Blog | Kim Andringa, december 31, 2012

Horror vacui – over Edward Hopper

Een paar maanden terug ontdekte ik in Raster een stuk van Bernlef over Edward Hopper. Inmiddels is het gedigitaliseerd en kunt u het hier lezen. Bernlef analyseert het gevoel van ontroering dat de afwezigheid en ook de afwijzendheid van Hoppers doeken bij hem teweegbrengen. Ik schrijf afwezigheid, maart eigenlijk gaat het in de woorden van Bernlef om aanwezigheid : de afwezige, dat is hij zelf. In de observatie van het schilderij wordt hij even van zichzelf bevrijd. Een gevoel dat ik herken als wat mij soms bekruipt op een vreemde plek, een uitgestorven stad, een lege straat, waar je je als geabsorbeerd voelt door je omgeving.

Hopper Terras

Edward Hopper Morning Sun 1952
Huile sur toile, 71,4 x 101,9 cm
Ohio, Columbus Museum of Art
Howald Fund Purchase 1954.031
© Columbus Museum of Art, Ohio

Op dus naar het Hopperretrospectief in het Grand Palais in Parijs (nog tot eind januari te zien). Misschien kwam het doordat ik twee uur buiten in de rij moest staan met een paar honderd andere ochtendmensen zonder reservering (reken later op de dag gerust op vier uur ; de tentoonstelling trekt al sinds het begin zo’n 7500 bezoekers per dag ; de teller staat inmiddels op 500 000 – meer dan een paar kunstminnende happy few), maar eenmaal binnen wilde de ontroering maar niet komen. Wel een groeiend ongemak, uitmondend in een soort irritatie, vooral na de twee grote ontdekkingen van de eerste zalen : Hopper als etser en Hopper als aquarellist. Een ets als Night on the El Train (1918) is met zijn geladen atmosfeer en trefzekere toets minstens even pakkend als het werk van Félix Vallotton dat Hopper in de voorgaande jaren ontdekt had. De aquarellen, waarvan er veel gemaakt zijn tijdens een verblijf in Gloucester, zijn strak van compositie en diep, intens van kleur. St. Francis’ Towers, Santa Fe (1925) is bijna Oriëntaals van sfeer, My Roof (1928) lijkt met zijn baksteenoranje een warme actualisatie van de Toit au soleil van Pierre-Henri de Valenciennes of de Gouden Bocht van Berckheyde. Hopper is een schilder van licht, zoveel is  duidelijk. Wat mij betreft had hij alles wat daarna komt tot een van zijn laatste doeken, het beroemde Sun in an Empty Room (1963), kunnen overslaan. Want zaal na zaal voelde ik me vervolgens gevuld raken met leegte, een soort inwendige weerspiegeling van de Verenigde Staten als fantoomcontinent zonder waarachtigheid waar alles tot decor lijkt te worden. En zoals gezegd ongemak en irritatie omdat ik Bernlef intussen een beetje vergeten ben en de oh’s en ah’s om me heen opvat als een teken van onbegrip – mijnerzijds, welteverstaan. Wat ontgaat me, waarom vind ik het ondraaglijk leeg, al die onbestemde ruimtes en al even onbestemde, wegkijkende personages ? De vrouw op Morning Sun (1952) heeft zwarte gaten als ogen en je bent blij dat ze je niet aankijkt, de People in the Sun (1960) zitten als etalagepoppen in hun strandstoelen, geen mens die gelooft dat ze van het zonnetje genieten.

De geruststelling komt bij de uitgang, als ik door de catalogus blader. Er wordt geciteerd uit de mémoires van De Chirico, ook een schilder van leegte – maar een vorm van leegte die ik als minder drukkend ervaar. Hij heeft geschreven over de Amerikaanse afkeer voor alles wat een ruimte intimiteit kan verlenen, hoe de appartementen eruitzien als vitrines waarin mensen tentoongesteld worden, zichzelf tentoonstellen misschien, die buiten de tijd lijken te staan : op hun spookachtige gezichten, schrijft De Chirico, hebben ze « de uitdrukking van hen die weten dat er niets te weten valt ». Deze holle, levenloze, flinterdunne wereld, dit gedroomde Amerika heeft Hopper geschilderd. En goed  ook – en daarom zo confronterend. Voor authenticiteit moet je elders zijn : bij dat voorlaatste doek van de expositie, in de kamer waar enkel de zon binnenschijnt en je een zucht van verlichting mag slaken bij zoveel opgeheven leegte.

 

Kim Andringa (Middelburg, 1977) woont in Parijs. Ze studeerde Franse taal- en letterkunde in Nijmegen en vervolgens Franse literatuur aan de Sorbonne. Ze promoveerde daar in 2009 in de vergelijkende literatuurwetenschap en doceerde er Nederlands. Momenteel is ze universitair docente vertalen (Frans-Nederlands) aan de universiteit van Luik (ULG) . Daarnaast is ze werkzaam als literair vertaalster Nederlands - Frans, Frans-Nederlands, Fries - Frans, hoofdzakelijk van hedendaagse poëzie.