thema:

Het PoetTrio-project

Vertaling:

Testlab poëzie vertalen: een kijkje achter de schermen

Dr. Rebecca May Johnson, als onderzoeksassistent verbonden aan het PoetTrio-project, geeft voor dit nummer van Terras inzicht in de methodiek van een belangwekkend project dat het vertalen in groepsverband onderzoekt aan de hand van het werk van Hélène Gelèns, Elma van Haren en Menno Wigman.

Hoewel poëzie steeds vaker vertaald wordt door dichters onderling in plaats van door zelfstandige vertalers, is er nog geen systematisch onderzoek gedaan naar wat zo’n samenwerking inhoudt. Het PoetTrio-project wordt uitgevoerd door onderzoekers aan de Britse universiteiten van Newcastle-upon-Tyne en Roehampton en wordt geleid door professor Francis Jones (zie onder voor een complete lijst onderzoekers). Zij willen uitvinden hoe het gezamenlijk vertalen van poëzie in zijn werk gaat, door trio’s te observeren die bestaan uit twee dichters met een taaladviseur tussen hen in, de meest gebruikelijke samenwerkingsvorm.

In een PoetTrio vertalen drie mensen de gedichten in elkaars aanwezigheid: de schrijver van het oorspronkelijke gedicht, een dichter in de doeltaal (die de brontaal niet per se machtig hoeft te zijn) en een taaladviseur (een tweetalig expert). Voor dit project hebben we samenwerkende testlabs ingericht waarin drie gevestigde Nederlandse dichters, Hélène Gelèns, Elma van Haren en Menno Wigman, samenwerkten met drie eveneens gevestigde Britse dichters, Sean O’Brien, Fiona Sampson en W.N. Herbert. Ze vertaalden elkaars werk, bijgestaan door één taaladviseur per groep: Rosemary Mitchell-Schuitevoerder, Willem Groenewegen en Karlien van den Beukel. Zij hadden vooraf tussenvertalingen gemaakt, letterlijke vertalingen met uitgebreide uitleg per regel die de doeldichters konden raadplegen tijdens de workshop.

We organiseerden eind mei, begin juni 2017, tijdens het Poetry International Festival te Rotterdam, vier dagen lang workshops en daarna in juli ook vier dagen aan de universiteit van Newcastle-upon-Tyne. De dichters en taaladviseurs werden behandeld als proefkonijnen in dit residentiële lab, waarbij we alles in hun omgeving probeerden te bepalen, en daarmee onder controle te houden: we kozen waar ze sliepen, waar ze aten, hoe laat de workshops begonnen en eindigden, wie met wie ging samenwerken en op welke dag ze in welke kamer zouden zitten. Ook stelden we alle deelnemers aan het eind van elke werkdag dezelfde vragen. We probeerden vaste lunch-en koffietijden in te stellen. Elk geluid, elke beweging die de vertalers maakten, werd opgenomen op zowel videoband als digitale geluidsrecorder.

Er was een lange reeks besluiten nodig voor het opzetten van een werkwijze voor dit vertaallab, want we wilden een stabiele omgeving inrichten voor het inwinnen van data en in ieder geval de illusie opwekken van een evenwichtige werkomgeving. Gaandeweg begonnen we te begrijpen dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de veronderstelde ‘steriele’ opzet van een kunstmatig gecreëerde onderzoeksomgeving en de realiteit van de bij tijd en wijle levendige, hongerige, bevlogen, vermoeide, gestreste mensen die erin plaatsnamen. Ons bouwwerk werd langzaam maar zeker ontmanteld: de deelnemers aten buiten de gezette tijden, wilden langere pauzes nemen dan die we hadden ingeroosterd en wensten langer door te werken dan de duur van de workshops. Deelnemers werden ziek, hadden het te warm, waren te moe om te werken en lieten soms zelfs verstek gaan. De fysieke en emotionele aspecten van creatief werk, oftewel de belichaming van de creativiteitspraktijk, werden zelfs onder zulke gereguleerde omstandigheden een heel zichtbaar deel van ons onderzoek.

Al schopte de wirwar aan lichamen en stemmingen het rooster soms in het honderd, toch toonden de dichters en taaladviseurs zich zeer productief en betrokken bij elkaars werk. De deelnemers wilden maar al te graag recht doen aan de poëzie die ze voor zich kregen en ondanks de kunstmatige omgeving waarin wij onderzoekers hen hadden neergezet, werkten ze hard. Ze overschreden de grenzen waarbinnen ze normaal gesproken opereerden om zodoende een gezamenlijke cognitieve ruimte te scheppen, wat in alle drie de kamers betoverend werkte. Als we bezig waren de samenstellende delen van dichter-adviseur-dichter aan elkaar te zetten, voelden we ons soms net dr. Frankenstein, benieuwd naar wat een andere combinatie op zou leveren. Daarbij hadden twee van de Britse deelnemers, de professoren Fiona Sampson en Bill Herbert, twee petten op: ze waren zowel deelnemer als onderzoeker. Professor Francis Jones deed ook een paar keer dienst als taaladviseur naast het onderzoek te leiden. Gedrieën zaten ze op deze manier in een lastig parket, zowel binnen als buiten de grenzen van het experiment: in de kamer aanwezig terwijl ze er geestelijk boven dreven.

Aangezien wij wetenschappers zijn, analyseren we nu de transcripten van de workshops, waarbij we de gesprekken zowel kwalitatief als kwantitatief coderen. We formuleren vragen als: in welke mate werd er Engels dan wel Nederlands gesproken? Over welke onderwerpen praatten de dichters het langst? Hoe kwam men tot besluiten en wie hakte de knoop door? Zo bouwen we een rijkgeschakeerd beeld op van hoe de ervaren dichter-adviseur-dichter trio’s hun werk doen. Lange uiteenzettingen over één enkel woord leidden tot wijdlopige discussies en er kwamen creatieve oplossingen voor uitdagende neologismen na een heen-en-weer tussen de trioleden, waarbij zowel de formele aspecten als precieze betekenis heftig werden bediscussieerd. Soms kwam een taaladviseur tussenbeide, soms droegen juist zij creatieve oplossingen aan of interrumpeerden ze om taalkundige scherpte te bieden. De werkwijze van elke doeltaaldichter was net zo verschillend als ieders eigen poëzie en karakter. Bovenal was het de intense rijkdom en complexiteit van de taal, zeker wanneer die in de vorm van poëzie wordt gegoten, die een bron van veel plezier en onenigheid bleek in het vertaalproces.

De gedichten die als onderdeel van dit project werden gemaakt, zijn enthousiast ontvangen bij het internationale Newcastle Poetry Festival in mei 2018. We hopen dan ook dat u geprikkeld wordt door de projectgedichten in dit nummer van Terras en we horen graag wat u ervan vindt. Stuur een tweet naar @poettrios om uw gedachten te delen.

 

Onderzoeksteam:
professor Francis Jones (hoofdonderzoeker), professor Fiona Sampson & professor Bill Herbert (mede-onderzoekers), dr. Sergio Lobejón Santos & dr. Rebecca May Johnson (onderzoeksassistenten)

Over de auteur:

Dr. Rebecca May Johnson is schrijver, journalist en onderzoeker aan de universiteit van Newcastle.

Over de vertaler:

Willem Groenewegen (1971) is nu 18 jaar werkzaam als poëzievertaler naar en uit het Engels, het meest bekend om zijn Koplandvertalingen in Ierland uitgegeven als What water left behind, dat in 2006 op de shortlist stond van de Britse Popescu Prize. Meest recente boekpublicatie zijn zo'n 60 gedichten in het Nederlands vertaald voor de bloemlezing De Geschreven Oorlog (Manteau/De Bezige Bij, 2016).