De mogelijkheidsruimte van Schalansky

‘Het oog ziet, het verstand vult aan: brokstukken veranderen in bouwwerken, de daden van de doden komen tot leven, heerlijker en volmaakter dan ze ooit zijn geweest’ zo valt te lezen op de achterkant van Judith Schalansky’s (1980) werk Inventaris van enkele verliezen (2018), dat in februari in vertaling is uitgekomen bij uitgeverij Meridiaan. Je zou de stukken in deze bundel bij gebrek aan beter kunnen aanduiden als essayistische vertellingen, of als een nieuw ‘subgenre’ in de geschiedschrijving, al schieten beide typeringen eigenlijk tekort. De teksten willen de lezer door de kieren van de werkelijkheid naar het verleden laten kijken, waardoor wat verloren is gegaan weer kortstondig zichtbaar wordt: verzonken eilanden, verdwenen dieren, kunstwerken, en gebouwen.

In haar boek, het derde in Nederlandse vertaling, schuwt Schalansky erudiete referenties naar culturele en historische zaken bepaald niet, van Sappho tot Borges, en van Monteverdi tot een zekere zoöloog die ooit schreef: ‘Het schijnt tot de rationeel nauwelijks begrijpelijke eigenschappen van de westerse mens te behoren dat hij het verlorene hoger aanslaat dan het nog bestaande, anders valt de merkwaardige fascinatie die sindsdien van de Tasmaanse tijger uitgaat niet te verklaren.’ Of de zoöloog nu gelijk heeft of niet, voor Schalansky geldt zeker dat verdwijning en verlies een fascinatie voor het verlorene in gang zetten.

In het voorwoord van haar boek expliceert ze wat haar boeit in het verlies: ‘Als een holle vorm laat de ervaring van het verlies de contouren van wat er betreurd wordt naar voren treden.’ Die uitspraak zou je programmatisch kunnen noemen voor het boek, waarin ze probeert het ‘verstomde’, dat wat nog slechts bestaat als ruïne, brokstuk, spoor of residu, alsnog aan het woord te laten en op papier te laten overleven. Haar schrijven is het vullen van de holle ruimte die door het verlies is achtergelaten, een ruimte waarin wereld kan binnenstromen. Door het schrijven wil ze wat verloren is gegaan weer ‘ervaarbaar’ maken. ‘Dit boek gaat dan ook in dezelfde mate over zoeken als over vinden, over verliezen als over winnen en laat vermoeden dat het verschil tussen aan- en afwezigheid wellicht marginaal is zolang we de herinnering hebben’.

Schalansky balanceert met Inventaris van enkele verliezen op het dunne koord tussen historiografie en fictie. De historiografische inzet van haar werk bestaat onder meer in de boven beschreven poging om bepaalde verloren gewaande geschiedenissen alsnog (terug) op de kaart te zetten. Zoals de aarde volgens Schalansky een ‘puinhoop van voorbije toekomst’ is, zo is de mensheid ‘de bont bijeengeraapte, ruziënde gemeenschap van erfgenamen van een numineuze voortijd, die voortdurend moet worden toegeëigend en herschapen, verworpen en verwoest, genegeerd en verdrongen, zodat in strijd met de gangbare aanname niet de toekomst, maar het verleden de ware mogelijkheidsruimte vormt.’ Geschiedenis dus niet alleen als slagveld van het heden, maar ook als ‘mogelijkheidsruimte’, ook daarin is weer een literair program te lezen dat Schalansky’s boek als geheel vrij aardig vat.

Het terug op de kaart zetten van bepaalde geschiedenissen neemt in sommige gevallen vrij letterlijke vormen aan. Het openingsverhaal, dat thematisch aansluit bij haar eerdere werk Atlas van afgelegen eilanden (2009), gaat over het eiland Tuanaki, dat rond de jaarwisseling 1842-1843 vermoedelijk bij een zeebeving is vergaan, maar pas in 1875 van alle kaarten werd gehaald. In de tussenliggende jaren bestond het als ‘spookeiland’ in de atlas. Het is typisch iets dat Schalansky’s interesse wekt. Aan de hand van kaarten, documenten, getuigenissen en andere bronnen poogt Schalansky de ‘verdronken’ leefwereld van het eiland terug te halen. Uit haar vertellingen blijkt steeds weer het grote belang dat de verbeelding speelt bij het reconstrueren van verloren werelden, ook al beroept ze zich op documenten en getuigenissen. Dat heeft alles te maken met haar inzet om de vertelde werelden niet alleen aanwezig te stellen, maar ook ervaarbaar te maken. Met behulp van verbeelding transformeert ze de abstractie van documenten en kaarten in een sensorische, tastbare en concrete wereld met geuren, geluid, en kleuren.

Neem nogmaals het openingsverhaal over Tuanaki, waaraan de volgende passage ontleend is: ‘Op het strand had zich immers allang het volk verzameld dat zonder het zelf te merken was ontdekt en dat de voor elk verslag uit de verte onontbeerlijke rol van inboorlingen was toebedacht. En met dat doel hadden de eilandbewoners zich al opgesteld, hadden hun knuppels op de schouder genomen en hun speren getrokken, en hoe meer er van hen uit de schaduw van de helling in het morgenlicht traden, des te luider en dringender verhief zich hun keelgezang.’ In dit citaat is zichtbaar hoezeer het verdwenen eiland in Schalansky’s schrijven als een tastbare wereld vormgegeven is, het is meer geworden dan een stip op een kaart, namelijk een wereld waarin morgenlicht schijnt en keelgezang klinkt. Met evenveel verbeeldingskracht wordt in de rest van het boek bijvoorbeeld de Kaspische tijger in een arena in het oude Rome verbeeld, alsook het ingestorte herenhuis ‘Villa Sacchetti’, een eenhoorn en talloze andere –tamelijk willekeurig bijeengeraapte- onderwerpen. Die willekeur is in zekere zin een voortzetting van de thematiek van fragmentatie; voor Schalansky is het fragment of residu de toegangspoort tot een onbekend oord, maar het passeren van die poort betekent niet automatisch het realiseren van een verloren gewaande eenheid.

In haar boek houdt Schalansky zich impliciet bezig met de fundamentele vraag hoe de transformatie van historisch document naar een tastbare, concrete werkelijkheid plaatsvindt in het schrijven, hoe ‘brokstukken verleden’ getransformeerd worden tot een concrete ervaring op papier. Dat is een vraag die misschien wel alle werken betreft die zich –zoals dit boek– begeven op het grensvlak van geschiedschrijving en fictie, of zelfs op een bepaalde manier alle literatuur.

Terwijl Schalansky verhaalwerelden tot leven wekt verheelt ze absoluut niet de kunstgrepen die ze daarbij inzet. Zo gaat ze herhaaldelijk van de verhaalwereld ‘terug’ naar de ruimte waarin ze zich als schrijver-onderzoeker bevindt, bijvoorbeeld naar een ‘bedompte zaal van de cartografische afdeling’, of naar de cafetaria van een bibliotheek waarin ze nadenkt over ‘wie er werkelijk in staat is tekens te interpreteren’. Soms benoemt ze haar aanwezigheid in de vertellingen subtieler, door het vertelde te vervlechten met het maakproces: ‘En hier werd ik in de steek gelaten door de overleveringen van de getuigen, die (…) me in elk geval tot hier hadden gebracht. (…) Plotseling stond ik alleen aan dek, of beter gezegd op de oever van een mij slechts van de vaag omlijnde kaart van een atlas vertrouwd eiland.’ Zo positioneert Schalansky zich in een soort tussenruimte, noch helemaal in de verhaalwereld noch in de wereld waarin ze zich als schrijver bevindt, eerder in een kier die ze middels haar eigen schrijven heeft ontsloten, tussen twee werelden in. Als lezer blijf je je zo bewust van haar aanwezigheid en vormgevende rol in de tekst. De illusie die wordt opgetrokken wordt daardoor in één en dezelfde beweging weer onderuitgehaald. Ook dat is een beweging die Schalansky met verve uitvoert.

Het eerder genoemde werk Atlas van afgelegen eilanden droeg als ondertitel: Vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen, en die ondertitel is op te vatten als een stille vooruitwijzing naar het hier besproken Inventaris van enkele verliezen. Hoewel het daarin gaat om meer dan alleen eilanden, betreft het steeds opnieuw werelden waar Schalansky op papier heen reist, maar waar ze in werkelijkheid nooit zal arriveren. Het is dan ook vooral de reis op papier die haar interesseert, het reizen in de tijd én ruimte naar vergeten en verdwenen oorden, opgeslokt door de geschiedenis. Schrijven en verbeelding zijn haar vehikel, want voor haar is het boek ondanks concurrentie van andere media het volmaaktste, want het is ‘een open tijdscapsule, waarin de sporen van de sinds het opschrijven en drukken ervan verstreken tijd zijn opgetekend en waarin elke uitgave van een tekst een de ruïne wel enigszins verwante, want utopische ruimte blijkt te zijn, waarin de doden spraakzaam zijn, het verleden levend, het schrift waar en de tijd opgeheven is.’ Schalansky heeft gesproken, of iets sprak door Schalansky.

Uitgeverij Meridiaan | Vertaald uit het Duits door Goverdien Hauth-Grubben | 252 pagina’s | Nederlands | €26,99

Over de auteur:

Tommy van Avermaete (1990) is redacteur van Terras. Hij schreef essays voor Terras, Deus ex Machina, rekto:verso, en SKUT. Met Yi Fong Au stelde hij de essaybundel Door de schaduwen bestormd (Oevers, 2019) samen, over de controverse rond Luceberts oorlogsjaren. Met Fyke Goorden werkt hij aan een biografie van Jacq Vogelaar.