thema:

Gesprek met Sheryl Sutton

Vertaling:

Bewegingloos engagement – Bewegingloos drama – Half in slaap

Sheryl blijft vannacht bij mij. Ik heb haar niet kunnen geruststellen. Ze heeft een bedje op de grond gemaakt en is daar aangekleed in gaan liggen, met schoenen en al, wat ik bijzonder aandoenlijk vind. We houden onze ogen nog lang open in het donker.

S: Heb ik je al eens verteld over het meisje uit New Orleans? Wekenlang stopte ze al haar lunchgeld in haar zakdoekje om te sparen voor het zwembad in het stadspark. Het was een prachtig zwembad met een glooiende zonneweide en een omheining van gaas…

P: Iets maakt dat ik Sheryls aandacht wil afleiden. […] Het bewegingloze drama ofwel drame immobile duidt in mijn ogen niet op de volmaakte afwezigheid van beweging, zoals bij Prometheus aan de rots, Jezus aan het kruis of een katatone schizofreen in zijn laatste stadium – hoewel het ook geen toeval is dat diverse personages op het hoogtepunt van hun tragedie in steen veranderen. Nee, bij het drame immobile gaat het eerder om de bewegingloosheid die je, als een soort buitentijdelijke tijd, bij het luisteren naar muziek ervaart – of eigenlijk juist níet ervaart. Natuurlijk, je kunt ook toneelstukken schrijven die, in de geest van Aischylos’ tragedies, letterlijk gespeend zijn van beweging. Het hangt er maar net van af in welke hoedanigheid een kunstenaar zijn pen hanteert: als burger van de aarde, van het universum of van beide tegelijk. Waar Bach zijn Hohe Messe ongetwijfeld als burger van het universum componeerde, schreef hij zijn – kwalitatief gelijkwaardige – Passies eerder als burger van de aarde en de kosmos tegelijk.

S: Het water in het zwembad was blauw; ik liep het al te bewonderen door het gaas van de omheining heen. Nog voor ik bij de kassa was, trok ik met mijn tanden de knoop uit mijn zakdoek en haalde het geld er vast uit. Het was ruim voldoende voor een kaartje; toch was ik bang dat het niet genoeg zou zijn, of dat ze iets tegen een handvol kleingeld zouden hebben. Het kaartje was opvallend lang, ik zie het nog voor me, met in het midden een rode streep. Ze scheurden er bij de ingang meer dan de helft van af.
In het kleedhokje hing ik al mijn spullen aan één haakje. Er hing ook een spiegeltje aan de muur, maar daar keek ik niet in, behalve even toen ik het kaartje erachter stak. Ik stond minutenlang te twijfelen of ik mijn schoenen wel of niet moest aanhouden, maar trok ze uiteindelijk toch uit en liep op blote voeten naar buiten. Het was juli; er stond een hete, zomerse wind. Thuis wist niemand waar ik was. Ik deed het kleedhokje op slot en hield de sleutel in mijn hand.

P: Waarom vertel je me dit, Sheryl?

S: Om te illustreren dat belangrijke dingen soms gebeuren zonder te gebeuren. Met de sleutel in mijn hand koerste ik rechtstreeks op het water af, tot ik me ineens realiseerde dat ik niet kon zwemmen. Wat als de mensen erachter kwamen? Ik was de enige zwarte in het hele zwembad, afgezien van een meisje onder de douche, maar zij was witter dan ik ooit een mens gezien had. Niet alleen haar huid, maar ook haar haar was wit, en dat werd alleen maar witter naarmate de waterstraal het natter maakte, verzadigde en platdrukte tegen haar hoofd. Ze bewoog niet, draaide geen rondjes en deed haar ogen niet dicht zoals de andere mensen; ze liet het water gewoon in haar ogen lopen.
Ik ging terug naar m’n badhokje, kleedde me aan en ging weer naar huis.

P: Is dat het hele verhaal?

S: Dit is exemplarisch voor elk heel verhaal.

P: Ik houd mijn ogen weleens open als ik ze eigenlijk dicht zou moeten doen, als andere mensen ze dichtdoen…

S: Het meisje had rode ogen. En dat kwam niet door het water.

P: We moesten maar eens gaan slapen.

S: Je moet je ogen zo vaak en zo lang mogelijk openhouden.

P: Maar daarnet had je het nog over vertrouwen en angst…

S: Ik slaap al bijna. Je moet altijd wachten tot je ogen vanzelf dichtvallen.

P: Mag je nooit eens een oogje dichtknijpen?

S: Bewegingloos drama kan best iets waars laten zien. Maar wat ik over hele verhalen zei, is in elk geval waar.

P: Slaap je al, Sheryl?

S: Pas toen ik het kaartje erachter vandaan trok, keek ik wat langer in de spiegel. Mijn schoenen trok ik als laatste aan. Bij het strikken maakte ik de veters een beetje nat met wat spuug; het leek net of ik de gaatjes daarmee hielp. Ik brandde van schuldgevoel omdat ik mijn lunchgeld had verkwist.

Ik sliep nog toen Sheryl vanmorgen wegging. Ze heeft een briefje op tafel achtergelaten: ‘Zoals gewoonlijk kom ik om twaalf uur. Als je geen koorts hebt, mag je een uurtje of wat bij het raam zitten.’

Over de auteur:

János Pilinszky (1921–1981), Hongaars dichter. Hij studeerde rechten, kunstgeschiedenis, Hongaars en Italiaanse literatuur en diverse talen. In 1944 en 1945 werd hij de Tweede Wereldoorlog in gestuurd als soldaat van het Hongaarse leger. Hij was redacteur van het katholieke weekblad Uj ember en leefde van 1948 tot 1957 onder een publicatieverbod. Hij debuteerde in 1947 met de bundel Trapéz és korlát (‘Brug en trapeze’). Na zijn publicatieverbod publiceerde hij nog vijf bundels, waaronder Harmadnapon (‘Op de derde dag’), Nagyvárosi ikonok (‘Ikonen van de Grote Stad’) en Szálkák (‘Splinters’). Erika Dedinszky vertaalde de bundel Krater (Kwadraat, 1984).

Over de vertaler:

Cora-Lisa Sütő (Tilburg, 1969) heeft na haar opleiding aan Academie Minerva te Groningen enkele jaren als kunstschilder gewerkt. Daarna heeft ze Hongaarse Taal- en Letterkunde aan de Rijksuniversiteit van Groningen gestudeerd, gevolgd door een éénjarige postacademische opleiding tot literair vertaler aan het Balassi Instituut te Boedapest. Sinds 2008 werkt ze als zelfstandig (literair) vertaler uit het Hongaars. Naast novellen, essays, schildersmonografieën en een literaire thriller heeft ze ook Rust van Attila Bartis vertaald (Meulenhoff, 2011). Sinds 2013 verzorgt ze tevens taal- en vertaallessen aan de vakgroep Neerlandistiek en de Vertaalopleiding van de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest.