Blog | , maart 21, 2021

Vertaling:

In het spoor van Frances

Laat me je iets vertellen. Ik ben een man op leeftijd, zestiger, alleenstaand.

Wel, ja, ooit was ik getrouwd maar daar zou ik het nu liever niet over hebben. Tegenwoordig doe ik de melkronde tussen Wagin en Lake Grace, wat me door schapenland en zoutmeren voert. Het was op een ochtend in februari, net toen ik Dumbleyung uitreed (da’s een grappige naam, niet? Dumble-yung. Probeer dat eens tegen jezelf te zeggen zonder glimlachen). Ik pikte een lifter op, een jonge vrouw met een vreemde zonnebril, een sjaal, en ze droeg een afgeleefde oude plunjezak. Het was nog maar 9.30 of 10.00 maar al erg heet. Je vergeet, zeker als je aan de kust woont, hoe heet het kan worden in het binnenland, zonder de zeebries – heet en droog overdag, met heel koude nachten.

Wel, deze jonge vrouw zei dat ze dwars door het continent aan het liften was, naar Sydney of naar Melbourne, ze had nog niet beslist. Maar ik wist dat ze toch een beetje in de war moest zijn want ze was compleet op het verkeerde spoor. De gewone weg is door Merredin, Southern Cross, en Norseman. Waar ik haar oppikte, net buiten Dumbleyung, gaat het alleen maar zuidoost, naar Esperance. Dat is niet de juiste manier om Australië te doorkruisen.

Dus ik vond het allemaal een beetje vreemd. Het was, kijkend naar haar zwarte zonnebril zonder ogen erachter, wel even door me heen gegaan dat ze gevaarlijk zou kunnen zijn. Misschien had ze een mes of een pistool in die plunjezak – je weet wel, een van die psychoten. Maar toen dacht ik, ach verduiveld, ik heb niet zo vreselijk veel te verliezen. Eerlijk gezegd, ik ben aan het staartje van het leven – bij wijze van spreken – en ik denk dat ik dat kan zeggen zonder te veel bibber in mijn stem. Ik zit in de laatste ronde van de wedstrijd, maar ik denk dat ik al mijn grootste hordes van zelfmedelijden genomen heb, ha! Want, echtwaar, je moet lachen, toch? Dat is wat ik geleerd heb tegen mezelf te zeggen als alles fout gaat en zinloos wordt – je moet gewoon lachen, want anders… Ik heb een hekel aan klagers, aan het type dat lijkt te klagen voor de kost. Die maar het gevoel hebben dat alles op z’n plek valt als ze klagen. Het eten dat ze eten, het weer, hoe ze eruit zien, of zich voelen. Ze denken dat ze orde of betekenis kunnen scheppen in de dingen door erover te klagen.

Ik laat de dingen liever min of meer zoals ze zijn. Ik geniet van mijn melkronde, vooral waar de weg smal en vloeiend wordt, daar waar hij door de zoutmeren glijdt. Je zou denken dat zoutmeren altijd wit zijn, niet, maar in de late herfst heb ik ze al roze gezien, magenta, bleekgroen, de kleur van roest, de kleur van pruimen. Blijkbaar heeft het iets te maken met het mineraalgehalte. Maar ik ben de draad kwijt van wat ik aan het zeggen was, niet?

Laat me je vertellen over Frances – dat was de naam van de jonge vrouw. Haar haar was als geel stro, zoals mijn moeder altijd zei; ongekamd, slecht verzorgd. Haar gezicht zag er moe en afgemat uit en ze had een afgebroken tand, maar haar kleren – een groen werkmanshemd, jeans, zwarte rijlaarzen – leken haar houding en bewegingen sterker te maken. Ze stutten haar, schraagden haar, maakten haar zelfs ronduit robuust. Ze zat in mijn bestelwagen en we kletsten. Ze praatte met me over runderen, vee, zuivelhandel. Ze zei dat ze een oom had met een Murray Grey fokbedrijf in de buurt van Albany, maar ze had hem in negen jaar niet gezien. Ze had het niet over de rest van haar familie en ik vroeg er ook niet naar. We praatten over zomeruur en waren het erover eens dat we goed genoeg zonder konden. Het brengt ook de koeien in de war – ik herinner me dat ik daarom grinnikte. We praatten over wagens, wagens en vrachtwagens en of een verzekering jegens derden de moeite loonde. Zij vond van niet.

Nu was het grappige van deze Frances – zelfs al was ze misschien amper 25 of 26 – dat ze me aan mezelf deed denken. Ze had de manier van kijken naar de dingen als van een bejaarde man. Ze kwebbelde niet of deed niet overdreven. Sommige lifters kunnen je zo het leven zuur maken, ze denken dat ze voor de rit moeten betalen met gebakken lucht. Telkens als onze conversatie stokte of stilviel en het draaien van de motor het enige geluid was in de cabine, was dat niet ongemakkelijk of gênant, het was als de stilte van een goede vriend, iets dat zeldzaam is, vooral bij een jongmens.

Het geval was dat we niet lang rust hadden. Zo’n 10 mijl voor Kukerin vulden onze oren zich met een vreselijk snorrend gegil, alsof de bestelwagen een woest beest was, aangeschoten en in vreselijke doodsstrijd traag stervend. Frances keek me aan, half lachend, en zei ‘Ah, ik denk dat dat de ventilatorriem is. Dat overkomt mij altijd als ’t zo heet is.’ Ze had gelijk, natuurlijk. Ik minderde vaart en we sleepten ons naar de Kukerin Golden Fleece. De nukkige motor moest eerst afkoelen voor iemand hem kon aanraken. We lieten hem sudderen in de schaduw van Peter Cox’ garage, en Frances en ik gingen het café ernaast binnen. Ze zag er niet uit alsof ze zwom in het geld, dus legde ik een roodgerugd biljet van 20 open en kocht ons bier en twee steaks met salade en friet.

Het café had groene tegels en was koel. Een televisie kwetterde wedstrijduitslagen in de hoek en mannen rookten en mopperden, spelend met hun viltjes en wisselgeld op de biermatjes. We hadden zo’n honger en wilden alleen maar eten (ons concentrerend op het snijden van onze biefstukken) dat we eerst niet veel praatten. In plaats daarvan luisterden we een gesprek aan de volgende tafel af. Een aannemer van afsluitingen was een woltransportarbeider aan het vertellen over verkeersdoden, en over een bijzonder slecht stuk rechte weg in de buurt van Newdegate waarvan bekend is dat chauffeurs er gehypnotiseerd raken en in slaap vallen. Frances en ik wisselden anekdotes uit, sterfverhalen van de weg. Met het bier in onze maag spraken we met een achteloosheid, genietend van de speelse morbiditeit van de conversatie. Frontaal waar een dronken kerel een hele familie uitroeit op de eerste dag van de schoolvakantie. Scharende semi-trailers. Motorrijders gedood door kangoeroes, noem maar op. Ik had zelfs gehoord van een reusachtige wigstaartarend, aasetend op de autosnelweg in de buurt van Caiguna, die door een voorruit ging en zich diep in de borst en buik van een of andere arme drommel boorde.

Ik bestelde een tweede rondje, en daarna een derde, en Frances kettingrookte. Ze was een gemakkelijk mens om mee te praten. Mijn tong kwam losser. Het bier en de rokerige warmte gaven me het gevoel dat ik niets te verliezen had met Frances wat dan ook te vertellen, dat de draden en het precieze borduursel van mijn leven konden ontrafelen zonder dat het me zou schaden.

Ik leef nu alleen, vertelde ik haar, op een plekje net buiten Wagin. Ik kan me vaag het gezicht van mijn vrouw herinneren – ze ging naar avondschool aan de Tech in de stad. Ik weet dat als ik nu ga winkelen, ik eten en voorraad in kleine hoeveelheden koop. De hoeveelheden worden steeds kleiner, en ’s winters is het me zelfs te veel moeite om hout te hakken voor mezelf. Het lijkt een verspilling van energie. Ik ben nooit overzees geweest. Weet je dat ik nooit sneeuw gezien heb? Ongelooflijk. Ik zal sterven zonder dat gezien te hebben! Na de oorlog had ik een vriend die wat mecanicienwerk deed voor een bedrijf dat graansilo’s maakte in Finland. Hij stuurde me enkele Kodak-kiekjes van witbedekte velden, ik heb ze nog. Hij zei dat het onmogelijk was, die koude, het maakte het leven onleefbaar. Maar soit, hij was altijd al onbetrouwbaar. Ik zag hem nooit meer terug. Ofwel trouwde hij daar in Finland, of kreeg hij een drinkprobleem, een van beide of beide tegelijk.

Frances vertelde dat ze geen vriendje had – helemaal niemand … Wel, de dingen zijn anders tegenwoordig, niet. Meisjes hebben geen vriendjes, kinderen hebben geen ouders, gekken leiden de regering.

Tien jaar terug, zelfs nog vijf jaar terug, zou ik perplex gestaan hebben van hoe de dingen nu zijn. Ik zou Frances gevraagd hebben wat ze hier in godsnaam aan het doen was, al liftend rondreizend in haar eentje, een jong meisje. Ik zou haar gezegd hebben ermee te stoppen, terug te keren naar haar familie, en snel een beetje, terug te keren naar school, een jurk kopen jezusnogaantoe. Maar …

Ik heb niet meer het recht om te oordelen; ik ben niet langer bevoegd. De wereld staat op zijn kop, regeringen moorden hun eigen burgers uit, en jonge mensen zijn ouder dan oude mensen. Jonge mensen hebben alles al gezien, ze zijn als zigeuners. Zodra ze dingen hebben, willen ze ze weggooien. Ik heb nog op kamers gewoond en in de huizen van vreemden overnacht, zelfs nog geslapen op de vloer van treinstations … dus ik weet wel een beetje hoe het is.

Er was zelfs een korte breuk in m’n leven, het duurde zes maanden of een jaar, dat ik alle houvast kwijt was en stuurloos rondzwierf, niet wist waarin of waaruit of waar ik stond in de wereld. Maar dat was maar een bepaalde periode, een onderbreking; mensen als Frances lijken permanent zo te leven. Het lijkt niet in haar op te komen doodsbang te zijn.

Ik hoorde een rinkelend geluid vlak achter me, en draaide me geschrokken om om daar Peter Cox’ duivelse grijns te zien. Hij liet te sleutels van de bestelwagen voor zijn ogen slingeren als een hypnotiseur en zei, ‘Ziezo. Helemaal beter nu.’

Frances vroeg om afgezet te worden aan Lake Grace. Al was dit technisch gezien het verste punt van mijn melkronde, toch zou ik haar met plezier nog verder gebracht hebben, naar Newdegate of Lake King, waar ze dan een andere lift had kunnen krijgen in de richting van Norseman – wat, zoals ik al uitlegde, de meer gebruikelijke route door de Nullabor is. Maar ze zei iets over een vriendin van de middelbare school die Joyce heette en die haar de lucratieve tijdelijke baantjes aanbevolen had die er te krijgen waren in Lake Grace, citrusvruchten plukken. Dit was wel de meest absurde variatie op de waarheid waar Frances die dag mee op de proppen was gekomen. Ieder zinnig mens kan je vertellen dat er in een omtrek van 100 mijl rond Lake Grace geen boomgaarden zijn. Maar ik zei er niets van. Het was al laat aan het worden, misschien had ik het niet juist gehoord, misschien had Joyce citrusvruchten verkopen bedoeld, misschien was Frances mijn gezelschap beu, maakt niet uit.

Ze klom uit de bestelwagen, ik gaf haar de plunjezak aan, en ze beloofde me dat we contact zouden houden. ‘Hoe stel je voor dat we dat doen?’ vroeg ik, ‘ik ben niet zo van de brieven, weet je, en ik hou niet van verjaardagskaarten, ze doen je alleen maar denken aan, je weet wel … je realiseren hoe …’ Ik stamelde, hoogstwaarschijnlijk rood tot achter mijn oren, dus klampte ik me vast aan de dichtstbijzijnde reddingsboei. ‘Kerstmis. Ik zal je iets sturen met kerstmis, om te vieren, een kaartje of wat dan ook.’ De toonhoogte van mijn stem ging de lucht in aan het eind van de zin, maakte er een grillig, zielig vraagje van, een miauwende smeekbede. Shit. Frances gniffelde en stampte opgewekt met haar voet in het stof, hangend aan het kader van de zijspiegel. ‘O nee, dat denk ik niet, ik doe niet aan –’ Ze stopte abrupt, ahumde en staarde naar iets in de verte, misschien een andere bestelwagen. Natuurlijk, jij sul, dacht ik bij mezelf – ze gelooft niet in God of Christus of kerstmis; de meeste jonge mensen niet, ze geloven nergens in, of alleen in drugs of sport of seks of auto’s. Hoe stom van mij om over kerstmis te beginnen, ik moet wel als een rare oude sok klinken, bazelend over scones, de oorlog, de goeie ouwe tijd, het moreel verval, en …

‘Nieuwjaarswensen.’ Frances’ stem schudde me wakker uit mijn verdwazing.

‘De beste wensen voor het nieuwe jaar, een paar woorden op een kaartje, één kaartje per jaar, dat moet lukken toch?’ Ik was te verrast om iets tegen te werpen. We wisselden adressen uit en weg was ze. Ik trok op in de grintberm, keerde de bestelwagen en reed terug naar Wagin, reed met de zonsondergang in mijn ogen.

Wat ik voorheb is niet gewoon een geval van seksuele jaloezie. Geilen op de lichamen van jonge meisjes heb ik altijd een beetje beneden mijn achting gevonden. Niet dat Frances onaantrekkelijk was; alleen is mijn waardigheid me te belangrijk. Ik ga me niet belachelijk maken – ook niet als ik alleen ben. Het is ook niet louter een kwestie van Ouderdom die Jeugd beweent, al zou dat al een beetje dichter in de buurt kunnen komen. Ze herinnert me wel aan hoe de dingen hadden kunnen zijn, aan de catalogus van onbeproefde mogelijkheden, mochten mijn vrouw en ik andere levens geleid hebben; mocht mijn vrouw niet gestorven zijn, of me verlaten hebben, of wat het ook was dat ze deed. Ik moet toegeven dat het me van de wijs bracht – het gooide mijn dagen overhoop. Ik weet niet meer wat ik met mezelf deed. Die hele periode blijft een zwart gat, alsof ik een kussen strak over mijn hoofd hield, alle gevoel dempend, de tijd vullend en het licht buitensluitend. Ik weet zelfs niet meer wanneer het was dat ik de hoorn van de haak legde, het huis verkocht en uit ons piekfijne huis in de buitenwijken van Perth vertrok om hierheen te komen, naar Wagin, naar de melkronde.

Ik stel me Frances voor in de grote steden aan de Oostkust, de bezienswaardigheden bezoekend, reizend, eten en wijn proevend waar ik nog niet van zou dromen, boemelend en slingerend onder nachtclublicht, het veld van de jeugd bespelend als het ware … Ik dacht alleen dat ze mijn gezelschap misschien meer op prijs zou stellen dan dat van de gladde jongens in de smogstad met hun hersenloze geintjes en hun onwelluidende muziek en het gebrul van hun opgedreven auto’s. Ik heb fantasie genoeg om te denken dat ik meer haar type ben.

Misschien laat ik mijn verbeelding te veel de vrije loop dezer dagen.

Frances en ik sturen elkaar elk Nieuwjaar kaartjes. Zij slaagt er altijd in het hare te laten aankomen in de week na kerstmis, zonder mankeren, wat geen kleine verdienste is als je de toestand van de postbediening in die tijd in acht neemt. Ik weet niet of de mijne haar zo vlot vinden, aangezien haar verhuizingen onverminderd doorgaan. Ieder jaar is er een nieuw adres en ik kan elk kaartje alleen maar sturen naar de postcode van het jaar ervoor; of het nu Melbourne is, Derby, Darwin, Singapore, of de Blue Mountains. Ze is alleszins een bewegend doel, en mijn zicht is niet meer wat het geweest is, heh heh!

Het meest recente kaartje viel in mijn bus precies vier jaar en tien maanden nadat ik Frances die lift naar Lake Grace gaf. Ze was in een stadje in Victoria, Aararat, had een baantje in een videoverhuurzaak (ik probeer op de hoogte te blijven van nieuwe apparaten en technologieën, weet je. De enige dingen die me echt verbijsteren zijn video compact discs! Waarom?). Ze was daar aangekomen in juni, en had snel daarna het baantje gevonden. In juli, zei ze, had het een hele week gesneeuwd, de heuvels waren wit, en de wegen moesten worden geruimd. Ze wenste me het beste. Sneeuw in Australië – wie had dat ooit gedacht? … alsof het Finland was.

Over de auteur:

Over de vertaler: