thema:

De ‘vox humana’ van Christopher Levenson

Christopher Levenson (Londen 1934) is voor mij decennialang de dichter geweest van een enkel lang gedicht. Een kopie van dat gedicht, ‘The Flood (Zeeland 1953)’, was mij in 1978 toegestuurd door een lezeres van NRC Handelsblad, nadat ik daarin een oproep had gedaan om literaire teksten naar aanleiding van de watersnood van 1953. New Poets 1959, waaruit het gedicht was gekopieerd, is de bundeling van drie debuten, waaronder Levensons In Transit. Later las ik dat deze bundel destijds door een jury onder voorzitterschap van T.S. Eliot was bekroond met de eerste Eric Gregory Award, de Britse versie van de Reina Prinsen Geerligsprijs of (later) de C. Buddingh’-prijs. Onder de gedichten die ik vijf jaar later kon opnemen in de bloemlezing 1 februari 1953 zou Levensons gedicht een unieke plaats innemen door de compacte, plastische verbeelding van de door het water aangerichte ravage:

‘Het dorp ligt als een kadaver te rotten in de zon,
dakspanten kaalgevreten, kelders opgezwollen.
Op de Kerkring puin van dakpannen, tegen de kerkdeuren hooi.
Welke aasgier stroopt de puinhopen van het dorp af,
wie baggert door deze akkers vol water,
waarin wrakkige windmolens en telegraafpalen,
scheef en dwaas, het uitzicht verstoren?’

Het zijn de beelden van een ooggetuige, die in 1953, als negentienjarige, maandenlang op Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland heeft geholpen bij het schoonmaken en opruimen van de ravage. In een volgende strofe schrijft Levenson over momenten van vrije tijd waarin de hulpverleners afstand zien te nemen van de ellende:

‘Gedempt lachend proberen zij de watersnood te vergeten
één stuk land verderop maar, ieders leven zo futiel
als zandkorrels tussen de lippen bij een droge kus.’

Levenson legde in die tijd al een gretige belangstelling voor poëzie aan den dag, wat hem van een Nederlandse hulpverlener een exemplaar van Dichters van deze tijd opleverde. Zijn eerste pogingen om het Nederlands te beheersen bestonden vervolgens uit het zo goed en zo kwaad mogelijk vertalen van de gedichten van Marsman en Slauerhoff daarin.
Het zou het begin vormen van een band met Nederland die tot op de dag van vandaag resulteert in gedichten waarin, naast andere ervaringen, de watersnood geregeld een rol speelt. Die band heeft er ook toe geleid dat hij in Cambridge als bijvak Nederlands koos, dat hij later aan de Universiteit van Iowa onderzoek heeft gedaan naar zeventiende-eeuwse Nederlandse poëzie, die hij ook is gaan vertalen, evenals later gedichten van bijvoorbeeld Paul van Ostaijen en M. Vasalis. Toen hij in 1968, na zijn aantreden als hoogleraar Engels en Creative Writing aan Carleton University in Ottawa, merkte dat je nergens in Canada Nederlands kon studeren, heeft hij de aanzet gegeven tot oprichting van de Canadian Association for the Advancement of Netherlandic Studies.
De oorspronkelijke tekst van ‘The Flood (Zeeland 1953)’ is door componist Douwe Eisenga gebruikt voor zijn Requiem 1953 (later omgedoopt tot The Flood). Kort na onze ontmoeting in 2003 bij de première daarvan in Middelburg stuurde Levenson mij een nieuw gedicht, ‘Anniversary 2003’. Ook dat had ik toen kunnen vertalen, maar omdat op hetzelfde moment, onder de titel Na de watersnood, de grondig herziene en vooral uitgebreide versie van mijn bloemlezing was verschenen, ontbrak de directe noodzaak daartoe. Bovendien had ik in die tijd zoveel anders te doen dat ik er pas een paar jaar geleden, toen ik wat ging sleutelen aan mijn vertaling van ‘The Flood’, van doordrongen raakte dat het hoog tijd werd dat ik mij nader in Levensons gedichten, niet alleen die over Nederland, ging verdiepen. Het was toch te gek dat de maker van een enkel bijzonder watersnoodgedicht verder in Nederland onbekend was: buiten zijn vriendenkring van destijds waren zijn bundels nergens in Nederland beschikbaar. In de loop van dit jaar zal daar verandering in komen, als bij uitgeverij Müller de door mij vertaalde gedichten verschijnen, onder de titel Vox Humana. Dat is niet alleen de titel van een reeks gedichten in Night Vision (2014), maar verwijst ook naar de uitspraak ‘Kunst ist eine Sache allertiefster Menschlichkeit’ van de door Levenson bewonderde Duitse expressionistische beeldhouwer Ernst Barlach.
Bij het lezen van de bundels die ik te pakken kon krijgen (niet alle dertien, maar dankzij abebooks.com toch wel een flink aantal), ontdekte ik dat Levenson en ik niet alleen ervaringen van watersnood delen, maar ook muziek als inspiratiebron en topografische namen als houvast voor de verbeelding. In mijn kast met Engelstalige poëzie worden zijn bundels inmiddels geflankeerd door die van Philip Larkin en Robert Lowell, wier beider werk in het Nederlands is vertaald door Jan Eijkelboom. Ik weet zeker dat Eijkelboom ook de gedichten van Levenson, had hij ze gekend, met een sterk gevoel van verwantschap had kunnen vertalen. Net als Lowell, met wie hij zich van alle dichters die hij in zijn leven heeft ontmoet het meest verwant voelt, gaat Levenson bij voorkeur uit van het tastbare en het ogenblikkelijke, waarbij hij het belang onderstreept van het nietige. Zoals wanneer hij in ‘Bread and Marble Egg’ schrijft dat ‘de futielste vondsten / iets prijs[geven] van een mens, zijn aanraking, / simpele liefde of angst, in onbenulligheden.’ Het is niet vreemd dat iemand met deze thematische belangstelling weinig op heeft met formalisme in de poëzie. Hij maakte dan ook deel uit van The Group, evenals dichters als George MacBeth en Edward Lucie-Smith, die zich verzetten tegen dit formalisme in het werk van de iets oudere dichters van The Movement als Larkin. Was hij een Nederlands dichter geweest, dan zou Levenson zich ongetwijfeld hebben thuis gevoeld bij generatiegenoten als Eijkelboom, Ed Leeflang, Willem van Toorn: in hoge mate vertellende dichters met een afkeer van het modieuze en een uitgesproken voorkeur voor de menselijke maat.

Over de vertaalde gedichten:
’Brood en marmeren ei’: Gail Kubik, aan wie het gedicht is opgedragen, was een Amerikaanse violist, dirigent en componist, die doceerde aan de American Academy in Rome.
De reeks ‘Habitat’ bestaat uit een Proloog en 5 gedichten en is in zijn geheel opgedragen aan de Israëlisch-Canadese architect Moshe Safdie, vooral bekend van het woongemeenschapscomplex Habitat 67 in Montreal, de grote trekpleister op de Expo 1967, en aan de Amerikaanse urbaan filosoof Lewis Mumford, voor wie de ideale stad de middeleeuwse stad als basis heeft.
‘Habitat 1’: De Leeuwenpoort, die toegang geeft tot de burcht van het Griekse Mycene, geldt als het oudste grote beeldhouwwerk in Europa. De betoverende luit van Brunel over de Avon is de negentiendeeeuwse Clifton Suspension Bridge in Bristol.
‘De kampen’: Broeders is de korte benaming van leden van de christelijke gemeenschap van ‘ware’ gelovigen die zich in de negentiende eeuw heeft afgescheiden van de Church of England. Met de woorden ’dwalen door droom gebleven werelden’ citeert Levenson ‘Ode on Intimation of Immortality’ van William Wordsworth. Zegennetten zijn sleepnetten die met een omtrekkende beweging over de zeebodem worden getrokken bij de zogenaamde zegenvisserij. Zorgparels of komboloi zijn aan een snoer geregen parels die vooral in Griekenland en op Cyprus worden gebruikt om de tijd te verdrijven; ze hebben geen religieuze betekenis.

Over de auteur:

Ad Zuiderent (1944) is dichter en criticus. Zijn bundel Natuurlijk evenwicht werd in 1984 bekroond met de Jan Campertprijs. Zijn meest recente bundel, zijn tiende inmiddels, is Een heel nieuw orgel (2015). Binnenkort verschijnen bij Uitgeverij Müller de door hem vertaalde gedichten van Christopher Levenson onder de titel Vox Humana.