thema:

De maalstroom Murray

Waar je maar kijkt schappen met uitgestalde waar. Bont gekleurde, grillig gevormde, grote knoestige waren, maar ook kleine – gaaf en glad als eieren- sommige zo non-descript van kleur dat ze bijna niet opvallen in de houten uitstalling. Kom je dichterbij, dan zie je dat aan elk item, hoe verschillend ook, een kaartje is bevestigd waarop telkens weer dezelfde naam staat geschreven.

‘Het brein was een leegte

of een ontplofte kamer…

flarden spraak daarin,

splinters lust en gebed.’

Karakteriseert iets het oeuvre van de Australische dichter Les Murray beter dan de in een veelheid aan vormen gevangen tegenstrijdigheden? Wie selectief citeert kan aan de onwetende lezer diverse dichters presenteren, die uiteindelijk allemaal Les Murray blijken te zijn. Neem de paradoxale laatste regel van het hierboven aangehaalde fragment uit zijn gedicht “Paniekaanval”, zoals alle geparafraseerde gedichten hier vertaald door Maarten Elzinga:

‘splinters lust en gebed.’

Dat zinnelijkheid en hartstocht zich moeizaam verhouden tot de religieuze streng- en kuisheid daarin is Murray die zijn bundels al jarenlang de opdracht ‘To the Glory of God’ meegeeft, niet uniek. Opvallender is de tussentijdse vanzelfsprekendheid waarmee het dilemma te berde komt. De ene keer overlaadt Murray je met beelden, terwijl hij op een ander moment subtiel en tersluiks schrijft – niettemin is het effect in beide gevallen hetzelfde, of Murray je nu naar adem laat snakken of juist het idee geeft dat je alle tijd van de wereld hebt; je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat je iets mist, en dan nog wel de kern van de zaak.

Die sensatie werd door dichter Alfred Schaffer beschreven in een essay dat hij publiceerde in een aan Murray gewijd themanummer van het tijdschrift Christelijke literaire tijdschrift Liter:

‘Er is in een goed gedicht altijd een moment waarop je als lezer als het ware achterop raakt, achter het gedicht aan begint te hollen, dat zelf de geest krijgt en opstijgt.’

Dat de lezer in een razende evocatie van beelden het spoor bijster raakt, zou geen saillante observatie zijn; het is ook niet wat in Murray’s poëzie gebeurt, want terwijl de lezer voelt dat hij wordt meegezogen in die kolkende veelheid heeft hij het idee dat hij tegelijkertijd de andere kant wordt opgestuurd. De poëzie van Murray verleidt tot distractie en dwingt tot geconcentreerde aandacht op hetzelfde ogenblik.

De stringente, overdonderende kracht van zijn poëzie wordt denkelijk maar ten dele voortgebracht door de veelheid aan beelden die Murray oproept en ook maar ten dele door de grote verscheidenheid in toonaarden waarmee hij dat doet. Pregnanter nog is dat die voortrazende stroom van associaties, ideeën, denkbeelden, feiten en fantasieën toch een tamelijk coherente indruk maakt; althans, er is een bindende factor in Murrays poëzie, zeer waarschijnlijk het ritme van zijn taal, die de suggestie van een logisch geheel wekt, terwijl je teruglezend vaak maar moeilijk begrijpt wat je zojuist nu eigenlijk gelezen hebt.

Wat Murray heel knap doet, is het oproepen van een ervaring die je de ervaring van gelijktijdigheid zou kunnen noemen. Alles lijkt zich op een en hetzelfde moment af te spelen. Al die verschillende taalvormen, weetjes naast dromen, spreektaal naast verheven woorden – al die flarden en splinters uit die vreselijk verschillende werelden weten hun onbesmuikte verbrokkeling ten spijt toch de indruk te wekken dat iets hen bindt.

Daar stuit je op een ander in het oog springend aspect van Murrays poëzie; de kern. Murray speelt spelletjes met de taal , niet met de inhoud. Er is bij hem niet zoals bij Frans Kellendonk sprake van een ‘oprecht veinzen’ nee, het is Murray menens en zijn geloof (zowel zijn katholicisme als de poëzie) wordt niet geïroniseerd. Dat betekent overigens geenszins dat Murrays poëzie rechtlijnig of gespeend van humor is. Integendeel.

In het essay waaraan al eerder werd gerefereerd, schrijft Alfred Schaffer:

‘Murrays poëzie is bij uitstek een oefening in denken en kijken, en dat alles met een feilloze intuïtie voor het onnavolgbare. […] Die waarheid of eerder wijsheid, die Les Murray dikwijls lijkt te verbergen, verraadt zich door weggemoffelde ’kennis’ in een bijzin of bijvoeglijke bepaling, een zogenaamd terloopse toelichting op het voorafgaande, vaak met een beeld […]’

Schaffer verwijst dan naar het gedicht ‘Poëzie en Religie’ waaruit dit fragment afkomstig is:

‘Een leugen kun je niet bidden, zei Huckleberry Finn;

je kunt er ook geen dichten. Het is dezelfde spiegel:

als het beweeglijk is en flonkert, noemen we het poëzie,

en religie, als de kern is verankerd.

Zo is God de in elke religie opgevangen poëzie

opgevangen – niet gevangen – als in een spiegel

die hij opriep door in de wereld te zijn

wat poëzie is in het gedicht: een wet tegen afbakeningen.’

Die laatste regel is weer Murray ten voeten uit. Dat dualistische woord  ‘wet’ Een voorschrift of een verbod, restricties dus, zijn hetgene dat nodig is om een onbeperkte vrijheid te realiseren. En passant is het daarmee ook een tot de verbeelding sprekende karakterisering van zijn eigen gedichten, die klotsen, gutsen, stromen, golven, walsen, die zuigen en sleuren als een draaikolk. In de maalstroom die Les Murray is, zijn het geloof en de poëzie de ankers. In zijn opvatting zijn het beide andersoortige tegenhangers van het door hem verfoeide rationalisme. In een interview met vertaler Maarten Elzinga zei Murray: ’[Het] ontheiligt de wereld zodat alles banaal en beperkt lijkt. Bovendien pretenderen we – wat nog erger is – dat wij weten waar de grenzen liggen. Volgens mij is dat onzin. De bewijzen zijn nog niet rond. Waarschijnlijk ontdekken we volgende week iets nieuws over dingen die we al een miljoen keer eerder hebben gezien, iets wat de hele boel weer op de kop zet.’

De dichter Murray mag soms gulzig lijken, maar in zijn principiële grenzeloosheid is hij groots.

Over de auteur:

Mischa Andriessen (1970), schrijver, vertaler, recensent. Publiceert over jazz en beeldende kunst en vertaalde onder meer Graham Swift. Publicaties: Uitzien met D (poëzie, 2008), Huisverraad (poëzie, 2012) en Dwalmgasten (poëzie, 2016). Hij publiceerde proza in De Revisor.