thema:

Lofzang op de kritiek

Vertaling:

De komende weken publiceert Terras een aantal korte prozateksten van Erik Satie. Hierbij aflevering 5. Lees ook de inleiding.
 
 
 
gepubliceerd in Action, augustus 1921
 
Het is niet toevallig dat ik dit onderwerp heb gekozen, maar uit erkentelijkheid, want ik ben even erkentelijk als herkenbaar.
Vorig jaar heb ik verscheidene lezingen gehouden over ‘Intelligentie en muzikaliteit bij dieren.’
Vandaag zal ik het hebben over ‘Intelligentie en muzikaliteit bij critici’. Dat is min of meer hetzelfde onderwerp, met de nodige wijzigingen, uiteraard.
Vrienden hebben me gezegd dat het een ondankbaar onderwerp was. Hoezo ondankbaar? Er is geen sprake van ondankbaarheid; tenminste, ik zie niet waarin die dan zou schuilen: ik zal dus koudweg de lof van de critici zingen.
Men kent de critici niet goed genoeg; men weet niet wat ze gedaan hebben, waartoe ze in staat zijn. Ze zijn kortom al even onbekend als de dieren, hoewel ze net als deze laatste hun nut hebben.
Jazeker, ze zijn niet allen de scheppers van de Kunst der Kritiek, deze Meester aller Kunsten, maar ze zijn ook nog eens de beste denkers ter wereld, mondaine vrijdenkers, als ik het zo uit mag drukken.
Het was trouwens een criticus die model zat voor de Denker van Rodin. Dat vernam ik van een criticus, twee, hooguit drie weken geleden. Het deed me genoegen, veel genoegen om dat te horen. Rodin had een zwak voor critici, een groot zwak…
Hij stelde hun adviezen op prijs, een hoge prijs, te hoog, onbetaalbaar.
Er zijn drie soorten critici: de belangrijke; de minder belangrijke; de totaal onbelangrijke. Deze twee laatste categorieën bestaan niet: alle critici zijn belangrijk…
 
Uiterlijk maakt de criticus een gewichtige indruk. Hij is een type in de trant van de contrafagot. Hij is een punt van gewicht, een zwaartepunt. Als hij lacht, is het maar met één oog, het goedgunstige, of het slechtgezinde. Tegens Dames is hij altijd uitermate vriendelijk; de Heren houdt hij kalm op afstand. Kortom, hij is een aangename, maar niettemin nogal intimiderende verschijning. Het is een ernstige mens, ernstig als een boeddha, een boedelrechter, natuurlijk. Middelmatigheid, onbekwaamheid zult u bij critici niet tegenkomen. Een middelmatige of onbekwame criticus zou de risee van zijn confraters zijn; hij zou met geen mogelijkheid zijn vak kunnen uitoefenen, zijn heilig ambt, bedoel ik, want hij zou het land moeten verlaten, geboorteland of niet; alle deuren zouden zich voor hem sluiten; zijn leven zou enkel nog een lange martelweg zijn, van een verschrikkelijke eentonigheid.
De kunstenaar is al met al niet meer dan een dromer; de criticus daarentegen heeft wel werkelijkheidszin, en wat meer is, die betreft zijn eigen werkelijkheid. Een kunstenaar kan geïmiteerd worden; de criticus is onnavolgbaar, en onbetaalbaar. Hoe zou een criticus nagevolgd kunnen worden? Ik zou het niet weten. Het zou overigens nergens toe dienen. We hebben het origineel al, DAT IS GENOEG. Degene die gezegd heeft dat kritiek leveren gemakkelijk is, heeft geen opmerkelijke uitspraak gedaan. Het is zelfs een schande dat hij dat gezegd heeft: hij zou vervolgd moeten worden, minstens een kilometer of twee ver.
De man die dat schreef kreeg misschien spijt van zijn woorden? Dat is mogelijk, dat is wenselijk, DAT STAAT VAST.
 
De hersens van de criticus zijn een winkel, een warenhuis.
Men vindt er van alles: orthopedische artikelen, wetenschap, beddengoed, kunsten, reisdekens, een uitgebreid meubelassortiment, Frans en buitenlands briefpapier, rookartikelen, handschoenen, paraplu’s, wollen stoffen, hoeden, sportaccessoires, wandelstokken, optische instrumenten, parfumerie, enz. De criticus weet alles, ziet alles, hoort alles, houdt zich met alles bezig, haalt van alles overhoop, eet van alles, verwart alles met elkaar, maar heeft daarom niet minder zijn mening paraat. Wat een man!! Laat dat gezegd zijn!!! Op al onze artikelen zit garantie!!! Bij warm weer zijn onze waren binnen uitgestald!!! BINNEN IN DE CRITICUS!! Komt dat zien!! Zie het zelf, maar niets aanraken, alstublieft!!! Het is uniek. Niet te geloven.
De criticus is ook een baken, een boei, zouden we kunnen toevoegen. Hij waarschuwt voor de klippen langs de kusten, de criticus waakt, met zijn buitengewoon scherpe blik; van ver gezien staat hij een beetje voor paal, maar dan wel een sympathieke, intelligente paal.
Hoe heeft hij deze hoge positie bereikt, zijn positie als boei, als paal?
Dankzij zijn verdienste, zijn agrarische en persoonlijke verdienste. Ik zeg ‘agrarisch’ omdat bij hem de liefde voor het Juiste en het Schone bloeien. We komen nu op een gevoelig punt. Critici worden op voorstel van superieuren aangenomen, net zoals wat men uitgelezen producten noemt, van extra superieure eersteklas kwaliteit.
Het is de Directeur van een krant, een tijdschrift of ander blad die de criticus ontdekt die hij nodig heeft voor de juiste samenstelling van zijn redactie. Geen enkele aanbeveling kan hierbij een rol spelen. Hij ontdekt hem na een diepgravend onderzoek, een gewetensonderzoek. Dat onderzoek is uitermate lang en zwaar, voor de criticus zowel als voor de directeur. De een ondervraagt; de ander is op zijn hoede. Het is een beklemmende strijd, vol onverwachte momenten. Beide partijen zetten al hun listen in. Ten slotte bijt de Directeur in het stof. Zo verloopt het doorgaans als de criticus van goede komaf is, en als hij een goede voorbereiding heeft gehad. De Directeur wordt dan door de criticus geabsorbeerd, opgeslokt.
Maar zelden kan de Directeur de dans ontspringen.
Wie echt gevoel voor kritiek heeft, bekritiseert niet zichzelf, maar anderen; en de balk die je in je oog hebt, verhindert je geenszins om de splinter te zien in het oog van je broeder: die balk wordt dan een verrekijker, een hele lange, die de splinter buitenproportioneel groot maakt.
 
De moed van de eerste criticus die de wereld kende, kan niet genoeg bewonderd worden. De onbeschaafde lui uit de Oude Nacht der Tijden hebben hem vast met flinke schoppen in de buik ontvangen, zonder te beseffen dat hij een voorloper was die hun eerbied verdiende. Op zijn manier is hij een held geweest.
De tweede, derde, vierde en vijfde criticus stond ongetwijfeld geen betere ontvangst te wachten… maar ze droegen bij tot het scheppen van een precedent: de Kunst der Kritiek bracht zichzelf ter wereld. Dat was haar eerste nieuwjaarsdag. Veel later leerden deze Redders der Mensheid om zich beter te organiseren: ze stichtten Bonden van critici in alle grote hoofdsteden. Zo werden de critici personen van aanzien, wat maar weer bewijst dat de deugd altijd beloond wordt. Tegelijkertijd werden de kunstenaars gebreideld en getemd als tijgerkatten. Ik heb nooit begrepen waarom de Kunstenaars zo lichtgeraakt reageren op de waarschuwingen van de kritiek. Ik denk dat er trots in het spel is, misplaatste, onsympathieke trots. De kunstenaars zouden er beter aan doen de critici in ere te houden; eerbiedig naar ze te luisteren; ja zelfs van ze te houden; ze geregeld uit te nodigen aan tafel aan te schuiven met de rest van de familie, tussen oom en grootvader. Laat ze mijn voorbeeld, mijn goede voorbeeld volgen: de aanwezigheid van een criticus verblindt mij, zijn glans is zo schitterend dat ik minstens een uur met mijn ogen knipper; ik kus de afdruk van zijn pantoffels: ik drink zijn woorden in, uit een groot glas met een voetje, uit beleefdheid. Ik heb uitgebreid studie gemaakt van de dierenwereld. Maar helaas! zij kennen geen kritiek. Die Kunst is hun vreemd; ik ken althans geen enkel werk dat tot dit genre behoort in de archieven van mijn dieren. Misschien kennen mijn vrienden de critici er een, of meerdere. Zouden ze dan zo vriendelijk willen zijn dat te laten weten, hoe eerder hoe beter. Ja, dieren hebben geen critici. De wolf bekritiseert het schaap niet: hij verslindt het; niet omdat hij de kunst van het schaap minacht, maar omdat hij zijn vlees bewondert, en zelfs de botten van het wollige dier zijn niet te versmaden in een lekkere stoofpot.
Wij hebben een ijzeren discipline nodig, of van welk ander metaal dan ook. Alleen de critici kunnen ons die opleggen en doen respecteren, van verre. Ze willen niets liever dan ons de voortreffelijke grondslagen van de gehoorzaamheid inprenten. Wie ongehoorzaam is, is te beklagen, ongehoorzaamheid is een treurige zaak. Maar je moet niet toegeven aan je slechte neigingen, ook niet als ze je daar zelf toe aanzetten. Hoe weet je dat neigingen slecht zijn, zo slecht als het hout van de galg? Ja, waaraan herken je ze?
Aan het plezier waarmee je je eraan overgeeft, je erdoor laat meeslepen, EN AAN HET FEIT DAT DE CRITICI ZE VEROORDELEN.
Zij hebben geen slechte neigingen. Hoe zouden ze ook, die brave lui? Zij hebben helemaal geen hartstochten, niet één. Zij zijn altijd kalm, denken enkel aan hun plicht de gebreken van de arme wereld te genezen en daar een schappelijk inkomen mee te verdienen, om tabak te kunnen kopen, meer niet.
Dat is hun taak. Een taak die bij deze verstandige adviseurs berust; want adviezen, daar hebben ze er duizend in één van, regionale adviezen.
 
Laten we hen danken voor alle offers die ze dagelijks brengen voor onze bestwil, enkel en alleen voor onze bestwil; laten we de Voorzienigheid vragen om hen te beschermen tegen alle ziektes; alle zorgen verre van hen te houden, hen een rijk aantal nakomelingen van welk soort dan ook te schenken, die hun soort kunnen voortzetten. Zulke wensen kunnen hen baten noch schaden. Hun klompen zullen er in elk geval niet van breken,…… waar ze mee schrijven.
 
 

Over de auteur:

Over de vertaler:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.