thema:

Het luchtspiegelingenpaleis

Vertaling:

De witgehelmde ontdekkingsreiziger, verdwaald in de woestijn, ziet de statige torens van een onbekende stad oprijzen aan de horizon.

Kaper Weeklacht loopt om drie uur ’s middags door de Tuin van de Tuilerieën, richting Place de la Concorde. Op hetzelfde tijdstip komt Louise Lova door de Rue Royale gestapt. Ter hoogte van Café Maxim’s rukt de wind haar hoed af, hij voert hem mee richting Place de la Madeleine. Met opwaaiende lokken holt Louise Lova achter haar hoed aan, krijgt hem weer te pakken. Intussen steekt Kaper Weeklacht de Place de la Concorde over en verdwijnt in de Avenue Gabrielle. Drie minuten later steekt Louise Lova op haar beurt het door het revolutionaire executietuig vermaard geworden plein over dat en slaat de Avenue des Champs-Élysées in. Kaper Weeklacht blijft een ogenblik stilstaan om zijn veters opnieuw te knopen. Hij steekt een sigaret op. Van elkaar gescheiden door de bosjes van de Champs-Élysées stappen Louise Lova en Kaper Weeklacht tezamen in dezelfde richting.

De witgehelmde ontdekkingsreiziger, verdwaald in de woestijn, doet een vergeefse poging om zich te oriënteren op de sterren aan het nachtelijk uitspansel. Een onbekende stad rijst op aan de horizon, de van ontzagwekkende kantelen voorziene torens werpen hun schaduw over een groot gebied. Kaper Weeklacht denkt terug aan een vrouw die hij lang geleden in de Rue du Mont-Thabor heeft ontmoet. Ze hadden een tijdelijk onderkomen gevonden in de hoogsteigen kamer van Jack The Ripper. Het verbaast hem dat zijn gedachten zo nadrukkelijk gespitst zijn op die vrouw, hij wenst haar vurig terug te zien. En Louise Lova, die door welbepaalde herinneringen wordt gekweld, vraagt zich af wat er is gebeurd met de knappe avonturier die haar op zekere avond in de steek liet. Op het schoolbord van een klaslokaal in een bouwvallige middelbare school, een school gelegen ergens in de buitenwijken van een dichtbevolkte stad en dienend als toevluchtsoord van zwerfkatten, stippelt de zwarte geest der omstandigheden routes uit die elkaar rakelings naderen zonder elkaar te kruisen. De witgehelmde ontdekkingsreiziger, verdwaald in een woestijn zonder palmen, draait in trage cirkels rond een mysterieuze, bij geografen niet bekende stad.

Kaper Weeklacht slaat af naar rechts, Louise Lova naar links. De witgehelmde ontdekkingsreiziger nadert dichter en dichter tot de stad die midden in de woestijn is verrezen. Algauw blijkt die stad neer te komen op een piepklein zandkasteeltje dat verwaait in de wind, en onbehagen doordringt de eenzame reiziger, die zich afvraagt met welk nieuw vermogen zijn blik begiftigd is.

De geest der omstandigheden trekt zijn wegwerkersuniform aan, begeeft zich naar de Place de la Concorde en tekent er mysterieuze sterren op het plaveisel.

Louise Lova vervolgt haar weg en ziet plotseling de Kaper voor zich oprijzen. Maar het was maar een droom. Lang blijft ze staan kijken naar de plek waar het spook aan haar verscheen. Ze zegt bij zichzelf dat de avonturier waarschijnlijk, misschien niet eens zo lang geleden, zijn voet heeft gezet op precies dezelfde plek als waar zij nu de hare zet. In gedachten verzonken loopt ze verder.

Híj laat zich intussen met nonchalante tred voortdrijven in de richting van de Gare Saint-Lazare, de wind doet de plooien van zijn raglanjas opbollen, hij ziet zich weerkaatst in de spiegels en ruiten van de etalages, zet zijn vluchtige gedachtenloop voort, licht nu eens rood of groen op voor apothekerswerkplaatsen, wordt dan weer aangestreken door een damesbontjas. Vanaf de Boulevard des Batignolles kijkt hij naar de koolzwarte geul waarlangs de treinen Parijs uit rijden. Omdat het nog niet donker is, glanst er bleekgeel lamplicht door de portieren. Tegen een van de portieren leunt de meermin van de Club der Spermadrinkers. De Kaper ziet haar niet.

De witgehelmde ontdekkingsreiziger, verdwaald in de woestijn, ontdekt de werkelijke resten van een voormalig Timboektoe, bedolven onder het zand en vrijgekomen door een recente sirocco. Jack The Ripper verlaat het appartement waar hij zijn laatste meesterwerk heeft bedreven en flaneert over de Boulevard des Batignolles. Hij vraagt de Kaper om een vuurtje voor zijn uitgedoofde sigaret en laat zich een paar meter verderop door een politieagent de kortste weg naar de Ternesbuurt wijzen. De witgehelmde ontdekkingsreiziger, verdwaald in een woestijn van zwart zand, dringt door in de ruïnes van een voormalig Timboektoe. Hij ontwaart schatten en geraamtes waarop de esoterische emblemen van een verdwenen religie. De exprestrein waarin de meermin heeft plaatsgenomen rijdt onder een brug door net op het moment dat de music-hallzangeres er met de auto overheen rijdt. Kaper Weeklacht, Louise Lova en de zangeres begeren elkaar vergeefs wereldwijd. Hun gedachten botsen en vergroten hun ontmoetingswens door op mysterieuze punten van het oneindige tegen elkaar te stoten, vanwaar ze worden teruggekaatst naar de hersenpan die hun vertrekpunt vormde. Laten we nederig de noodlottige plekken groeten waar, en het scheelde maar een minuut, ontmoetingen die voor uitzonderlijke individuen beslissend hadden kunnen zijn, níet plaatsvonden. Merkwaardig lot, dat op de Place de la Concorde Kaper Weeklacht en Louise Lova langs elkaar liet scheren, dat in een ongure uithoek van de Parijse banlieue de meermin en de zangeres vlak boven elkaar liet passeren, dat mij of u, in een bus of enig ander openbaar vervoersmiddel, liet plaatsnemen tegenover de man of vrouw die ons in contact had kunnen brengen met de man of vrouw die al tijden door onze herinneringen dwaalt en onze nachten teistert, merkwaardig lot, zul je nog lang met onze plompe, ingewikkelde zintuigen botsen?

Een in het wit gestoken ontdekkingsreiziger, verdwaald in een woestijn van steenkool en antraciet, denkt terug aan het vuur dat ’s avonds brandde in de boerse haardstede van zijn schoonouders, in de tijd dat zijn vrouw nog maar zijn verloofde was, dat dwaallichtjes nog geen sint-elmsvuur heetten en heen en weer wiegden boven het drassige platteland, zoals bloemen in de tuinen die je in het donker van je oogleden ziet langsschieten wanneer je ze hermetisch sluit, hij denkt terug aan de dovende kooltjes op 25 december tegen één uur ’s nachts, wanneer het kind wakker wordt en alleen gekleed in een nachthemd het voorbijkomen van mythologische helden in de vaderlijke stookplaats gaat vaststellen, luistert naar het gieren van de wind in de schoorsteen en tegelijk naar het zingen van onzichtbare aartsengelen door wie hem liefde voor de nacht wordt bijgebracht maar ook liefde voor de middagzon, de loodrecht boven de aarde staande middagzon die even onveranderlijk, plechtig en tragisch is als de duisternis, hij denkt terug aan het noorderlicht dat hij aanvankelijk zag langsschieten in de toverachtige tekeningen van kinderboeken, dat hij later zag opkomen uit het noorden en in vervoering herkende vanaf de brug van een schip in een verafgelegen baai in de Arctis.

Een door de stratenmakers vergeten straatkei op de Place de la Concorde legt de terughoudendheid af die hem tot dan toe door zijn minerale aard was beschoren. Hij spreekt, en de woorden die hij uit, hoe onverwacht ook, zouden de aan wonderen gewend geraakte menigte vast koud hebben gelaten als hij niet de namen opsomde van alle mensen die in de loop der tijden hun voet op hem lieten neerkomen. Historische namen worden aanvankelijk met hoerageroep en scheldkanonnades begroet. Dan klinken de namen van privépersonen, namen van obscure lieden, in de verte herhaald door luidsprekers, lang weergalmend in het hart van de omstanders. Hier herkent iemand zijn vader en daar veert een oude man op bij de naam van zijn eerste maîtresse, anderen herkennen hun eigen familienaam. Ze blijven staan en hun leven komt hun ellendig voor. Vervolgens wordt aller gemoed door lusteloosheid aangegrepen. Kaper Weeklacht constateert de bedruktheid van de openbare stemming. Hij is daar blij om en zelf verbaasd over die zonderlinge blijdschap. Uiteindelijk begrijpt hij dat hij geen lusteloosheid heeft aangetroffen maar wanhoop aan geestdrift gelijk.

De witgehelmde ontdekkingsreiziger, verdwaald tussen de plooien van een meedogenloze horizon, maakt zich op om te sterven en gaat bij zijn herinneringen te rade om te weten hoe een ontdekkingsreiziger sterven moet: of hij zijn armen over elkaar moet slaan dan wel zijn gezicht in het zand moet verbergen, of hij een haastig graf moet graven met het oog op de wind en de hyena’s dan wel met opgetrokken knieën op zijn zij moet gaan liggen, de houding die huismoeders ongerust maakt wanneer ze constateren dat die door hun kroost is uitverkoren, of de leeuw het vonnis zal voltrekken, dan wel de zogeheten koperen ploert, dan wel de dorst.

De straatkei van de Place de la Concorde roept de lange stoet van allen die over hem heen zijn gegaan voor de geest. Damesondergoed variërend met de mode, avonturiers, vreedzame wandelaars, damesondergoed, ruiters, rijtuigen, landauers, victoria’s, tilbury’s, fiakers, auto’s, Kaper Weeklacht, Louise Lova, Meneer Die-en-die, Mevrouw Zo-en-zo, auto’s, politieagenten, u, ik, jij, Kaper Weeklacht, auto’s, auto’s, auto’s, slaapwandelaars, politieagenten, lantaarnopstekers, Kaper Weeklacht, Meneer Die-en-die, Meneer Zo-en-zo.

Twee metrostellen, twee treinen, twee wagens, twee wandelaars in twee evenwijdige straten, twee levens, geliefden die elkaar tegemoet lopen zonder elkaar te zien, mogelijke ontmoetingen, ontmoetingen die niet plaatsvonden. De verbeelding verandert de geschiedenis. De verbeelding rectificeert de telefoonboeken en de lijst van vaste bezoekers van een stad, van een straat, van een huis, van een vrouw. De verbeelding fixeert voorgoed de beelden in het spiegelglas. Portretgalerijen hangen aan de muur van het toekomstige geheugen, waar luisterrijke onbekenden met een scherpgewet zakmes hun initialen en een datum in krassen.

Op de derde verdieping van een woonhuis denkt Kaper Weeklacht nog altijd aan de legendarische Louise Lova, terwijl zijzelf op de derde verdieping van een ander woonhuis zich hem inbeeldt zoals hij was op de avond dat ze uit elkaar gingen, hun blikken ontmoeten elkaar door de muren heen en roepen nieuwe sterren in het leven, tot verbijstering van de astronomen. Met hun gezicht naar elkaar toe, maar verborgen achter hoeveel hindernissen, huizen, monumenten, bomen, voeren ze een zwijgend tweegesprek.

Zouden alle schotten en omstandigheden door een luidruchtige catastrofe worden vernietigd, zie ze daar dan staan, zandkorrels verdwaald op een kale vlakte, verenigd door de denkbeeldige rechte lijn die iedereen verbindt met om het even wie. Tijd noch ruimte, niets staat die ideële relaties in de weg. Alles stort in, het verstoorde leven, de wereldse eisen, de aardse verplichtingen. Wat onverlet laat dat mensenkinderen aan dezelfde willekeurige dobbelstenen onderworpen blijven.

Verdwaald, onherroepelijk verdwaald in de woestijn beseft de witgehelmde ontdekkingsreiziger ten slotte dat luchtspiegelingen echt bestaan, en onbekende schatten, gedroomde diersoorten, onwaarschijnlijke gewassen geven voortaan gestalte aan het zinnelijke paradijs waarin hij zich zal bewegen, vogelschrik zonder vogels, graf zonder grafsteen, man zonder naam, terwijl de piramiden met een geweldige zijwaartse verplaatsing de onder hun loodzware massa verborgen dobbelstenen onthullen en zich opnieuw het irritante probleem voordoet van het noodlot in het verleden en de voorbeschikking in de toekomst. Wat de mooie, eeuwige hemel van het heden betreft, die duurt toch maar net lang genoeg om drie dobbelstenen uit te gooien over een stad, een woestijn, een man, witgehelmd ontdekkingsreiziger, nog verdwaalder in zijn weidse intuïtie van de eeuwige gebeurtenissen dan in de zanderige uitgestrektheid van de equatoriale vlakte waar hij door zijn genius, een sluwe gids, stap voor stap tot een openbaring is gebracht die zichzelf voortdurend tegenspreekt en hem misleidt met zijn eigen onherkenbare gezicht, als gevolg van de positie van de ogen of bij gebrek aan een vergelijkingspunt en ook als gevolg van het gerechtvaardigde wantrouwen waarmee iemand met een verheven geest spiegels bejegent, waarvan allerminst is bewezen dat ze de geopenbaarde waarheid in pacht hebben, naar het chaotische evenbeeld van de sterrenhemel, van andere levende wezens, van onbezielde voorwerpen en van zijn spookachtige, vleesgeworden gedachten.

 

 

 

Uit : Robert Desnos, La liberté ou l’amour ! (Vrijheid of liefde!), 1927.

Over de auteur:

Over de vertaler:

Rokus Hofstede (1959), vertaler van Franse literatuur. Recente solo-vertalingen: Meisjesherinneringen (Annie Ernaux); Palmyra. De onvervangbare schat (Paul Veyne); Koningslichamen (Pierre Michon); Maigret en het dode meisje (Georges Simenon). Recente duo-vertalingen (met Martin de Haan): Swanns Kant op (Marcel Proust), Wereld, wereld! (Régis Jauffret); (met Katrien Vandenberghe) Oog in oog met Gaia. Acht lezingen over het nieuwe klimaatregime (Bruno Latour). Cf. www.hofhaan.nl