In machteloos fel verzet

Over van alle angst ontdaan van Hans Groenewegen (Wereldbibliotheek, 2011. 80 blz. €15,90)

 

Een vraag: waarvan dien je je te ontdoen om werkelijk te kunnen luisteren en lezen? Het antwoord: angst evengoed als verveling, drukte net zozeer als haast en euforie.

Je moet lezen opdat je meer dan woorden en zinnen gewaar wordt, namelijk een patroon van beelden en zinswendingen dat wijst op een manier van denken en voelen die eigen is, en die bemiddelt in de ervaring of de gebeurtenis van iemand, of misschien zelfs van iets.

Alsof er wat te kiezen valt. Waarschijnlijk niet, en moet je al enigszins ontdaan zijn, van de conventies in de eerste plaats, opdat zinnen tot je komen die niet geschreven werden met het oog op onmiddellijke herkenning. Zinnen die zich weigeren te voegen naar het bekende patroon – die blind mikken op het doelloze ervaren van wat zich te raden laat.

Maar geen mystiek of zelfstandige naamwoorden nu. Geen ontroering, geen avontuur, geen gebeurtenis. Dit, geloof ik, heet nog altijd: poëzie.

 

*

 

Zes afdelingen telt van alle angst ontdaan, de vierde dichtbundel van Hans Groenewegen, en elk van deze zes heeft een eigen karakter, een eigen geluid. Soms lijken ze wel van een andere dichtershand afkomstig.

Het herhalende, maar toch niet bezwerende ‘terugveringen’.

Het modern lyrische, opgewekte ‘jaarviering’.

Het in regels naar beneden vallende, sombere ‘patrimonium’.

De verzameling gelegenheidsdichten ‘toevallige verschijningen’.

Het prozaïsche ‘stemmen’.

Het zelf- en tegelijk tekstbewuste ‘einden’.

 

*

 

Een opsomming is een allereerste interpretatie, een verkenning van de vitaliteit van een bundel en dus ook dichter. Waarbij meteen het lichtzinnige idee postvast dat dit alles onder noemers kan worden gebracht. Dat is gevaarlijk, want al snel kan de taal smoren in begrip.

Wat in de eerste plaats opvalt is de taal van Groenewegen – zonder hoofdletters, zonder eindpunten, met een minimum aan leestekens. Met citeerbare, beeldende zinnen, maar evengoed zich over meerdere regels uitspreidende syntactische geledingen met een geheel eigen logica. Deze dichter beoefent een veelvoud aan genres, en vooral de variaties op die genres. Hij is vaak peinzend, begaan  met het einde en de onttakeling van alle leven, zoals in zijn eerdere bundels het geval was. Geestig is hij soms, maar nooit uitgelaten woorddronken lollig.

In tegenstelling tot de vorige bundel ontbreekt een verantwoording. Hans Groenewegen wint aan gezag.

 

*

 

Moet ik me ontdoen van wat ik weet, namelijk dat de dichter ernstig ziek werd terwijl hij de bundel schreef? Dat hij een hersenoperatie overleefde, dat zijn taalvermogen aanvankelijk leek te zijn aangetast? Misschien moet ik het voor me houden, zodat die ene betekenis niet alle andere gaat wegdrukken bij de naïeve of sentimentele of zwakke lezers (U?) die dit hier lezen. Bij de presentatie van van alle angst ontdaan leek daar een consensus over te bestaan. Men zweeg over de overkomen ziekte als het graf. Toen leek dat kies en terecht, maar nu ik de gedichten zelf gelezen heb, weet ik dat ze het lijden kunnen. Ze zijn sterk genoeg elke lezer te weerstaan.

 

*

 

Welk idee moeten worden losgelaten zodra ik het eerste gedicht lees zoals het moet? Grimmig vrolijk klinken deze eerste twee strofen:

 

een dood schommelt aan zijn vleugelpennen

aan de schors, in het schommelen

schampen zijn eeltzolen celwanden

nu en dan slingert hij zich loom

naar een andere schorsrand en schommelt

 

Natuurlijk: hersenschors, woekerende cellen… De context lijkt vast te staan. Maar wat opvalt is toch vooral wat daar doorheen schiet, of liever valt, als zo’n ladder waarop een kabouter van de ene trede naar de andere schommelt, tot hij helemaal beneden is gekomen – kom, wat is het woord nu? – waarna het hele geval weer wordt omgedraaid. Hoe soepel glijdt het allemaal naar beneden, op die lekker s-klanken, met de twee dactyli ‘eeltzolen celwanden’ waar het ons ontglipt.

Een Jakobsladder, is dat het woord? Zo’n geval dat je omkeert zodat het opnieuw begint. Precies als het gedicht dat je steeds opnieuw zult lezen. Soepel en stokkend, dat sluit elkaar niet uit, want bij elke trede, dat wil zeggen elke strofe, is er een klein oponthoud, en de dichter biedt met komma noch punt een uitweg uit de aarzeling. Vanaf het schommelen wordt de val ingezet, door middel van inversies en natuurlijk de afgronden van de witregels tot aan een laatste, lange regel (‘veert hij door alle ineenkrimpende vliezen terug in de schors’): een duikplank waarop de doodsengel of doodgewone meeuw zich afzet, opspringt en terugveert naar het begin. Zo levendig als maar zijn kan.

 

*

 

Er staan in deze eerste reeks meteen al een paar gedichten met een toekomstig klassieke status – voer voor verzamelbundels en bloemlezingen. Een ervan is beslist ‘Zie ze’, een wervelend gedicht over, zo lijkt het toch, wat beeldcultuur wordt genoemd, op zijn Paul van Ostaijens geschikt. De neiging is groot om het hele gedicht te citeren, dat in opschuivende regels verschuivende betekenissen poneert: ‘de beelden, ze blijven herhalen’.

Wat is een gebeurtenis, dat vraagt het gedicht zich af. Het antwoord lijkt te luiden dat het beeld is of de beelden zijn die ‘ze’ maar blijven herhalen, al is niet duidelijk wie met dat ‘ze’ wordt bedoeld – de zenders, de mensen, of de beelden zelf? Het gedicht poneert en problematiseert de bezitsrelatie tussen beeld en gebeurtenis, met name in de frase ‘elk beeld, z’n gebeurtenis’. Want het beeld bezit de gebeurtenis natuurlijk niet, zo’n beeld is eerder zelf een gebeurtenis die onopgemerkt ‘verbeeld’ wordt, en weer herhaald, en zo betekenis krijgt toebedeeld en stolt, en van blijvende herhaling verwordt tot een uitdovende gebeurtenis.

Maar nu komt het probleem. In de laatste strofe, gekenmerkt door de vele w’s, als een allusie op het wereldwijde web, staat een formulering, waarin ik weliswaar een regel uit het gedicht ‘In de kwal roept de zee’ van Tonnus Oosterhoff terughoor (‘wie of wat komt niet op de gedachte zich te bevrijden’), maar die ik voorlopig niet begrijp:

 

welk van de mensen wil niet gebeuren

wie wil een gebeurtenis

waarvan de woorden afbladderen

wil gebeurtenissen

waar woorden van afglijden

waarin ze gebeurloos verdwijnen

 

Als dit een moralistische kritiek is op de massamens die zich koestert in het koude vuur van de beeldherhaling, waar de woorden van afbladderen of -glijden, hoe verhoudt de dichtregel zich dan tot die herhaling van beelden? Is zij de ware gebeurtenis? Of, anders gezegd: kan zij de ware gebeurtenis van woorden, als van een nieuwe lik verf, voorzien? Hans Groenewegen, vermoed ik, zou zeker niet terugdeinzen voor moralisme, al klinkt het in poëzie machteloos – maar misschien gaat het hier daar juist wel om.

De dichter is in ‘machteloos fel verzet’ verwikkeld, zoals het elders in de bundel luidt. Hier, in ‘zie ze’, klinkt het allemaal ten slotte verdacht retorisch, met dat herhaalde ‘wie wil’, dat maar één antwoord lijkt open te laten, namelijk:  niemand.

Opnieuw wordt de vraag gesteld. Willen we eigenlijk echt wel een gebeurtenis? Willen we, wil ik, gebeuren? Het klinkt opeens omineus, het lijkt nog maar de vraag of we in moeten stemmen met dat voorstel. Nee, we willen niet gebeuren, we willen zijn en worden en overkomen, maar gebeuren, nee, liever niet.

Eerder in deze reeks plaatst Groenewegen de regel ‘wat ik ben / welt uit mijn nissen en overkomt me niet’. Dit schept de mogelijkheid om gebeurtenis te lezen als de gebeurte-nis: de ruimte die rond iets (het gebeuren) gevormd wordt, als een uitsparing in een dikke muur. Daar bladderen en glijden de woorden van af, misschien omdat het gewoon niet anders kan.

*

 

Taal die een gebeuren wil beschrijven dat niet te vatten, niet vatbaar is volgens de vaste schema’s – is dat de taal die Hans Groenewegen nastreeft? Een soort mystiek van de verdwijning? De reeks ‘patrimonium’, over het vaderlijk erfgoed, misschien hier wel juist het erfgoed van de vader zelf, begint met een gedicht dat afwisselt tussen een reeks zelfstandige naamwoorden en steeds langer wordende zinnen. Een afwisseling, zou je kunnen zeggen, tussen gebeurtenissen en gebeurloze verdwijningen. Die laatste, aan ‘zie ze’ ontleende term, is een goede omschrijving voor de syntactische ontsnappingen die hier op touw worden gezet. Ik citeer het volledige gedicht:

 

onthuifd. voordat wat er nooit was er is.

vatbaar. het wel willen wachten zou in hem

zijn vrijgemaakt. waarop. op ongeduld.

 

hoelang houden de vezels van de lucht het nog

onder zijn volhardend krabbend slaan. wat balt

zo obsceen machteloos in hem samen. verdoken.

 

waarvandaan dit sidderen, vanwaar het woeden

van de adem om zijn hart. wat ritselt als hij rust

 

tussen zijn willekeurig trekkende vingers door

koel in mijn geopende hand daaronder en verstuift

 

Het einde staat hier letterlijk aan het begin, met dat desolate neologisme, het voltooid deelwoord ‘onthuifd’ – onthuiden, dat noemt mijn Van Dale wel. Aan het slot wordt dan een nieuw begin genoemd, met het actieve werkwoord ‘verstuift’. Daartussen de echo van het vallende, worstelende vleugelwezen uit het eerste gedicht, terwijl het gedicht zelf weer vooruitloopt op het laatste gedicht in deze reeks (‘patrimonium’), een reeks die zich tot de vader zelf lijkt te richten. Degene die hier als een hulpbehoevende, trillende maar woedend vechtende man verschijnt. Het is iemand of iets waar je amper zicht op kunt krijgen, het is onthuifd maar toch verdoken. Het ontsnapt, alweer. b.v. de dood.

Het leven.

Over de auteur:

Daniël Rovers (1975) is schrijver en essayist. Hij publiceerde de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt, en de verzameling reisverhalen De zon is het probleem niet. Als romancier debuteerde hij met Elf, gevolgd door Walter. In 2017  verscheen de roman De waren.