Gisteren

Vanochtend werd ik gebeld dat Erik Menkveld gestorven is. Vanavond had ik een afspraak met hem. Kort geleden vroeg ik hem een reeks verhalen te lezen. Ik zocht een precieze lezer die zowel hield van de directe, meeslepende kracht die proza kan hebben, als van het wegen van elk woord. Een ambachtsman met gevoel voor het wonderlijke. Ik kende hem niet goed, ik vond dat hij iets van een onderwijzer had, in de beste zin van het woord. De eerste keer dat we elkaar zagen was in Café De Kletskop. Hij haalde een boek uit zijn tas. Het was In de Cameliastraat van Mercè Rodoreda. ‘Dit moet je echt lezen,’ zei hij. ‘Het is zo goed.’ Ik noteerde het omdat ik bang was dat ik het zou vergeten. We hadden het over de gunstige eigenschappen van het ik-perspectief. Bij elk verhaal had hij met potlood een paar kleine, scherpe dingen gezet: ‘te flets woord’, ‘waarom geen ik-verteller?’, ‘het schaap is wel erg menselijk’. Onze tweede afspraak was in Café Gruter. Hij wees op een raam aan de overkant van het plein. Er hingen licht vergeelde vitrages. ‘Daar woont Gerrit Kouwenaar,’ zei hij, ‘nog steeds.’ Waar we vanavond zouden afspreken, daar waren we nog niet uit.

Sanneke van Hassel, 31 maart 2014

 

 

Uit In de Cameliastraat
van Mercè Rodoreda
Vertaling: Frans Oosterholt

 

De tuin was vol zon en de blaadjes van de planten hingen slap. Toen ik langs de sigarenwinkel liep kwam de winkelierster naar buiten om de straat te besproeien en ze vroeg waar ik naartoe ging. Ik rende weg zonder te antwoorden en ik wist niet of mijn hart bonsde omdat ze me gezien had of omdat het de eerste keer was dat ik alleen op straat was. Ik rende de straat af aan de kant van de zon en mijn schaduw volgde me half tegen de muur opgeklommen. Na een hele tijd te hebben gelopen bleef ik staan voor een tuin met bloeiende hortensia’s, want de zijkanten van mijn voorhoofd joegen als een klok. Voor de ingang van het huis, naast drie marmeren treden met donkere aders, stond een stok met een dwarslat, en op die dwarslat, een witte vogel met een roze kuif, een naar binnen gebogen snavel, naar de hals toe, en een ketting van doublé aan een pootje. Hij zat stil en het was alsof hij me aankeek. Ik stond er als betoverd bij. Plotseling wierp hij zich naar voren, schreeuwde, en de veren van zijn kuif gingen overeind staan. Ik werd uit mijn betovering gehaald door de stem van een meisje dat vroeg hoe die vogel heette; het was een blond meisje met pijpekrullen en ze hield de hand van een meneer vast. Ik dacht meteen dat hij haar vader was. Ze waren blijven staan kijken naar de vogel, die ons langzaam de rug toedraaide. De meneer stond in het midden, tussen het meisje en mij; hij was lang en dun, rook sterk naar mimosa en droeg een blauwe en donkere steen op de manchet van zijn overhemd die af en toe fel schitterde. Ik gaf hem een hand zonder hem aan te kijken en ik moest mijn ogen dichtdoen want ik had het gevoel dat alles draaide. Toen ik ze weer opendeed zag ik dat het meisje met de pijpekrullen voor me stond en me aankeek. Zonder iets te zeggen gaf ze met de zijkant van haar hand een heel harde klap tussen mijn hand en die van haar vader en ze trok hem met zich mee. Ze liepen de straat af en ik begreep niet waarom die meneer, in plaats van met het meisje weg te gaan, haar niet naar de vogel liet kijken en mij niet met zich meenam. Ik bleef ze een tijdje nakijken. Af en toe maakte het meisje een sprong, waarbij haar pijpekrullen deinden, en als ze de sprong maakte trok haar vader aan haar arm en liet haar nog verder omhooggaan. Ik werd moe van het achter hen aanlopen en ze werden steeds kleiner. Het meisje met de pijpekrullen droeg een geplooide rok en had dunne benen.

Het kostte me moeite het huis te vinden. Toen ik thuiskwam ging ik snel mijn haren bekijken. In de woonkamer hing boven een tafeltje bij het raam een spiegel in de vorm van een hart. De lijst was van bloemen van roze glas met blaadjes van groen glas. Ik trok een punt van het gordijn op en legde het op de rugleuning van een leunstoel om meer licht naar binnen te laten vallen. Ik had glanzende, kastanjebruine haren. Ik maakte een sprong om ze op te laten zweven maar mijn gezicht schoot uit de spiegel en ik zag ze niet. Ik voelde ze terugvallen in mijn nek, sluik en triest. Triest net als ik. Want ik had trieste gedachten. Ik hing het gordijn goed, ging in de leunstoel zitten en keek een hele tijd naar mijn handen.

________________

 

images

 

Over de auteur:

Sanneke van Hassel (1971) schreef drie verhalenbundels en een roman. Wekelijks schrijft ze in het magazine van Het Financieele Dagblad Persoonlijk een kort verhaal bij een foto. Daarnaast maakt ze met de SLAA onder de noemer Hotel van Hassel programma's over het korte verhaal en stelde ze in 2012 met Annelies Verbeke de bloemlezing 'Naar de stad' samen, met veertig hedendaagse verhalen uit de hele wereld.