thema:

Hoeken en gaten van mijn leven. Muziekkroniek

Vertaling:

De komende weken publiceert Terras een aantal korte prozateksten van Erik Satie. Hierbij het een-na-laatste deel, aflevering 7. Lees ook de inleiding.
 
 
(Mémoires d’un amnésique – fragment)
In Les Feuilles libres, januari-februari 1924
 
De oorsprong van de Saties gaat, misschien, terug tot de oudste tijden. Ja… Daar kan ik niets met zekerheid over beweren – noch ontkennen, overigens…
Ik veronderstel echter dat het geslacht niet tot de adel behoorde (zelfs niet de pauselijke); dat zijn leden braaf en nederig werkvee waren dat naar believen kon worden ingezet, wat, in vroeger tijden, een eer en een genoegen was (voor de genadige heer van het werkvee, uiteraard). Ja…
Wat de Saties tijdens de Honderdjarige Oorlog deden, weet ik niet; en ik heb al evenmin de geringste informatie over hun houding en de rol die ze speelden in de Dertigjarige (een van onze mooiste oorlogen).
Moge de nagedachtenis van mijn oude voorvaderen in vrede rusten. Ja…
Genoeg. Ik zal hier later op terugkomen.
 
***
 
Wat mijzelf betreft, ik ben geboren in Honfleur (Calvados), in het arrondissement Pont l’Evêque, op 17 mei 1866. Ik ben dus nu een vijftiger, wat een titel is zoals een andere.
Honfleur is een klein stadje dat de poëtische golven van de Seine en de woelige van het Kanaal gezamenlijk – en samenzweerderig – omspoelen. Zijn bewoners (Honfleurais) zijn uitermate beleefd en vriendelijk. Ja…
Ik ben in deze plaats gebleven tot mijn twaalfde jaar (1878) en kwam me toen in Parijs vestigen… Mijn kindertijd en jeugd waren doodgewoon – zonder kenmerken die het waardig zijn in serieuze geschriften vermeld te worden. Ik zal het er dan ook niet over hebben.
Genoeg. Ik zal hier later op terugkomen.
 
***
 
Ik brand van verlangen om u hier mijn signalement te geven (opsomming van mijn lichamelijke kenmerken, die waar ik met goed fatsoen over kan praten, natuurlijk)… Donkerbruine haren en wenkbrauwen; grijze ogen (met vlekjes, waarschijnlijk), voorhoofd bedekt; lange neus, gemiddelde mond, brede kin; ovaal gezicht. Lengte: 1 meter 67 centimeter.
Deze persoonsbeschrijving dateert uit 1887, toen ik mijn vrijwillige dienstplicht vervulde bij het 33e infanterieregiment in Arras (Pas-de-Calais). Hij zou vandaag de dag niet meer bruikbaar zijn.
Het spijt me dat ik u mijn afdrukken (van mijn vingers) niet kan laten zien. Ja. Ik heb ze niet bij me, en die speciale reproducties zijn geen fraai gezicht (ze lijken op een kruising tussen Vuillermoz en Laloy1).
Genoeg. Ik zal hier later op terugkomen.
 
***
 
Na een tamelijk korte adolescentie werd ik een doorsnee jongeman die ermee door kon, niet meer dan dat. Op dat moment van mijn leven begon ik muzikaal te denken en te schrijven. Ja.
Slecht idee!… heel slecht idee!…
Jazeker, want het duurde niet lang of ik begon een onaangename (originele) originaliteit aan de dag te leggen, die misplaatst was, anti-Frans, tegennatuurlijk, enzovoorts…
Het bestaan werd toen zo onhoudbaar voor mij, dat ik besloot me terug te trekken op mijn landerijen en mijn dagen door te brengen in een ivoren toren – of van een ander metaal (metalig).
Zo kreeg ik de smaak van de misantropie te pakken; ontwikkelde ik mijn hypochondrie; en werd ik de meest melancholische (loodzware) aller mensen. Ik bood een trieste aanblik – zelfs met een lorgnet van gewaarmerkt goud. Ja.
En het is de schuld van de Muziek dat dat alles me is overkomen. Die kunstvorm heeft me meer kwaad dan goed gedaan: hij heeft me gebrouilleerd met een hele hoop aanzienlijke personen, zeer achtbare, meer dan respectabele, buitengewoon fatsoenlijke.
Genoeg. Ik zal hier later op terugkomen.
 
***
 
Ik persoonlijk ben goed noch slecht. Ik slinger heen en weer, kan ik wel zeggen. Ik heb dan ook nooit echt iemand kwaad gedaan – en daarenboven ook geen goed.
Niettemin heb ik veel vijanden – trouwe vijanden, dat spreekt vanzelf. Waarom? Dat komt doordat ze me voor het merendeel niet kennen – of enkel uit de tweede hand, van horen zeggen (meer dan leugenachtige leugens) dus eigenlijk.
Geen mens kan volmaakt zijn. Ik neem het ze in het geheel niet kwalijk: zij zijn zelf de eerste slachtoffers van hun gebrek aan bewustzijn en scherpzinnigheid… Arme lui!…
Zo beklaag ik ze.
Genoeg. Ik zal hier later op terugkomen.
 
 
1 Louis Leloy en Emile Vuillermoz waren muziekcritici, en in die hoedanigheid waren ze Satie antipathiek; aan Vuillermoz droeg Satie zijn compositie La Défaite Des Cimbres (Cauchemar) op. Door Leloy werd Satie eens ‘een van mijn trouwste vijanden’ genoemd. [Noot van de vertaalster]
 

Over de auteur:

Over de vertaler:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.