat aan.

Hoe laat is het? Half tien, tiemisiech. Ik moet nu eindelijk een baan vinden! Ik moet het huis-aan-huisblad bekijken, de vacatures doornemen. Waar ligt dat blad ook alweer? In het Maison hebben ze het ook. In het Maison hebben ze koffie. In het Maison voel ik me vast beter.

 

Kijk nou eens, die Regula! Ik was net op weg naar het Maison. Ik doe er tien minuten over, van thuis naar het Maison, nu nog twee minuten. Hoor eens, Regula, dat heeft niets met jou te maken, echt niet. Het gaat me puur om de krant. Kijk me aan. Ik ben het, Keeper, degene die een nieuwe start maakt. Zodra je me het Maison ziet inlopen, moet je maar denken: aha, hij zoekt een baan en hij komt hierheen om het sufferdje te lezen. Hij is immers niet meer de Keeper van weleer. Hij is veranderd. Hij is nu net Paulus voor Damascus. Hij is van zijn paard af gedonderd en zijn ogen zijn geopend. Het is hem niet om mij te doen, en ook niet om een of andere louche zaak. Hij wil geen geld meer lenen. Hij wil alleen een kop koffie en het sufferdje en dan zo snel mogelijk een fatsoenlijke baan en verder helemaal niets.

Hallo allemaal.

Hallo Keeper.

Dat was Pole, de postbode. Die zit hier altijd bijna een uur lang pauze te houden. De anderen groeten me niet als het niet per se nodig is, maar sorry hoor, je groet iemand toch gewoon terug als die binnenkomt en heel duidelijk iedereen groet? Wat zijn het toch een ellendige verstokte misbaksels in dat gehucht hier! En wat dan nog. Ik pak de krant. Pesche werkt vandaag als enige in de bediening. Pesche is de baas. Café Maison is van hem. Doe mij een Kaffee crème zonder crème en een Nussgipfel. En zeg eens, Pesche, is Regula er niet vandaag?

Die komt vanmiddag. Waarom?

Wat nou Pesche, is vragen soms verboden?

Ik zeg helemaal niets! Ik zeg alleen dat ze pas vanmiddag komt.

Ja, maar je zou het ook op normale toon kunnen zeggen. Vriendelijk, zeg maar.

Wat is er nou weer, Keeper? Heb ik het niet normaal genoeg gezegd soms? Kom jij me nu al in mijn eigen tent vertellen hoe ik aan jou moet uitleggen wie er op een bepaald moment wel is en wie niet? Als ik jou was, zou ik een toontje lager gaan zingen, Keeper, gezien jouw voorgeschiedenis.

Sorry, je hebt gelijk. Ik ben vanochtend met het verkeerde been opgestaan. Sorry. Excuus. En geef me alsjeblieft kleingeld voor de sigarettenautomaat.

 

Het ligt vreselijk gevoelig met Pesche. Hij benadert je vaak chagrijnig, maar als jij dan ook chagrijnig doet, wordt hij direct heel venijnig. Daar is niet veel voor nodig. En dat is nu wel het laatste waar ik behoefte aan heb, ruzie in het Maison. Dus zeg ik maar: dank je wel, Pesche, merci, ik reken meteen af, het is goed zo, jawel, het is oké zo, dank je. En sorry van daarnet, hè.

Voilà, een Kaffee crème zonder crème. Nussgipfel zijn er niet meer. Geniet ervan.

Er zijn dus geen Nussgipfel meer. Nou ja. Het schijnt dat de mensen trek hebben in dit gehucht.

Ik ben ook een sukkel. Ik had hier niet moeten komen. In het sufferdje staat ook niks, althans niks van belang. Misschien moet ik toch weer terug naar mijn eigen vak. Of weggaan, misschien moet ik gewoon weg hier, ergens anders heen, ergens waar niemand me kent.

 

Klopt dat, Keeper, dat je in Witzwil hebt gezeten? Dat is Pole weer, de postbode.

Hoe lang heb je al pauze, Pole? Zou je niet eens afrekenen en weer op pad? Anders beland jij ook nog in de bajes, vanwege opvallende luiheid en het stellen van domme vragen. Je zou de eerste niet zijn. Eenmaal in Witzwil aangekomen kun je vast direct de post overnemen. Instellingspostbode, dat is een tamelijk gewild baantje. Alleen, dan moet je wel echt wat doen, natuurlijk.

Er lachen een paar mensen. Groeten doen ze je niet, maar als je ze wat geeft om over te lachen, dan grijpen ze het grif aan. Ik had gewoon mijn bek moeten houden. Die postbode is de kwaadste niet, althans niets kwaaier dan de andere oenen hierbinnen. En welbeschouwd is het altijd verkeerd als je mensen laat lachen die er niets van snappen. Het spijt me, van die postbode. Niet om de postbode, maar om mij. Het spijt me om mij, vanwege die hele situatie en omdat het al zover is met mij dat ik grapjes maak over een zielig figuur zoals die postbode, puur om te bewijzen dat ik het nog allemaal op een rij heb in mijn harses.

 

Nauwelijks ben ik weer thuis, of Ueli zijn vader belt me op.

Goeiedag, mijnheer Sutter.

Hoe het met me is, vraagt Sutter.

Goed, zeg ik, dank u wel. En uzelf?

Ook goed, dank u.

En dan, nadat we even een tijdje allebei niets zeiden, zegt hij gehoord te hebben dat ik een moeilijke tijd achter de rug heb.

Ja, dat klopt. Het was niet makkelijk. Maar nu gaat het weer bergopwaarts. En het appartement is overigens echt goed, werkelijk.

Niets te danken. Hij had ook gehoord dat ik werk zocht. Hij wist wel wat voor me. In Drukkerij Maag, bij de afdeling expeditie. Weliswaar slechts tijdelijk. Ongeveer een half jaar, als invalkracht, maar ja. Ik had toch een rijbewijs? Of niet?

Hij kon me het telefoonnummer geven waar ik me kon melden.

Dank u wel, ik denk erover na. Voor hoe lang is het, zei u?

Zes maanden, maar vraag het anders zelf nog even. Ik geloof dat ‘ie zei zes maanden.

Dank u.

Graag gedaan.

Dan weer zo’n pauze. En dan — het zat er natuurlijk aan te komen — zo’n verlegen kuchje, en vervolgens de vraag of ik nou eigenlijk nog veel contact heb met Ueli.

Niet echt.

Ik maak me namelijk zorgen.

Is dat zo?

Hij is zo veranderd! Ik heb de indruk dat het steeds erger wordt. Hij heeft bijna geen vrienden meer en bij ons meldt hij zich hooguit nog als hij weer eens geld nodig heeft. Maar de laatste tijd wil hij niet eens meer geld.

Mmh.

Ik zou blij zijn als u tussendoor wat met hem kon gaan doen. Voor zover ik weet, zijn u en Marta de enige vrienden van vroeger die hij nog heeft. Spreekt u toch eens wat met hem af! Dat zou hem vast goed doen.

Ik zal eens kijken. En dank u wel, wat die baan betreft, bedoel ik.

 

Ik snap hem niet, die vader van Ueli. Die schijnt echt te denken dat ik goed gezelschap ben voor zijn kapotte zoon. Nou ja, vergeleken met die in- en intreurige figuren die met hem rondhangen ben ik misschien best goed voor hem. Uiteindelijk is bijna alles een kwestie van perspectief, tamisiech.

Het klopt, we zijn samen opgegroeid, Ueli en ik. Oké, dat is waar. Basisschool Lochfeld, middelbare school, spelen in woningbouwputten, het bos, de landing op de maan. Dan de jaren zeventig. Een oude pick-up in de kelder, eerst voor sprookjesplaten, maar toen ontdekten we algauw de rock. Status Quo en later Hendrix en Joplin; had de oudere broer van de buurjongen meegebracht uit Zürich. Een paar posters van langharige hobbyrockers. En een galerie vol goden van de zwart-wittelevisie: David Cassidy, Günter Netzer en het wereldkampioenschap voetbal van ’74, waarin hij slechts invaller was, Netzer. Ueli was toen altijd de aanvoerder wanneer we voetbalden tegen de Itakkers, de Italianen van de Gaswerkweg. Itakker mocht je natuurlijk niet zeggen, maar zodra we onder ons waren, zeiden we het lekker toch. Een paar van die lui joegen mij angst aan, omdat ze al iets van dons op hun gezicht hadden en soms zo heel serieus naar je konden kijken. Ik wist toen niet hoe dat kwam, maar ik voelde, geloof ik, dat ze een beetje minachting voor ons hadden, omdat wij nooit ergens voor hoefden te knokken. Omdat we Zwitsers waren, verwende nesten en watjes. Bovendien spraken die Itakkers onderling Italiaans en wist je nooit waar ze het over hadden. Zoals ik al zei, het was best lastig. Maar als we aan het voetballen waren, vergat ik de angst. Een wedstrijd is een wedstrijd. Dan hoeft niemand bang te zijn.

Ach ja, ik mijmer er wat over en denk terug aan onze kindertijd, aan onze jeugd. Ik houd niet op met terugdenken. Ueli en ik, samen gevoetbald, samen opgegroeid, samen begonnen te roken, samen begonnen te experimenteren met dingen en samen aan het vergif geraakt. Oké. Ik denk dus na, en ik weet één ding zeker: geen shit nu, Keeper, en geen verkeerde fout. Laat lekker een heet bad vollopen voor jezelf, lees een boek, rook een sigaretje, zet een kopje thee. Doe wat dan ook, maar doe nu geen domme dingen.

Weet je, je kunt die verdomde troep al ik weet niet hoe lang uit je lijf hebben, fysiek gezien; maar in je hoofd is het er nog steeds. In je hoofd is het er altijd. Altijd!

 

Hoe dan ook, ik dus naar Drukkerij Maag, waar ik tegen de receptioniste zei dat mij was verteld dat zij iemand zochten voor de afdeling expeditie. De mevrouw vroeg of ik even wilde wachten. Ik wacht. Komt er zo’n figuur aanlopen, tegen de vijftig, nog nooit gezien hier in de buurt, is waarschijnlijk niet van hier. Ziet eruit als middenmanagement. Zeker niet de hoogste baas. Eerder zo’n tussenbaas, bedoel vanwege zijn outfit: een goedkoop hemd, een goedkope stropdas en zo. Alles een beetje namaak. Ziet eruit alsof zijn vrouw om de paar jaar wat kleren voor hem uitzoekt in zo’n suffe catalogus.

Zijn naam was zus en zo en of ik plaats wilde nemen. Terwijl ik al zat. Misschien was het ironisch bedoeld, omdat ik niet was opgestaan toen hij me een hand gaf.

Ik stel me voor en zeg dat de vader van Ueli enzovoorts.

Hij kijkt me aan en vraagt of ik referenties heb. Die heb ik natuurlijk niet, althans niet zomaar, nu direct. Ik zeg dat hij gerust Sutter kan bellen, Ueli zijn vader, dat die me de tip had gegeven.

Of ik werkloos ben.

Op het moment wel, ja. Maar nog niet lang.

Of ik een geldig rijbewijs heb.

Jawel, dat heb ik — en ik leg mijn papieren op tafel.

Of ik al eens in de expeditie heb gewerkt.

Jazeker, een vakantiebaantje als scholier, in de expeditie van een textielbedrijf. Meer dan één keer. Ik weet dus vrij goed hoe een en ander werkt.

Goed, zegt hij, wat hem betreft was het oké. Volgende week maandag beginnen, om vijf uur, stipt op tijd. Dat ik niet moet vergeten om dan mijn paspoort mee te nemen. De eerste dag zou iemand met me meegaan, ook om kennis te maken met elkaar. Die zou me dan laten zien wat ik te doen heb. Daarna moest ik me zelf zien te redden.

En het salaris? vroeg ik.

Toen aarzelde hij even en ik realiseerde me dat hij daar nog helemaal niet goed over na had gedacht. Hij bladerde wat in zijn papieren en zei toen, na een paar seconden, zus en zo veel per uur. Overwerk 25% meer, maar dat het niet vaak voorkwam dat men moest overwerken. En nogmaals, omdat je zo vroeg al begon, kon je om half twee alweer nokken met werken. Dan had je tenminste nog wat van je namiddag. Dat was één van de voordelen, dat je bijna de hele middag vrij had. Zeker voor iemand die bijvoorbeeld aan sport deed was dat erg handig. Of ik aan sport deed.

Eigenlijk niet zo.

Jammer dan, omdat sport altijd goed was voor de ontspanning, niet alleen fysiek. Zelf deed hij al zijn hele leven aan sport. En hij kon me vertellen dat die sport hem heel veel had gegeven, echt heel veel.

Ik zeg: goed, oké, tot ziens dan maar.

Hij zegt niets en knikt ja.

Dat was het dan al.

Ik had niet gedacht dat het zo snel zou gaan. Nu heb ik die baan. Geen smoesjes meer. Als ik deze keer uit de bocht vlieg, kan ik daar niemand anders de schuld van geven dan mijzelf.

Zo, en dan ga ik nu naar het Maison en geef ik Regula die 50 frank terug.

En dan op naar Olten, naar de bioscoop. Alleen. Ik wil rust aan mijn kop. Genoeg gekletst.

 

 

 

Dit fragment is het vervolg op ‘De keeper ben ik’ van Pedro Lenz, dat eveneens online is verschenen: https://tijdschriftterras.nl/der-goalie-bin-ig/. Deel drie van ‘De keeper ben ik’ kunt u hier vinden: https://tijdschriftterras.nl/de-keeper-ben-ik-iii/

Over de auteur:

Pedro Lenz (1965, Langenthal, Kanton Bern, Zwitserland) leeft als dichter, schrijver en columnist in Olten. Na voltooiing van zijn opleiding tot metselaar in 1984 heeft hij in 1985 alsnog zijn toelating tot de universiteit behaald en een aantal semesters Spaanse Literatuur gestudeerd. Sinds 2001 werkt hij voltijd als schrijver. Als auteur is hij lid van het project “HOHE STIRNEN” en van de Spoken-Word-beweging “Bern ist überall”. Lenz heeft ook teksten geschreven voor verschillende toneelgroepen en voor de Zwitserse publieke omroep Radio DRS.

Over de vertaler:

Jolanda Ammon (1961) is geboren in Bern en beëdigd vertaalster Nederlands-Duits en Duits-Nederlands. Ze begon als secretaresse bij Ammann in Schemerdal ehm Langenthal, werd daarna assistent-persvoorlichter en later campagnecoördinator bij Amnesty Zwitserland; verhuisde 1991 naar Nederland en werd in-housevertaler bij Tauw in Deventer en ondertitelvertaalster bij het NOB in Hilversum. Sinds 2002 werkt ze bij de Dienst Verslag en Redactie van de Tweede Kamer. Ze is daarmee in 166 jaar stenografische dienst de eerste niet-moedertalig Nederlandse die meewerkt aan de Handelingen.