Blog | , juli 28, 2014

Food for thought. Over ‘De zon is het probleem niet’ van Daniël Rovers

“Onwerkelijk is de wereld op de zeldzame momenten dat je echt iets ziet,” schrijft Daniel Rovers in de essaybundel De zon is het probleem niet. Een opvallende zin, omdat Rovers in dit boek niet het poëtische opzoekt, maar juist iets van de wereld probeert te begrijpen. ‘Reizen’ is de ondertitel van het boek en dat is een dubbelzinnige reclame: op veel momenten onderstreept Rovers de ongemakken van het reizen, de hindernissen, het onbegrip, de spraakverwarring. Die ongemakken worden meteen het scherpst verwoord in het eerste hoofdstuk, ‘Actief in de rij’ waarin hij een vriend in Dakar opzoekt en met hem op reis gaat naar Mali. Het essay is geschreven zonder enige empathie voor donker Afrika, en juist daardoor maakt hij op schrijnende manier duidelijk wat voor enorm cultuurverschil er is. Het lijkt de auteur onmogelijk op te gaan in de plek waar hij is. De distantie die hij opvoert is niet zonder humor. Telkens lukt de reiziger iets niet dat de doorgewinterde expat die hij opzoekt wel lukt, of het nu om schrijven in de hitte betreft, het ophangen van een klamboe, het onderhandelen met een agent bij een roadblock of het door de Sahara lopen zonder gelijk blaren te krijgen betreft. Reisboekenschrijvers noemt Rovers parasieten die bij de minste calamiteit naar huis gaan om hun avonturen “opgesmukt en met een factor twee overdreven” op te schrijven. Rovers is geen reisboekenschrijver: hij zoekt calamiteiten juist op en ondergaat ze lijdzaam en met de nodige zelfspot. Hij zet zich liever neer als de zoveelste backpacker die zo nodig man van de wereld probeert te spelen. En daarin schuilt zijn scherpe oog voor de ongelijkheid van het reizen. De zon is het probleem niet is een antireisboek waarin constant gereisd wordt.

Je kunt de notie dat de wereld onwerkelijk is op die momenten dat je echt iets ziet ook anders dan strikt literair interpreteren. Daniël Rovers neemt geen genoegen met hoe voor hem de wereld wordt verklaard, hij wil op weg en dan vooral naar Lampedusa, het eiland bij Sicilië waar de meeste bootvluchtelingen uit Afrika stranden. Wat opvalt is dat Rovers een tamelijk sociale reiziger is, bij iedereen die hij tegenkomt weet hij in rap tempo elementen uit diens leven tevoorschijn te krijgen. Die journalistieke inslag is het overkoepelende thema van het boek: iedere reis wordt in een verschillende vorm beschreven.

Na Afrika plaatst Rovers eerst nog Someren-Eind, dat op de grens van Brabant en Limburg ligt en beslist niet verward moet worden met Someren, want dat is een wereld van verschil. Het is een in razende vaart geschreven portret van het dorp en inwoner Tiny en haar countrydanslessen, haar vermaarde zelfgemaakte eiersalade en de politieke voorkeuren die rondom haar spelen. Rovers oog of liever gezegd oor voor ieder detail uit haar leven is frappant. De reis naar Lampedusa die erop volgt is een uiterst gedetailleerd verslag dat nergens verbloemd is. En dat maakt De zon is het probleem niet Daniël Rovers meest persoonlijke boek tot nu toe, we leren de auteur kennen middels zijn belangstellingen. In Walter, zijn laatste roman, was de compositie sterk, telkens waren de laatste twee zinnen uit een van de korte hoofdstukken aangrijpend, waarna een nieuwsberichtje volgde en we weer een paar jaar verder waren in het leven van de hoofdpersoon. In zijn nieuwe boek neemt Daniël Rovers de ruimte. Zo leren we als hij peren gaat plukken in Zeeland niet alleen hoe gevaarlijk oorwurmen zijn en hoe het er tijdens het plukken aan toe gaat, er zit ook een ontluisterende herinnering in het hoofdstuk aan het plukken van augurken in Australië, onder bittere omstandigheden.

In de hoofstukken over China, Shanghai en Peking en ook die over Basel en Pristina, levert Rovers voornamelijk portretten. Dat deed hij eerder in het boek Elf, waarin hij de levens van elf vrienden in Brussel beschreef en zo een eigentijds en levendig portret van de stad maakte. Het verband tussen de elf personages was de schrijver, die alleen in het nawoord kort aan bod kwam. Dat is een groot verschil met het unieke boek De zon is het probleem niet, waarin Daniel Rovers zowel als essayist, journalist en romanschrijver aan bod komt. China wordt geportretteerd door veelal Nederlanders die er wonen en compleet verschillende visies op het land geven. Het hoofdstuk is ingedeeld middels tussentitels die naar hun voornamen genoemd zijn. Feitelijke anekdotes en uiteenzettingen van hun omstandigheden bieden inzicht. In Basel is het een bijna fictief karakter genaamd De Communicator, die de auteur van een sportschool in Brussel kent en die hem uitnodigt hem op te zoeken om zijn verhaal uit de doeken te doen. Hij werkt voor het chemisch concern Syngenta, een naam die ook even opduikt als het bij het peren plukken in Zeeland over gewasbeschermingsmiddelen gaat. In Kosovo komt er een variatie: de persoon die Rovers opvoert is geen mens maar een hond van een medewerker van EULEX, waar Rovers in Prishtina op past. Op het eind blijkt de hond een prachtige metafoor voor de aanwezigheid van de blauwhelmen in het land, subtiel in de verhaallijn gebracht.

Op die momenten is Daniel Rovers het best. Niet zozeer als Mister Bean of Stan Laurel, maar door impliciete slapstick legt hij de situatie ter plekke bloot, altijd door middel van distantie, analyse en betrokkenheid en interesse. Die distantie verliest de auteur in het voorlaatste hoofdstuk onder de ongemakkelijke titel ‘Ik ga me hier echt niet op aansluiten’, dat bestaat uit nauwelijks uitgewerkte notities over de periode dat op het Beursplein in Amsterdam een aantal tenten stonden. Occupy wordt nergens genoemd, behalve dan middels lallende corpsstudenten die ’s nachts ‘Fockupy’ roepen. Wat opvalt is de wij-vorm waarvoor Rovers in dit hoofdstuk kiest. Er is sprake van een verzoek van kunstencentrum De Appel, dat Rovers beantwoordt door vanuit de demonstratie te rapporteren. Lastig is dat de principiële gesprekken in de tenten zo oeverloos overkomen en niet lijken te verschillen dan om het even welke vergadering in een kraakpand. Rovers gaat er in op en verliest naast zijn distantie ook de humor die de rest van het boek kenmerkt. Voelde hij zich reizend nergens werkelijk thuis, hier in deze tenten onder demonstranten wel.

Het volgende korte en afsluitende hoofdstuk heet ‘Achteraf’ en maakt de cirkel rond. De demonstratie op het Beursplein was juist voor de auteur reden er op uit te trekken. ‘Ik wilde niet langer die monter geformuleerde lulkoek lezen, ik wilde weg van al die ferme leunstoelmeningen. Ik besloot de retoriek achter me te laten en naar Lampedusa te gaan.’ Rovers legt zijn motieven uit en verraadt wat de lezer al zelf ontdekt heeft, namelijk hoe hij te werk gaat. Dat is volstrekt overbodig en doet een beetje afbreuk aan het boek, het is alsof de auteur na het knoopje in de ballon van zijn reizen te leggen ook een touwtje heeft willen gebruiken en een stukje ijzerdraad om de onderkant extra goed af te sluiten.

Dat neemt niet weg dat De zon is het probleem niet een geweldig boek is, intelligent, goed doordacht. Juist door uitgesproken journalistiek te werk te gaan, geeft het boek constant politieke inzichten en is het – op de laatste twee hoofdstukken na – nergens plichtmatig geëngageerd. Food for thought, om een titel van de Ierse band The Virgin Prunes aan te halen. Daniël Rovers is een scherp waarnemer en eigenzinnig denker, een schrijver van formaat.

 

Daniël Rovers. De zon is het probleem niet. Reizen. Wereldbibliotheek, 288 blz. €19,95

 

Rovers-De-zon-is-het-probleem-niet

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.