thema:

Het stomme dorpje Pier

Langs de achtertuin van mijn ouders stroomt een beek.
Helaas zit er geen water in. Feitelijk stroomt er dan ook weinig tot niks. Niet meer in ieder geval. Dus is het technisch gezien geen beek, als ik heel eerlijk ben. Maar deze met braamstruiken overwoekerde laagte langs de weg is wel degelijk ontstaan door water dat van hoog naar laag stroomt, een bedding dus. Het bed van een beek die slaapt, zou de dichter zeggen. Maar dat is uiteraard onzin: de beek staat gewoon droog.
Het is een nogal gênante gebeurtenis. Zonder dat we iets in de gaten hadden heeft iemand ons afgeleid en de beek omgelegd. Nu is er nog wel een beek, alleen stroomt die niet meer hier. Waar dat beekwater naartoe is (óns beekwater) lijkt me duidelijk.
Naar de Duitsers.
De bewijzen zijn onweerlegbaar. Kijk vanavond om acht uur naar het journaal en wacht op het moment dat de weerman (m/v) in beeld komt. Naast zijn/haar linker elleboog, rechts van Zuid-Limburg, zitten beige vlekken op het satellietbeeld. Iedere stip, zo mooi tussen al dat eentonige groen, is een gigantisch gat. Honderd en nog wat meters diep en dagelijks groeiende kilometers in doorsnede.
Dáár is ons water gebleven.
En nog meer: behalve helder Hollands beekwater verdwenen ook stadjes, dorpen, kastelen, boomgaarden, snelwegen en wegrestaurants in dit graf. Dat klinkt spectaculair, dramatisch zelfs, maar daar maakt men zich in west Nord-Rhein Westfalen niet zo druk om. Want dit gat betaalt, het betaalt heel netjes zelfs, dus geen gezeur bitte.

Iemand vertelde me over een vriendin. Zij werd geboren toen het beige gat nog maar een kuiltje was, je kon er een steen overheen gooien en die aan de overkant weer ophalen, haar geboortedorp heette Pier. Diep in de bodem onder het dorp lagen de resten van een moeras waar Pier en haar inwoners 20 miljoen later in zouden wegzakken.

Pier
Dat klinkt als iets onbeduidends en daarom, in het geval ik er zou wonen, zou ik het zeer kordaat uit spreken: “Aangenaam, ik kom uit Pier. Pé Ie Eé èR. Waar dat ligt wilt u weten? In de buurt van Aachen, maar de plek van mijn geboortedorp is nu een gat. Als we de precieze coördinaten erbij pakken zweeft ter hoogte van mijn ouderlijk huis nu een slechtvalkje. Vreemd genoeg hangt hij exact daar waar ooit de besteklade hing, een biddend silhouet in de ochtendzon dat plotseling door de keukenvloer de diepte in duikt. Het uitzicht vanuit mijn slaapkamerraam vliegt een kilometer verderop in het luchtledige, in de diepte daaronder verzameld zich nu het water uit een beekje dat ooit ergens in Nederland bij de ouders van de vriend van een vriendin achter het huis klaterde. Want Pier, moet u weten, is het doel geworden van vele waterstromen, zowel boven- als ondergronds en is ook wel bekend als het grootste zoetwatermeer van West-Europa, maar dat duurt nog een jaar of veertig. Tot die tijd is er nog even niks.
Maar we kunnen deze leegte gebruiken om een wandelingetje te maken. Er ligt immers een weg naar Pier. Er staat nog een bordje “Wilkommen in Pier”. Meteen na het bordje staat een appelboom. Boven in de kruin kraken takken. Af en toe valt er een appel omlaag. Bij de stam geeft een vrouw aanwijzingen. Ze roept “Die daar, nee iets verder,” vermoeden we, want het busje dat voor de wegversperring staat heeft een Bulgaarse nummerplaat. Voorbij de appelboom rechts bevindt zich de ingang van de begraafplaats. Het hekje gaat zoals gewoonlijk piepend open, het grind knarst nog steeds onder onze schoenen en leidt naar een grasveld vol kuilen en hopen zand. De doden van Pier, ze zijn al geëvacueerd. U maakt in uw beste Duits een goedbedoeld grapje over de doden en Pier, maar de clou van de grap ontgaat me in de vertaling. We lopen naar de verre zijde van het grafveld. Het enige intact gebleven graf is dat van de Onbekende Soldaat. Hij is hier sowieso nooit geweest en mag dus blijven. Via het poortje aan de zijkant verlaten we de begraafplaats, volgen het paadje naar de kerk. Er staat een lantaarnpaal, klassiek model. We bewonderen de madeliefjes in het gras en grinniken om een leeg bord met mededelingen. Het pad stopt en dan kijken we omlaag. Honderd meter gapende afgrond. Geel, beige, zwart, grijs. En een puntje wit, daar rijdt een bestelbusje ter grootte van mijn pinknagel. Uit de grond voor onze voeten wapperen telefoondraden in de wind en hangt een verroeste buis boven niks. Hier was de kerk van Pier. Bij gebrek aan beter wilde ik u in ieder geval de telefoonaansluiting van de kerk van Pier tonen. En vooral de waterleiding. Het water dat Pier gebruikte voor het slaan van kruistekens bij het buitengaan van haar kerk, druppelt nu de diepte in. Ik vertel het de laatste tijd wel vaker. Pier is het eindpunt geworden van vele waterstromen, zowel boven- als ondergronds.”


een afvoerput voor wijwater, van beneden gezien

Laten we de zaken vooral niet mooier voorstellen dan ze zijn: ik ben niet in dit dorp geboren. Ik ben slechts een van de wandelende passanten op een zondagmiddag. Een bordje, een appelboom en een begraafplaats met een Onbekende Soldaat. We lopen een laatste huis in en gooien een mooie negentiende eeuwse glazen karaf uit het raam, gewoon omdat het kan. Dan bellen we aan bij de voordeur en doen zelf open met een verrast “Gutenmorgen?” We bewegen zeven rolluiken aan de straatzijde zo snel mogelijk synchroon op en neer. Een schietende aardappel wordt in de bodem geplant en heeft tot morgen de tijd.


we wekken een vlinder

“Weet u wat de inwoners van Pier deden, een maand voordat ze hun huizen verlieten? Ze verfden hun kozijnen, knipten de hagen en betegelden hun terras. De taxateur moest nog langskomen.”
Een groep archeologie-studenten trekt snel wat Romeinse koeienbotten uit de klei voordat de echte graafmachines eraan komen. Wat er met die botten moet gebeuren weten de studenten niet “Maar we halen hier alles weg, voordat het straks definitief verdwenen is”. Met stalen stokken en roodwit-lint markeren ze de plek waar nu niks meer te vinden is.
En dat is helemaal prima.
Als er iets verdwijnt moet er ergens anders iets terugkomen. Want, wie een kuil graaft, creëert tegelijkertijd een hoop. Hoger en hoger rijst deze heuvel, eerst nog helder en geelbruin, maar haar westzijde gaat al op in de omgeving en wedijvert met de Eiffel in de verte. Haar naam is Sophie, er staan dennen, er worden behoedzaam rotsblokken verspreidt en dode eiken gepland voor de roofvogels. Een kordon sproeiers bewaakt de jongste zijde van de Sophiehöhe om te voorkomen dat vruchtbare Duitse bodem door een windvlaag op onze geparkeerde auto’s verstuift. Of erger nog, massaal in de Sahara wordt neergekwakt. Het is al zo vol daar.

In het allerlaatste schuurtje hangt een slapende vleermuis aan een balk. De oren onder de oksels gevouwen, duimen omhoog, de grijze vacht glinstert van het vocht. Het droge zand op de vloer is een kuiltje met speldenprikken. Zweetdruppels van een dagdromende vleermuis mengen zich met de waterstromen onder Pier. Als hij ontwaakt, kaatsen zijn kreten pas minuten later weer terug. Geen mug, geen nachtvlinder of mot te bekennen, zelfs de slechtvalk heeft onze voormalige besteklade verlaten. Zijn uitgevouwen oren ontvangen slechts het brommen van de bruinkoolcentrale in de verte.

Het is nacht en de inwoners van Neu-Pier laden hun I-phone op.


een dode boom verliest stuifmeel

Over de auteur:

Joep Vossebeld (1989) is kunstenaar en curator. Hij is geïntrigeerd door de absurditeit van ons dagelijks leven en zet wat hij ziet en ervaart om in tentoonstellingen, installaties en teksten. Veel van zijn projecten ontstaan in samenwerking met andere kunstenaars, ontwerpers en muzikanten. Zo werkt hij sinds 2011 met Charlotte Lagro en Chaim van Luit onder de naam Studio Oneindigheid en is hij sinds 2014 curator voor kunstenaarsinitiatief B32 in Maastricht. Momenteel verblijft hij aan het FLACC in Genk, waar hij zich verdiept in het archief van kunstenares Ine Schröder (1951-2014) om middels een ‘postume samenwerking’ haar verdwenen oeuvre weer tot leven te wekken.