Dat weet ik

Vertaling:

Ze houden me in de gaten. Dat weet ik. Dat weet ik al een tijd.

Ik rijd soms ’s avond nog een tweede keer rond het blok voordat ik het elektrische hek van mijn garage open. Gewoon voor de zekerheid.

Ze zijn al voor mijn buren langsgeweest. Maar mijn buren waren niet thuis, dus namen ze alleen sieraden en de televisie mee.

Ik neem een hond – één die reusachtig zal worden – en noem hem Tarzan.

’s Nachts moet Tarzan uit voor zijn wandeling. Dat wordt elke vierentwintig uur opnieuw mijn meest weerloze moment. Tarzan is nog te klein om me te beschermen.

Mijn vader belt op. Hij stelt voor dat ik kranten bij de achterdeur uitspreid zodat Tarzan zich daar kan ontlasten. Ik loop dagen over de kwestie te tobben. Ondertussen leer ik Tarzan om zichzelf uit te laten. Ik wacht bij de deur tot hij klaar is.

Tarzan is niet bij me, wanneer ik met de auto naar mijn werk rijd. Of wanneer ik naar de winkels rijd.

Ze kunnen overal wachten. Bij verkeerslichten kunnen ze vermomd zijn als bedelaars, ramenlappers, straatventers.

Ik draai de vensters omhoog en vermijd oogcontact.

Op een middag vind ik wanneer ik thuiskom een dode duif op mijn grasveld.

Ik weet zeker dat zij erachter zitten. Ze willen Tarzan vergiftigen. Ik pak een stok en probeer de duif in een plastic zak te schuiven.

Dat valt nog niet mee. Tarzan probeert in de buurt van de duif te komen, dus sluit ik hem op in huis.

Was dit juist wat ze wilden? Me isoleren?

Ik werk nu sneller. Draai die zak over mijn hand, pak de dode duif ermee op en vouw de zak terug.

Ik ben misselijk. De duif was nog warm.

Ik knoop de zak dicht en gooi hem in een openbare vuilnisbak.

Ik kom pas tot bedaren wanneer het veiligheidshek achter me gesloten is.

Ik krijg medelijden met Tarzan. Overdag is hij alleen. Dus neem ik nog een hond en noem haar Vechter.

Nu zijn er twee.

Tarzan wordt gelukkig al groter en zijn blaf is aanzienlijk.

’s Avonds voor ik ga slapen fluister ik hem toe dat hij zijn oren toch alsjeblieft moet spitsen.

Ze slapen in de woonkamer. Tarzan en Vechter. Daar zijn ze mijn oren.

Ik controleer elk raam en slot. Ik maak ze open en draai ze weer toe, gewoon voor de zekerheid.

Ik sluit mijn kamerdeur. Hier ben ík de oren. Ik slaap licht.

Ik krijg ruzie met mijn buurman omdat zijn schutting te laag is. Ik ben aan drie fronten beschermd met hoge muren en schrikdraad. Alleen niet aan zijn kant.

Op een nacht word ik wakker van gegil in de straat. Ze hebben toegeslagen, besef ik. Ik grijp naar mijn telefoon om de buurtwacht in te schakelen. Maar ik zie dat de buurtwacht al verslag heeft gedaan van het incident. Het is een man die een paar huizen verderop woont. Drugs. Hij tript, zeggen ze.

Zijn deuren staan wagenwijd open en hij rent poedelnaakt en gillend door de straat.

Niks aan de hand dus.

Maar verdomme, die man moet voorzichtig zijn. Zo kwetsbaar.

Soms voel ik dat ze naar me kijken, dan loop ik wat sneller om een winkel in te gaan. Ik volg altijd mijn intuïtie. Zelfs in winkelcentra of in de supermarkt. Ik ben altijd paraat.

Ik gebruik alleen de pinautomaat bij de ingang van de bank. Nooit een mobiel pinapparaat. Wanneer ze met de automaat gerotzooid hebben, kan ik de beveiliging roepen.

Wanneer ze me willen grijpen, dan kan ik de beveiliging roepen.

Op een vrijdagmiddag knalt een geweerschot door mijn zitkamer. Ik word ijskoud.

Daar zijn ze.

Nog een schot. Dan nog eens vier schoten snel na elkaar.

Tarzan vlucht weg onder de tafel.

Daar heb je veel aan.

Vechter stormt naar buiten en begint te blaffen.

Moet ik mezelf en Tarzan binnen opsluiten? Of moet ik naar buiten?

Waar zijn ze?

Ik zie ze niet.

Ik, Tarzan en Vechter zitten de hele avond in de huiskamer. Alle deuren zijn gesloten en het alarm is geactiveerd. We kijken comedy’s op tv om de angst te verdrijven. De televisie staat zacht genoeg om elk geluid te kunnen horen.

Een paar dagen later hoor ik dat ze twee straten verderop een man hebben doodgeschoten. Koelbloedig in zijn auto. Eén schot. Toen nog een. En toen vier snel achter elkaar.

Geruchten over een oorlog tussen drugssyndicaten doen de ronde.

Ik ben opgelucht, maar zal dat nooit hardop toegeven. Ik betwijfel of je opgelucht mag zijn omdat een van hén het doelwit was.

Dat weekend wordt er in een park in de buurt een man gevonden, aan zijn nek opgehangen in een boom.

Een plaatselijke krant bespiegelt dat het weer om een drugsslachtoffer gaat. En dat de leden van de gemeenschap het recht in eigen handen hebben genomen. Dat ze bezig zijn om alle drugsbazen te pakken.

Als je het mij vraagt spelen ze met vuur. De gemeenschap.

Een buurvrouw stelt voor dat we allemaal onze hekken naar de straat toe afbreken zodat we kunnen zien wat er in de voortuin van de buren gebeurt. Ze is krankzinnig.

Ik ga met een vriendin uit eten. Ik zie hoe ze haar handtas op schoot vastklemt. Zij voelt het ook, denk ik. Het ligt niet aan mij.

Ik breng de warmst gemeten zomer ooit binnenshuis door. Ik, Tarzan en Vechter. De honden liggen op de tegelvloer in de keuken in een poging om af te koelen.

’s Nachts durf ik niet met het raam open te slapen.

Ze zijn nog steeds niet voor mij gekomen. Maar ik wacht. Waakzaam. Paraat. Altijd.

Want ze houden me in de gaten. Dat weet ik. Dat weet ik al een tijd.

Over de auteur:

Anneli Groenewald (Zuid-Afrika) is schrijver en journalist. Haar debuutroman Skaalmodel (2015) is het product van de Master Creatief schrijven aan de Universiteit van Pretoria en vertelt hoe een vissersgemeenschap in het dorpje Skipskop het veld moest ruimen om plaats te maken voor een raket-oefenterrein.

Over de vertaler:

Jente Rhebergen is freelance journalist en vertaler. Zij studeerde Afrikaans en Nederlands aan de Noordwes Universiteit in Potchefstroom.