thema:

Seksuele emancipatie als nationale opdracht. Harry Mulisch’ Twee vrouwen in Nederland Leest

Een tijdje geleden liet ik een student Cultuurwetenschappen een paar Nederlandse auteurs nazoeken in een database, op zoek naar materiaal voor mijn onderzoek: Jan Wolkers, Gerard Reve, Simon Vinkenoog, Andreas Burnier, Remco Campert, Anja Meulenbelt, Jan Cremer, Anna Blaman, Maarten ’t Hart. Ze deed de opdracht uitstekend, ik kan niet anders zeggen. Na afloop vroeg ik haar of ze van een van deze schrijvers wel eens iets had gelezen, en of ze alle schrijvers bij naam kende. Het antwoord was tweemaal nee: van niemand iets gelezen, en van de helft nog nooit gehoord. Ze hield ook meer van Portugese en Scandinavische literatuur, van auteurs als Stieg Larsson. Nederlandse romans trokken haar niet: zo somber, en al dat gedoe met seks.
Nu is het heel gemakkelijk om flauw te doen, of cultuurpessimistisch, over het gebrek aan bagage waarmee Nederlandse scholieren van het VWO afkomen, of het geringe aantal boeken dat zij tegenwoordig hoeven te lezen voor hun lijst (dat zijn er zes, zo liet ik mij vertellen); of het kennelijk gebrek aan interesse in literatuur onder studenten Cultuurwetenschappen, of all people. Maar dat is niet waarom ik deze anekdote aanhaal; zo’n pessimist wil ik bovendien helemaal niet zijn. Ik vertel dit, omdat ik me afvroeg voor wie de CPNB-campagne Nederland Leest nu eigenlijk bedoeld is. Dat is simpel natuurlijk: heel Nederland. Maar laat ik de vraag dan anders stellen: wie voelt zich aangesproken door Nederland Leest, en op welke manier? Ik zal uitleggen hoe ik zo, terwijl ik hierover nadacht, uitkwam bij mijn student.
Verrassend genoeg misschien ken ik haar gevoel maar al te goed: Nederlandse literatuur, die is zo somber, en er is zoveel gedoe met seks. Ik herken dat, ik had dat zelf ook. Na mijn eindexamen (vijftien boeken, een aanfluiting vergeleken bij wat generaties voor mij moesten lezen) heb ik van schrik ruim een jaar geen roman meer gelezen. Daarna ging ik alsnog Nederlands studeren, het kan soms raar gaan. Het is dat eindexamenlijst-gevoel dat ik bij de gekozen titels voor Nederland Leest haast niet kan onderdrukken, een gevoel van natte novembermiddag, eind jaren tachtig; meneer Van Putten het zesde uur op donderdag (stond hij echt altijd pijp te roken op de gang? Ja, dat deed hij echt. Zo lang is het geleden). En dan klassikaal kijken naar de verfilming van Louis Paul Boons Menuet. Voetnoot: Boons Menuet is uit 1955, de film van Lili Rademakers (de echtgenote van Fons) uit 1982. Gewetensbezwaarden uit onze klas – er zat nogal veel bloot in die film – hoefden niet te kijken, waarop de progressievelingen onder ons ook een gewetensvraag moesten beantwoorden: wilden we bij de christelijken horen, en zo een vrij uur in de schoot geworpen krijgen, of stonden we pal voor onze vrijgevochten seksuele/seculiere moraal en gingen we wel? We gingen.
Dat gevoel dus, dat roept Nederland Leest bij mij op. Het lijkt wel alsof we met z’n allen m’n hele eindexamenlijst opnieuw aan het doen zijn, dat is het. Daar kunnen de twintigers van nu, zoals mijn studente, in ieder geval geen last van hebben! Voor haar en haar generatiegenoten zullen veel, zo niet alle titels een verrassing zijn. Dat geeft ze, zo stel ik me voor, een frisse blik. Als huidige scholieren en studenten dit gegeven paard in de bek kijken zien ze niet het vergeelde gebitje, ruiken ze niet de geur van pijptabak die ik als veertiger ruik. Zij zien een afgestofte parel waarvan ze niet wisten dat die bestond. Althans dat is de bedoeling.
Begrijpt u mij niet verkeerd: ik vind Nederland Leest een geweldige onderneming. Want het is niet alleen een gratis boek (en zo’n cadeautje vindt iedereen leuk, zo vertelde de bibliotheekmedewerker in mijn plaatselijke filiaal mij), het zijn alle activiteiten daar omheen – discussies, filmvertoningen, tournees en parties, YouTubefilmpjes, activiteiten voor ouderen, voor scholieren, you name it – die dit tot zo’n aantrekkelijk project maken. Ik heb een jaar of tien geleden verlekkerd zitten kijken naar de BBC, die toen ‘the Big Read’ organiseerde: met literatuur het land in, en praat er maar over! Uiteindelijk gaat het erom dat mensen met elkaar over een boek praten, en wat mij betreft is dat een groot en nastrevenswaardig doel. Nederland Leest doet haar best om lezen weer sociaal te maken, om van die persoonlijke ervaring die lezen ook is, weer een gedeelde ervaring te maken. In de enorme versplintering van het medialandschap de afgelopen twintig jaar is er nu kennelijk zo’n centralistische campagne nodig om dat voor elkaar te krijgen.
Hoe vaak heb je het anders met elkaar over een boek dat je net gelezen hebt, als je niet al van huis uit een lezer bent, in een leesclub zit of iedere avond met je kinderen een boek leest? Al leest maar 1 procent van die bijna 1 miljoen mensen die het in de bibliotheek cadeau krijgen het boek echt uit, dan heb je het nog altijd over 10.000 lezers – daar likt menig romanauteur vandaag de dag zijn vingers bij af. Dus verdient Nederland Leest wat mij betreft alle lof voor haar inspanningen om literatuur laagdrempelig aan te bieden. Die laagdrempeligheid zie je bijvoorbeeld af aan de uitgaven zelf – makkelijke pockets, geen hoogdravend gedoe. Dat nodigt uit tot lezen: prima. Het is ook vast niet toevallig dat op de webpagina met de afgelopen jaargangen van Nederland Leest geen jaartallen staan vermeld bij de werken, en alle auteurs met een gelijkaardige zwart-wit foto geportretteerd staan: dat actualiseert de werken onmiddellijk.
Maar nu nog even over de selectie: Frank Martinus Arion, Theo Thijssen, Hella Haasse, Harry Mulisch, Jacoba van Velde, Remco Campert, en in 2012 Willem Frederik Hermans. Ik moet iets opbiechten over dat eindexamenlijst-gevoel dat ik zojuist beschreef: het is helemaal niet waar dat we mijn leeslijst opnieuw aan het doen zijn. Niet één van de titels uit de Nederland Leest-campagne las ik daadwerkelijk voor mijn eindexamen. Als je Oeroeg erop zette liet je je toch een beetje kennen als een grote-stappen-snel-thuis leerling. Het is bovendien ook niet waar dat de selectie van Nederland leest zo somber is, Het Leven is verrukkulluk is nou juist een prachtig voorbeeld van het tegendeel. Een lichte roman, vrolijk over seks. Dat middelbare schoolgevoel heeft waarschijnlijk meer te maken met het collectieve aspect van de campagne dan met de selectie als zodanig. Dat doet vermoeden dat het onvermijdelijk is, dat iedere selectie dat gevoel van lichte vermoeidheid of puberweerzin oproept.
Ook Twee vrouwen (1975) van Harry Mulisch, dat ik voor de gelegenheid heb herlezen, stond niet op mijn lijst, stel je voor, dan had iemand zomaar kunnen denken dat ik lesbisch was. Voor wie de roman niet kent: Laura, een gescheiden vrouw van 35, pikt Sylvia, 20, in Amsterdam op straat op en ze krijgen een verhouding. Sylvia hoort van Laura’s onvervulde kinderwens, en legt het vervolgens op eigen initiatief aan met Laura’s ex-vriend, Alfred Boeken. Ze verdwijnt maandenlang uit Laura’s leven, naar blijkt om zich te laten bezwangeren door Alfred. Dan keert ze zwanger en wel terug naar Laura, maar dat pikt Alfred niet, en hij schiet Sylvia dood. Al deze gebeurtenissen worden door Laura beschreven, terwijl ze gestrand is in Avignon, op weg naar haar overleden moeder in Nice.
Sylvia, een kapster uit Petten, is wel een van de meest ergerniswekkende personages die ik ken. Ik moest meteen aan een andere kapster uit de Nederlandse literatuur denken, Christine uit Gerard Reves De vierde man (1982). Een al even ondoorzichtig en manipulatief type. Sylvia in Twee vrouwen draagt alle trekken van zo’n mysterieuze, wezenloze vrouw die haar eigen motieven nauwelijks kent of ze althans niet onder woorden kan brengen, en die ook volstrekt onkenbaar is, zelfs voor haar geliefden. Juist die onkenbaarheid is de bron van haar aantrekkingskracht. Sylvia is dus een fatale vrouw, die haar geliefden en zichzelf de afgrond in drijft, zowel Alfred als Laura, die mogelijk haar dood tegemoet springt, getuige de slotzin: ‘Ik kan eerder beneden zijn dan de echo van mijn schreeuw terug is van het paleis’.
Een psychologisch-realistisch verhaal hoef je niet te verwachten, mag je misschien niet eens verwachten van Mulisch, die meer geïnteresseerd is in de vraag of het kosmologisch en mythologisch allemaal wel klopt. Daarom ben ik misschien niet geschikt als Mulisch-lezer, want ik denk bij de eerste dialoog tussen de geliefden al: hoe komt een twintigjarige kapster uit Petten erbij? Als Sylvia vraagt of Laura wel eens eerder met een vrouw naar bed geweest is, en Laura nee zegt, reageert Sylvia met de opmerking ‘Sans blague?’ Harry Mulisch moet gedacht hebben, in 1975, dat zijn lezers genoeg Frans zouden kennen om te begrijpen wat ‘sans blague’ betekent (‘dat meen je niet’), en wie weet was dat ook zo, maar hij moet ook gedacht hebben dat een jonge vrouw als Sylvia zo’n uitdrukking paraat heeft, wat er bij mij maar moeilijk ingaat. Hij frommelt er nog wel gauw een voormalig Frans vriendje in waar ze de uitdrukking van kan kennen, maar het is zo’n hobbel waar ik als lezer moeilijk meer overheen kom.
Ik las Twee vrouwen voor het eerst toen ik begin twintig was, net zo oud als Sylvia dus, en ik weet nog dat ik het toen zo ontzettend vergezocht vond dat Sylvia zonder enig overleg met Laura een kind voor haar ging regelen. Ik vond het überhaupt vergezocht dat Sylvia een kind wil baren op haar twintigste. Het is volstrekt ongemotiveerd waarom zij zwanger zou willen worden, en ook waarom zij dat uitgerekend via Laura’s ex Alfred zou doen. Waarom geen leuke donor opgepikt? Als lezer moet je maar aannemen dat dit allemaal onderdeel is van de enorme liefde die Sylvia voor Laura voelt, van een kosmisch schema waarin Sylvia als stand-in een kind van Laura en Alfred mogelijk maakt. Alle mythologische verdubbelingen en travestieën die verder voorkomen in de roman moeten Sylvia’s stap navolgbaar maken, maar op mij maakt het vooral een enorm gekunstelde indruk. Renate Dorrestein schreef zo’n tien jaar later ook een roman over een lesbisch stel met kinderwens (Vreemde streken, uit 1984), en zij had ook een tamelijk vergezochte oplossing (een van de dames gaat een kind zoeken in Afrika), maar dat boek was wel weer volstrekt geloofwaardig in de manier waarop ze de relatie tussen die twee vrouwen beschreef. Ook dat mis ik bij Mulisch. En wat mij betreft is het geen oplossing om te zeggen, zoals sommige critici deden, dat Twee vrouwen niet over de lesbische liefde gaat, maar over de universele liefde. Dat is net zoiets als toen Toni Morrison de Nobelprijs kreeg en commentatoren schreven dat zij niet over zwarte Amerikanen schreef, maar over universele thema’s. Je voelt meteen dat zwarte Amerikanen kennelijk niet als onderdeel van het universele gedacht kunnen worden. Draai het even om: deze roman gaat niet over een heterorelatie, maar over de universele liefde, dan snap je hoe onbeholpen deze poging tot generalisering is.
Als boek over een lesbische relatie is Twee vrouwen eigenlijk heel atypisch voor 1975, toen de tweede feministische golf en de homo-emancipatie hoogtij vierden. Via de nieuwe strategie van coming out (naar jezelf en naar anderen) kreeg in de jaren zeventig een nieuw homoseksuele identiteit gestalte, een politieke context die in het boek ontbreekt – en dat terwijl Laura en Sylvia midden in Amsterdam wonen. Natuurlijk waren niet alle lesbische vrouwen activisten, en het geeft de roman zeker iets tijdloos, maar het verzinsel om Sylvia’s ouders niet in te lichten over de relatie met Laura en in plaats daarvan een verzonnen vriendje op te voeren doet moeizaam aan. Atypischer nog dan de ontbrekende maatschappelijke context is de kinderwens. Een lesbische vrouw met kinderwens, dat was nou juist geen thema in die tijd. De lesbische babyboom begon pas in de jaren negentig. Veel vrouwen die in de jaren zeventig hun coming out als lesbische vrouw beleefden, hadden kinderen uit een eerder huwelijk. Voor menige lesbo was het juist een bevrijding dat het moederschap niet meer vanzelfsprekend was.
Ergerde ik me twintig jaar geleden aan die zogenaamde vanzelfsprekendheid van het moederschap, bij herlezing zie ik dat Mulisch het moederschap toch niet als het hoogste doel voor een vrouw definieert. In de woorden van Laura: ‘Natuurlijk niet. Maar wel voor een dochter. Als je je altijd een dochter voelt, is er maar één manier om van je moeder af te komen, en dat is door zelf moeder te worden.’ De twee vrouwen van Twee vrouwen, zo concludeer ik, zijn evengoed Laura en haar moeder, als Laura en Sylvia. Dat raakt in discussies over Twee vrouwen al te snel ondergesneeuwd.
Bij herlezing zie ik ook dat er mooie scènes in de roman zitten, en dat hij goed geschreven is. De eerste bladzijden bijvoorbeeld, als Laura na het doodsbericht van haar moeder meteen besluit te vertrekken: ‘In het portiek deed ik nu de voordeur van de buitenkant op het nachtslot. Ik dacht: als er een klein beestje in het slot zit, een jong miertje, gevlucht voor de bui, dan is het nu door het mechaniek vermorzeld.’ Zo’n zin, die de hele roman eigenlijk samenvat – Sylvia wordt in feite door het mechaniek van man, vrouw, voortplanting vermorzeld – is heel treffend. Ook Laura’s wanhoop als Sylvia ineens vertrokken blijkt te zijn is heel overtuigend. Xandra Schutte schreef daarover dat Laura paradoxaal genoeg zo’n overtuigende vrouw geworden omdat Mulisch de ik-roman eerst met een mannelijke hoofdpersoon had geschreven. Met een man kon hij het plot echter niet rond krijgen en daarom maakte hij er vervolgens een vrouw van, ‘Hij is een vrouw!’ staat er in de kantlijn van het manuscript. Dankzij die ingreep is Laura zowaar een genuanceerd personage geworden.
 
In de begeleidende leeswijzer bij Twee vrouwen valt te lezen dat de roman bij verschijning voor ophef zorgde. Dat viel nou juist wel mee. De recensent van het Nederlands Dagblad, de krant van de vrijgemaakt gereformeerden, besprak het in 1975 heel rustig en weloverwogen: hoewel hij het lesbische thema op morele gronden afwees, kon hij tegelijkertijd zeggen dat Mulisch dit boek goed geschreven had. De recensent van De Leeuwarder Courant vond het lesbische thema uitgekauwd:
 
want niet alleen is dit boek (dus) de zoveelste love story, het bevat tevens een homofiele affaire.
Over een jaar is deze roman dan ook hopeloos gedateerd […] De laatste bioscoop-bezoekende
huismoeder is nu wel uitgegriend wat dit thema betreft.
 
Het baarde in 1975 dus helemaal niet zo veel opzien dat Mulisch een roman over twee lesbische vrouwen had geschreven. Ook het verhaal dat de feministen op hun achterste benen stonden (ook in de leesgids) is overdreven. Er was welgeteld één ingezonden brief in de Volkskrant.
Een van de selectiecriteria die Nederland Leest hanteert is dat de romans aanleiding moeten geven tot discussie (daarnaast moeten ze literaire waarde hebben, de tand des tijds doorstaan hebben, en geschikt zijn voor een breed publiek). Met ‘discussie’ doelt Nederland Leest niet alleen op discussies over stijl en symboliek, zo lijkt het, maar ook op maatschappelijke discussie. De eerste editie van Nederland Leest veroorzaakte in 2006 aardig wat rumoer. De burgemeesters van Nunspeet, Ermelo en Putten wilden op 20 oktober 2006 niet meehielpen met het uitdelen van Frank Martinus Arions Dubbelspel in de plaatselijke openbare bibliotheken omdat ze de inhoud moreel verwerpelijk vonden. De drie burgervaders hekelden de thema’s als overspel, prostitutie en moord in Dubbelspel; een en ander werd breed uitgemeten in de media. Overigens trokken de bibliotheken zich niet al teveel aan van hun burgemeesters en deelden de roman gewoon uit.
Het lukte in 2008 met Twee vrouwen opnieuw om rumoer te veroorzaken, een beetje althans. Het Reformatorisch Dagblad belde alle bibliotheken uit de Biblebelt na voor een reactie op de keuze voor Twee vrouwen. In dat jaar was alleen Barneveld weerspannig. Verder schreven de Gereformeerde Gemeenten een protestbrief naar de NS, sponsor van Nederland Leest, die drie lesbische stellen liet trouwen in de trein. Dat soort scènes deden zich bij verschijning in 1975 echt niet voor. Dat is wat zo’n massacampagne oproept: de gewetensbezwaarden moeten wel luid protest aantekenen om überhaupt hoorbaar te zijn in het PR-bombardement van Nederland Leest. Koren op de molen van de CPNB natuurlijk, nog meer gratis publiciteit.
Het is geen toeval dat Nederland Leest is ontstaan in 2006, toen niet alleen de leescultuur veranderd was, maar ook hevige discussies werden gevoerd over nationale identiteit, canonvorming en historisch besef. We kunnen de campagne Nederland Leest beschouwen als een panacee voor zowel het gefragmenteerde medialandschap als voor het verlangen naar een nationale identiteit. De openbare bibliotheek wordt zo het maatschappelijke platform waarop de strijd tussen seculiere publieke ruimte en religieuze particuliere overtuigingen wordt uitgevochten. De cruciale vraag is of je nog nee kunt zeggen als één opvatting zo massaal over het land wordt uitgestrooid. Terwijl de gewetensbezwaarden uit mijn klas geëxcuseerd waren als ze niet mee wilden doen, lijkt die exit-optie er nu niet te zijn. Dat laat zien dat er nu – meer dan in 1975 – een behoorlijk strikte, nationaal uitgedragen norm is hoe je over homoseksualiteit moet denken: liberaal. Ruimte laten voor andere opvattingen betekent echter niet per definitie een restrictie van vrijheden – Menuet werd immers gewoon vertoond –, maar wel dat de vrijheid bestaat om af te zien van deelname.
Zo’n massale campagne als Nederland Leest roept onvermijdelijk de vraag op: welk Nederland laat de CPNB ons lezen? In ieder geval een heel divers Nederland: een seksueel geëmancipeerd Nederland (Mulisch, Campert), dat zijn koloniale geschiedenis niet vergeten is (Haasse, Arion), evenmin als de Tweede Wereldoorlog (Hermans), een land van schoolmeesters (Theo Thijssen) en oude mensen (Van Velde). Wie of wat missen we dan nog? De secularisering natuurlijk – tijd voor Maarten ’t Hart of Jan Wolkers – of de koopman – waar blijft Elsschot, of Kellendonk? Passen in dat zelfportret van Nederland, de spiegel die de CPNB ons voorhoudt ook nog andere types, die misschien niet zoveel rumoer veroorzaken? De onaangepaste, de dromer, de twijfelaar, waar de roman als genre zo vol van is – Nescio’s Uitvreter, of Doeschka Meijsings Utopia? Kunnen er historische romans in, ook als ze niet direct over Nederland gaan – Nelleke Noordervliets Het oog van de engel? Een Italiaanse thriller van Hélène Nolthenius? Of echt onaangename mensen – jongens die elkaar dood treiteren, zoals in Vriend van verdienste van Thomas Rosenboom? Een fulminerend feministisch boek dat verscheen toen ik net druk bezig was om mijn eindexamenlijst vast te stellen: Het perpetuum mobile van de liefde, van Renate Dorrestein, uit 1988? Of durft Nederland Leest nu eens een roman met een iets wulpsere stijl te nemen, denk Couperus’ De stille kracht? Het antwoord op die vragen zal duidelijk maken welk Nederland de CPNB ons wil laten verbeelden.
Nederland Leest is te bescheiden en onderschat haar rol als het pretendeert alleen boeken te kiezen die zich al bewezen hebben. Nederland Leest is zelf een canonvormend instituut, zij laat boeken de tand des tijds doorstaan – had u anders ooit nog wel eens gedacht aan Jacoba van Velde? Daarom is dit een uitgelezen mogelijkheid om nog eens goed na te denken over de boeken die wij, ‘wij Nederlanders’, mee willen nemen in de 21e eeuw. In de leesgids bij De donkere kamer van Damokles weerspreekt de CPNB alvast de beschuldigingen dat ze dunne boekjes uitkiest – ‘En het is geen dun boekje’ staat er vermanend te lezen – om iedere verdenking van opportunistisch eindexamengedrag de kop in te drukken.

 
 
Deze tekst werd in een eerdere versie uitgesproken op de avond Perdu leest Nederland Leest anders (Perdu, 9 november 2012). Lees twee andere teksten die werden uitgesproken op die avond: een essay van Matthijs Ponte over Dubbelspel van Frank Martinus Arion en een stuk van Laurens Ham over De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans.
 
Agnes Andeweg is literatuurwetenschapper en werkt bij het Centre for Gender and Diversity van de Universiteit Maastricht.

 
 

Over de auteur: