thema:

Een Surinaamse omweg naar Friesland

Wie Eegi Sani 

De geschiedenis van de literatuur van het Sranantongo kent een onverwachte omweg naar Friesland. In 1952 bracht het Friese literaire tijdschrift De Tsjerne een speciaal Surinamenummer uit. De redactie van het na de oorlog opgerichte tijdschrift had de ambitie om de Friese literatuur naar een hoger niveau te schoppen. Schrijver-dichter en essayist Anne Wadman, die kort na de oorlog ook twee jaar redactielid was van het Nederlandse literaire tijdschrift Podium, vond dat het tijd was om ‘de Friese literatuur onder de koeienstaarten vandaan te halen’.  

Naast aandacht voor andere minderheidstalen kwam De Tsjerne op het terrein van de buitenlandse literatuur met speciale nummers over Edgar Allan Poe, over Amerika, Noorwegen, en Bretagne. In het Amerikanummer (1950) was veel aandacht voor de Afro-Amerikaanse literatuur. Zo vertaalden Fedde Schurer en Anne Wadman poëzie van Langston Hughes, een van de vooraanstaande schrijvers van de Harlem Renaissance, de beweging van Afro-Amerikaanse schrijvers en kunstenaars in de jaren twintig. Wadman was ook betrokken bij de vertaling van een lang essay van Hughes over de prestaties en plaats van de Afro-Amerikaanse literatuur in de Verenigde Staten. 

Het Surinamenummer van De Tsjerne werd samengesteld door een gastredactie, met daarin  Jan Voorhoeve – hij was samen met Anne Wadman de initiatiefnemer van de uitgave – en de Surinaamse schrijvers Hein Eersel, Jules Sedney, Trefossa (een pseudoniem van Henny de Ziel) en Eddy Bruma. Een primeur van jewelste, want het was voor het eerst dat Surinaamse literatuur in een Europese taal werd vertaald en gepubliceerd. 

Het initiatief voor de uitgave kwam van Wie Eegi Sani (“Ons eigen ding), de Surinaamse culturele emancipatiebeweging die ontstond in Nederland, de linguïst Jan Voorhoeve en de Friese schrijver en De Tsjerne-redacteur Anne Wadman. Ze ontmoetten elkaar regelmatig bij de Nederlandse kunstschilder en actrice Nola Hatterman. Haar woning aan de Falckstraat in Amsterdam was in die jaren zo’n beetje het café van de Surinaamse beweging in Nederland. De politiek geëngageerde Hatterman, die goed bevriend was met Anton de Kom, maakte ook enkele tekeningen en het omslag voor het Surinamenummer. 

De Friese en Surinaamse schrijvers vonden elkaar in hun gedeelde cultuurpolitieke interesse: de emancipatie van hun eigen taal en het versterken van het zelfbewustzijn van hun eigen cultuur. ‘Wanneer wij een zwarte huid willen hebben, willen wij kleurlingen zijn, ook cultureel,’ stelde Sedney in het De Tsjerne-essay ‘It stribjen fan Wie Eegi Sani’ (Het streven van Wie Eegi Sani’). ‘Wij propageren niet: weg met Nederland! Wat wij vragen is een cultuurpolitiek, die doelbewust uit is op behoud en veredeling van de Surinaamse cultuur; in casu de Surinaamse taal.’ 

In het officiële verkeer was het gebruik van het Sranantongo lange tijd taboe. De taal werd als ‘onbeschaafd’ bestempeld. De WES’ers dachten daar anders over: de taal verdiende een volwaardige plaats naast het Nederlands en in het onderwijs zou er meer aandacht moeten zijn voor de Surinaamse meertaligheid. Op die manier kon men ook tegemoetkomen aan de etnische verschillen binnen de Surinaamse samenleving. 

Dat streven werd door de Friese redactieleden van De Tsjerne ruimhartig onderschreven. ‘Mear as hwer ek yn Nederlân kinne de Surinamers yn Fryslân op bigryp en sympathy tidigje’ (‘Meer dan waar ook in Nederland kunnen de Surinamers in Friesland op begrip en sympathie rekenen). 

Ruim een halve eeuw later blijkt van dat begrip weinig te zijn overgebleven. Bepaald ongastvrij was de horde blokkeerfriezen die de actiegroep Kick Out Zwarte Piet in december 2018 onder meer het recht op demonstratie wilde ontzeggen. Extreemrechts lawaai was daarbij niet van de lucht. 

‘De geboorte van Boni’  

In de herfst van 1952 werd in Leeuwarden een groot Surinaams-Fries feest op touw gezet. In hotel De Groene Weide presenteerde de dichter-journalist, politicus en De Tsjerne-redacteur Fedde Schurer het eerste exemplaar van het Surinamenummer met de woorden ‘Suriname, wees welkom in Friesland!’ Surinamers dansten vrolijk ‘de Skotse Trije’, een Friese volksdans, mee. En ondertussen werd er poëzie gedeclameerd in het Fries en het Sranantongo. 

Het feest werd afgesloten met de opvoering van De geboorte van Boni, een toneelstuk van Eddy Bruma over Boni, de zoon van een gevluchte slavin en een plantagehouder, die zich ontpopt als de leider van de slavenopstanden. Zijn vrijheidsstrijd kent bij Bruma feitelijk maar één boodschap: weg met het kolonialisme! 

De verkering tussen Wie Eegi Sani en de Friese literair-culturele wereld bleek geen lang leven beschoren. Er kwam in ieder geval geen structureel vervolg. Politieke verschillen kunnen daar debet aan zijn geweest. Iemand als Bruma bijvoorbeeld koos voor een nationalistische Surinaamse politiek. Schrijvers als Anne Wadman en Fedde Schurer bewandelden andere wegen. Zij stonden een brede, autonome literatuur voor. Ze verbraken de verbinding tussen de Friese literatuur en de Friese Beweging. Daar was ook alle reden toe: in hun streven naar een onafhankelijk Friesland hadden verschillende Friese schrijvers tijdens de oorlog immers voor de Duitse bezetter gekozen. 

De rest van het essay is te vinden in Terras #18 ‘Cariben’.

Over de auteur:

Eeltsje Hettinga is schrijver-dicher. Recente publicaties: Nachtspraak (2019), SeeWegen (2017), It Front, een in 2016 op de Frankfurter Buchmesse gepresenteerd multimediaal poëzieproject, Ikader (2012). Hettinga was de eerste Dichter van Friesland (2017-2019). Hij vertaalde poëzie van Slauerhoff, Boris Ryzji en Tomas Tranströmer. www.eeltsjehettinga.nl