thema:

Een sterke maag in een sterke geest

Raster is altijd een gulzig tijdschrift geweest, maar het bezat ook altijd een selectieve gulzigheid. Hele generaties, stromingen, genres, poëtica’s, vocabulaires, woordenboeken, theorieën, paradigma’s, canons en tegencanons verdwenen door het keelgat van Raster. In Raster vindt een constant proces van vertering plaats. Toch is hij – ik zie het tijdschrift bijna als een persoon – eerst en vooral een fijnproever, maar niet op een dilettanterige manier met de pink omhoog. De schrokop schatert om de etiquette en wijst al bij het eten op zijn aars die verrassend veel weg heeft van zijn mond. Geen bibliofiel, eerder een boekeneter met een eeuwige honger. Ik vraag me soms af waar al die boeken blijven. Maar gelukkig dat Raster een sterke maag heeft die zich driemaandelijks binnenstebuiten keert om te tonen wat er in de tussentijd van de veelvraat is geworden.

De maag is het geheugen van Raster, altijd vol, maar nooit bezwaard. Een sterke maag in een sterke geest. Als gastronoom is Raster niet eenkennig, maar hij heeft geen bijzondere voorkeur voor delicatessen, de kleine, decadente hapjes, de literatuur van de besmuikten, de al te fijn besnaarden, de exquise dromers.Nee, Raster krijgt het speeksel in de mond bij het idee van flinke brokken. Hij zwijmelt bij de gedachte aan literaire reuzen waar hij zijn tanden op stuk kan bijten, waar zijn maag zeer van doet en die zijn ingewanden bijna weigeren te verteren. Raster bekommert zich niet zozeer om zijn ingewanden. Hij eet en ziet dan wel wat er gebeurt, en na vijfentwintig jaar vreten zijn die geheimzinnige verteringskanalen zo langzamerhand ook wel gewend geraakt aan de hoeveelheden die ze moeten verstouwen.

Met zijn vraatzucht houdt Raster zichzelf niet alleen al vijfentwintig jaar in stand, hij is uitgegroeid tot een wat dikke, weinig sportieve jongeman die zich toch met verbazende handigheid en soepelheid beweegt tussen utopieën en ideeën, in de uithoeken en marges van de taal, voor de lachspiegels van de werkelijkheid. Altijd kauwend als het beest waar hij de grootste hekel aan heeft: de koe. Er zijn weinig dieren door de mond van Rastergegaan; in het algemeen niet zoveel natuurlijk schoon – lofzangen op de natuur (die zegt immers ook nooit iets terug) en op de vrouw zijn dit tijdschrift vreemd – maar het lijdt geen twijfel dat de koe nog het vaakst herkauwd is in Raster al vanaf het eerste nummer in 1967 had Rastereen hekel aan waarheden als koeien, aan de zelfgenoegzaamheid van de critici die ‘hartveroverend’ werden genoemd als ‘ons grazend stamboekvee’.

‘Zelfgenoegzaam’ is hier het sleutelwoord. H. C. ten Berge, destijds de keel van Raster, hekelde in zijn allereerste bijdrage de beunhazerij, de gemakzucht en de kwakzalverij van de Nederlandse critici. Verwachtte hij daarvan dan heuse, imposante bouwwerken of enig heil? Van die beesten die overwegend slechts de grond bemesten waarop ze zelf staan?

Zelf is Raster nooit zozeer zelfgenoegzaam geweest, hij ging ook nooit zelfvoldaan, vol wind, achterover zitten alsof hij nu genoeg gegeten had. Hij is wel altijd pretentieus geweest. Nergens werd er beter gegeten dan waar Raster aan tafel ging. Die pretenties zijn hem lange tijd bepaald niet in dank afgenomen. In een land waarin alleen (waarheden als) koeien zich veilig boven het maaiveld kunnen bewegen, werd die vreetzak met zijn vreemde inzichten, de merkwaardige taal die uit zijn mondkwam en die zo weinig gemeen had met het algemene loeien datvreemd genoeg nooit iemand aan brandweersirenes deed denken, ofwel doodgezwegen, ofwel verketterd, afwisselend, met een identieke intensiteit.

In de ogen van de nuttigheidsmens is de literaire taal onnut of giftig, zoals Manganelli ooit in een van de eigenzinnige produkten van Raster opmerkte. Het onnutte wordt verketterd, het giftige doodgezwegen. Alleen de taal die als een placebo werkt, die rust brengt, indeelt, bevestigt, is acceptabel. Taal die de illusiewekt dat de wereld maakbaar is. Maar de schrokop Raster is zelf van een heel andere taal gemaakt, van subversieve geluiden, gestoorde teksten, van zinnen waar liefst meer koppen en staarten aan te ontdekken zijn, van zinnen die eerst aannemelijk lijken maar vervolgens oneindig dubbelzinnig, van zinnen die zo waar zijn dat de lezer er tot zijn schaamte zijn eigen vastgeroeste ideeën in herkent. Raster tooit zich met verboden woorden, stroopt onbekende vocabulaires, wentelt zich als Flaubert in de latrine van de burgerlijke cultuur. Hij is niet alleen een veelvraat, ook het slimstejongetje van de klas dat zich als Uilenspiegel, als de Garçon beweegt tussen autoriteiten, alle codes overtredend op een ernstige, woedende manier; ten slotte is hij een provocerende dief die gewetensvol pronkt met veren van alle mogelijke pluimage na ze eerst in een zeer eigen inkt te hebben gedoopt.

Raster houdt ervan zichzelf te buiten te gaan. Hij eet liefst meer dan zijn lichaam kan verdragen –topzwaar zijn en toch in evenwicht blijven. Als tekst, als parcours houdt Raster niet van voorgeschreven wegen, voorgeschreven vormen. Hij eet zich een weg door de wereld en heeft daarbij een voorkeur voor omwegen die methodisch worden beproefd. Hij is altijd op zoek naar sporen van een nieuwe, zuivere taal waarvan hij weet dat die alweer bezoedeld is zo gauw die wordt aangeraakt. Wie spreekt, maakt vieze handen, daarvan is Raster zich zeer bewust. Van de voosheid van de taal, de aangepastheid, de ontoereikendheid, de gecorrumpeerdheid. Vandaar het zoeken naar nieuwe mogelijkheden, naar afwijkingen, overtredingen, de aperte, apodictische leugen van de literatuur die tegenover de vuilbekkerij, de zotteklap en de onverschilligheid van de gangbare taal wordt geplaatst die een machtsinstrument is in verkeerde handen.

Tegenover de gemeenplaatsen waar de koeien grazen stelt Raster de atopie, de vrijplaats waar veelvormigheid, veelduidigheid, veelstemmigheid heersen, alleen toegankelijk voor koeien die regelmatig hazen vangen, zodat het soms wat stil is op die plaats.

Eten, verteren, uitscheiden, dit is het lezen en schrijven van Raster. Mij heeft die eenvoud altijd aangesproken, ook omdatdie zozeer contrasteert met de compacte complexiteit van het voedsel waar Raster van leeft. Voor mij is Raster een hele mijnheer, al zou hij zich ongemakkelijk voelen als ik hem vous-voyeerde en ook al heeft hij wel eens last van winderigheid, van een zekere opgeblazenheid vooral als de cultuurindustrie het weer moet ontgelden.

Het (on)praktische, politieke engagement van Raster heb ik altijd utopischer, ongerichter gevonden dan het literaire engagement dat zich in de taal zelf manifesteert. Minder overtuigend ook omdat het niet zelden was gemengd met de reactionaire landerigheid van dejaren zestig, een onbegrijpelijk geloof in de redelijkheid van dezelfde mensen waartegen Raster zich juist altijd verzette en afzette.

Mensen zijn misschien wel mooier dan ze denken, maar zijn ze ook redelijker dan ze denken? Het verlichte verlangen naar een wereld die zich voorwaarts beweegt naar altijd betere, altijd dichtere horizonten, sluimerde daarin mee ondanks alle voorbehouden tegen de utopie als doel, als systeem. De macht lijkt mijeen kameleon die er altijd hetzelfde uitziet en daarin schuilt zijnkameleontische camouflage: in zijn onverstoorbaarheid, in zijn vooringenomenheid en ontoegankelijkheid. Zo onverstoorbaar en vooringenomen als de zwijgende massa, zo ontoegankelijk datje die nauwelijks ziet.

Raster had ook altijd moeite met modes die elkaar volgens de Frankfurter analyse steeds sneller opvolgen. Maar zelf-hoe kan het ook anders-was hij ook onderhevig aan modes en veranderingen, vaak gelukkig, soms lichtelijk belachelijk zoals in de spelkunst. Zelfs het woord waartegen Raster zich misschien wel het meest verzette: cliché, werd steeds anders geschreven en niet omdat clichés onuitroeibaar zijn en zich met een bijzonder DNA telkens muteren, wapenen tegen bestrijding. Ik las behalve ‘cliché’: ‘clichee’, ‘clisjee’, ‘klichee’, ‘klisjee’ en moest bij dat laatste woord, onwillekeurig, aan klisma (zie klysma) denken.

Ik heb bewondering voor de monomanie van Raster, een monomanie die gepaard gaat met een heerlijke verstrooidheid, een ongekende beschikbaarheid waar het gaat om het opnemen van nieuwe ideeën en taalvormen, onbekende literatuur. Als vanzelfsprekend trekt Raster overal zijn scheur open waar hij woorden waarneemt. Van verhalen vertellen heeft hij echter nooit zo gehouden. Gadda heeft dat in nummer vijfenveertig heel duidelijk geformuleerd: ‘Ziehier mijn zwakke punt om verteller te worden: gebrek aan begeerte, gebrek aan het vurige verlangen om andermans zaken te weten te komen.’

Ook Raster kent niet die begeerte, die nieuwsgierigheid. Toch is hij heel nieuwsgierig, taalgulzig. Alleen verveelt hij zich vaak bij verhalen. Die zijn immers uiteindelijk allemaal hetzelfde. Raster is dan wel een veelvraat, hij reikt niet speciaal naar steeds meer van hetzelfde. Verhalen bevredigen de nieuwsgierigheid zelden, ze zijn hooguit in staat de tijd te doden en men noemt dat dan gezelligheid. Aan gezelligheid heeft Raster een broertje dood. Hij eet ook het liefst alleen, ongestoord, zoals ook het proces van verteren en uitscheiden noodzakelijk een eenzame bezigheid is.

Misschien komt het hierdoor – ik weet het niet – maar ik heb Raster, ondanks de nabijheid van schrijvers als Marguerite Duras en Roland Barthes, nooit zozeer als een erotisch wezen gezien. Het lichamelijke van Raster zie ik vooral in de sfeer van de voedselvertering, bijna mechanisch. De metaforiek waarvan hij zich bedient, stimuleert weliswaar de geest en het geheugen, maar is zelden zinnenprikkelend. Getuigt ook niet van bijvoorbeeld een sportieve belangstelling, de lust en het plezier in de prestaties van het lichaam. Die vleselijke dimensie ontbreekt voor mij aan Raster. Maar als ik verliefd zou kunnen worden op voornamelijk een vurige geest zou ik me zeker hals over kop tot hem wenden.

Dat doe ik toch al regelmatig. Men vroeg mij eens uit de doeken te doen of Raster van invloed is geweest op mijn werk. Ik zeg hierop volmondig: ja, zeker. En mag ik nu weer verder eten?

 

Uit: Een intiem slagveld (Prometheus, 1993)

Over de auteur:

Henk Pröpper (1958) is directeur van uitgeverij De Bezige Bij. Hij schreef essays over onder meer Giorgio Bassani, Henri Michaux, Marcel Proust. Eerder was hij directeur van het Institut Néerlandais en het Nederlands Letterenfonds. Publicaties: Het zwaard van de krab (roman, 1991), Een intiem slagveld (essays, 1993) en Waterlanders (bespiegelingen, 1995).