thema:

Meer blinde vlekken dan kwade wil

Als kind kreeg ik weleens te horen dat het Indonesisch een hele makkelijke taal was, je hoefde alleen maar overal een u achter te zetten. Lampu voor lamp, buku voor boek, kartu voor kaart. Daarnaast had je natuurlijk ook nog de grappige verbasteringen, zoals bir voor bier, lim voor lijm en ronduit gejatte woorden als asbak en injeksi.

In zijn boek over de bezetting en dekolonisatie van de Indonesische archipel noemt David van Reybrouck (1971) de Nederlandse leenwoorden in het Indonesisch de ‘woordenschat van keukenmeiden en kantoorklerken’. Dit lijkt me een nogal nauwe omschrijving, zeker voor een auteur die zijn lijvige werk de pakkende titel Revolusi heeft gegeven.

Een leenwoord lijkt een hiaat te vullen, als kind moest ik blijkbaar geloven dat Indonesië een primitieve woestenij was voordat de Nederlanders er arriveerden, een plek zonder lampen of boeken, zonder bier of medische wetenschap. Zelfs toen het land zelfstandig wilde worden waren de revolutionairen afhankelijk van de taal van hun gehate kolonisator, getuige woorden als reformasi, revolusi en imigrasi. What have the Dutch ever done for us?

Kolonialisme is geïnstitutionaliseerde psychopathie, een werkelijk duivels fenomeen waar nooit meer dan een minieme economische en bestuurlijke elite van profiteert. Geweld, uitbuiting en onrecht vanuit een nietsontziend racisme vormen de pijlers waarop kolonialisme rust. De rustplaatsen voor de ontelbare en ongewroken slachtoffers van deze voortgaande terreur zijn overvol en oorverdovend.

Vooralsnog overheerst in Nederland de trots wanneer het vergane wereldrijk in herinnering wordt geroepen. Dit is geen kwestie van nostalgie, 26 procent van ondervraagde Nederlanders verlangt in het hier en nu nog altijd naar heerschappij over de voormalige overzeese gebiedsdelen. Koloniale mogendheden als Frankrijk, België en zelfs Groot-Brittannië worstelen statistisch opvallend veel meer met schaamte en schuld. Van Reybrouck plaatst zijn verwondering over deze opmerkelijke Nederlandse houding aan de basis van zijn boek. Hij schrijft dat Revolusi ‘wil samenbrengen wat tal van historici met grote kennis van zaken hebben uitgezocht, maar van wie de bevindingen niet altijd tot het grote publiek zijn doorgedrongen’. Algemene onwetendheid, lijkt Van Reybrouck te betogen, is de meest ingrijpende oorzaak voor statische ideeën over koloniale erfenissen. Zijn boek wil de historische verstandhouding tussen Nederland en Indonesië dus op zo’n manier samenvatten dat zo veel mogelijk mensen er kennis van kunnen en willen nemen.

Om zo’n gevoelig onderwerp populair te krijgen kan Van Reybrouck allesbehalve roekeloos te werk gaan. Zijn boek is ook als een lange verantwoording te lezen, als een volgehouden verdediging van zijn recht deze geschiedenis te mogen ontsluiten. Als Belgische buitenstaander moet Van Reybrouck zijn boek verdienen en dat maakt hem behoedzaam en berekenend.

Revolusi is duidelijk herkenbaar als publieksboek. De toon is monter, vriendelijk, tegemoetkomend. Het is niet de bedoeling dat er gaandeweg al te veel frictie of discussie ontstaat, dat welwillende lezers afhaken om vermoedens van vooringenomenheid bij de auteur. ‘Dit gaat vaker om blinde vlekken dan om kwade wil, vermoed ik.’ Van Reybrouck blijft de schuldeloosheid van onwetendheid benadrukken, met deze tactiek hoopt hij ruimte te creëren om toch op z’n minst de voor Nederland onontkoombaar negatieve feiten en cijfers te kunnen communiceren. Daarbij positioneert hij zich als iemand die het materiaal onbevangen bejegent. Door spreektaal in te zetten, met talrijke uitroep- en vraagtekens voor extra verbijstering of verrassing, wil hij niet te ver op de lezer vooruitlopen, zeker niet het vermoeden wekken boven haar te staan. Een eventueel besef over de destructieve invloed van Nederland op zijn Indonesische wingewest lijken auteur en lezer samen te moeten bereiken.

Ook volgens de regels voor het publieksvriendelijke boek hanteert Van Reybrouck voor de hand liggende beeldspraak, clichébeelden en, inmiddels verplicht voor dit genre, aan fictie ontleende narratieve technieken. De gebezigde stijl verschaft een inkijk in heersende opvattingen over de intellectuele, politieke en emotionele reikwijdte van de algemene lezer. Verteller en personage Van Reybrouck, die over land en zee zijn bronnen opzoekt, als een soort middenmens zijn voorstelbare gevoelens ondergaat tijdens een ontdekking of interview, regelmatig zijn ijver en moeite benadrukt, lijkt zich steeds binnen onzichtbare lijnen te bewegen om maar toegankelijk en betrouwbaar te blijven. De auteur als opzichtige pragmaticus: dit is de tijd waarin we leven.

Van Reybrouck laat de onverbiddelijke woorden uiteindelijk aan de mensen die hij spreekt, wier getuigenissen hij vastlegt om de uitstrekkende historische bewegingen die hij schetst te staven en te verlevendigen. Opgediepte herinneringen van hoogbejaarden, Indonesiërs en Nederlanders en alles daartussen, veteranen, overlevenden, Ghurka’s en Japanners, Duitsers zelfs, soms is Van Reybrouck nog net op tijd, soms niet, het is prijzenswaardig en waardevol dat hij een breed net uitwerpt om deze laatste stemmen van betrokken partijen te vangen. Toch zou ik na een bezoek door Van Reybrouck de volgende zin niet graag over mezelf willen lezen: ‘Alledaagse mensen hebben zoveel te zeggen.’ Deze wat neerbuigend gestelde bewering sluit aan bij de hiërarchie die Van Reybrouck aanbrengt tussen anonieme ervaring en beroemde invloed. ‘Elk leven, hoe onopvallend ook, weerkaatst het licht van de geschiedenis.’ Alledaags, onopvallend: in Revolusi staan de vele gehoorde getuigen het grote verhaal bij, ze weerkaatsen slechts, Van Reybrouck promoveert hen niet tot actors van de geschiedenis, die rollen gaan als vanouds naar de fameuze namen, naar de Coens en de Daendels’ en de Diponegoro’s en Soekarno’s, de mannen die van bovenaf leven en lot bepalen.

Het licht van de geschiedenis: vermoeide metaforen lopen het risico restricties op te leggen, het denken te beperken en daarmee ook de ruimte voor alternatieven. Van Reybrouck wil een handzaam monument oprichten, een acceptabel correctief aanbrengen in collectieve denkbeelden over de belangrijkste voormalige Nederlandse kolonie, maar voor het slagen hiervan is hij gedwongen naar behoudende ideeën en inzichten te grijpen. Zijn veelvuldige inbreng van de pakketboot, volgens de auteur ‘de beste samenvatting van de koloniale samenleving’, is een voorbeeld van een helder en aantrekkelijk beeld dat de geschiedenis simplificeert en afdicht. De metafoor van de pakketboot accepteren en propageren is een koloniale verdeel en heers nakwaken. De drie bezongen dekken met al hun dwarsverbanden en fijnmazige sociale verstandhoudingen hebben namelijk nooit bestaan. Hoezeer vooral Indo’s op sociale mobiliteit hoopten, de pakketboot kende uiteindelijk maar één dek en witte wetten voor de rest, het misverstand zorgde voor een nuttig en corrumperend spartelen vanaf de bruine kant. Van Reybrouck voert Tjalie Robinson (‘een van de scherpste pennen van die gemeenschap’) op als de uitzonderlijke figuur die de dekverdeling minder serieus nam: ‘Als hij geen ticket kreeg, riep hij uit: “Maar ik bén ook geen Europeaan.”’ Tjalie begreep het.

Ook is het spijtig dat Van Reybrouck, die duidelijk sympathiseert met de getalenteerde en avontuurlijke Indonesische hoofdfiguren die vrijheid en zelfbeschikking najagen, zich weinig anders dan de natiestaat kan voorstellen als climax voor zijn vertoog. Let op deze introductie van Soekarno: ‘En vanaf 1916 betrok in dat pension een schuchtere vijftienjarige jongen een piepklein kamertje zonder raam of matras. Vijf jaar lang bleef hij er slapen op een mat van gevlochten gras.’ Schuchter, piepklein, vijf jaar, gevlochten gras: gekunsteld proza voor een set-up waar Hollywood zich niet voor zou schamen. Van Reybrouck geeft Indonesië een heuse origin story, waarin hoop en tegenslag elkaar betekenisvol afwisselen, toeval en noodlot zich laten gelden, waarin kennis van de uitkomst van het verhaal de functie en het handelen van de personages bepaalt. ‘En zo begon de geschiedenis van het op drie na grootste land ter wereld: op een zonnige vrijdagmorgen in augustus, om tien uur ’s ochtends, met een handjevol vermoeide mensen, bij het hijsen van een zelfgestikte katoenen vlag. Nederland wist van niks.’ Nederland wist goed dat je een volk een eigen natie kunt gunnen, zonder het werkelijk zijn vrijheid te geven. Het reactionaire idee van de natiestaat is de vijand van elke revolusi. Van Reybrouck eindigt zijn geschiedenis in het midden van de jaren vijftig, wanneer zijn narratieve aanpak stuit op een Indonesische realiteit van crisis en onderdrukking en hij niet meer verder kan zonder zijn eerdere benadering te bekritiseren.

Het restrictieve kleeft ook aan Van Reybroucks inzet van oral history. Hoe hartroerend en kostbaar ook, getuigenissen kunnen vanwege hun directheid en hun vermeende authenticiteit niet gehoorde getuigen overstemmen. Het gevaar ontstaat dat wie niet aan het woord komt niet heeft bestaan en daardoor de mogelijkheid ontbeert om gerechtigde aandacht en empathie op te eisen. Het verschil in overlevering tussen de Grote Postweg en de Birma-spoorweg is daar een voorbeeld van. Van Reybrouck noemt het slachtofferaantal van de vroeg in de negentiende eeuw aangelegde Postweg (circa 12.000 doden), maar omdat geen enkele Indonesische dwangarbeider hierover zijn verhaal kan doen, blijft het een korte, ambtelijke buikstomp. De Birma-spoorweg daarentegen krijgt wel getuigenissen toebedeeld, van mannen die Ton en Felix heten, hun ontberingen winnen met elk persoonlijk woord aan geldigheid en gewicht, Van Reybrouck laat de koloniale stem het narratief kapen. En dan sterven er aan de Birma-spoorweg ook nog eens vier keer meer Aziatische dwangarbeiders die niet vier keer meer gehoord worden, waardoor het verschil in positie van de verschillende slachtoffers steeds pijnlijker begint te wringen.

Nu heb ik me vooral over het hoe van Revolusi gebogen, merk ik, het wat dreig ik daaraan ondergeschikt te maken. Ik vrees dat verdriet en vertwijfeling deze terughoudendheid veroorzaken. De geschiedenis van Indonesië, de bindende Nederlandse rol daarin, alle moedwillige verwoesting en onderdrukking, het kwellende gebrek aan verantwoording, de nasleep die nog altijd zo veel levens fnuikt: mijn persoonlijke geschiedenis is met dit alles te indringend verbonden, voor mij werkt een boek als Revolusi niet op het niveau van de ontmaskering.

Revolusi presenteert meer dan voldoende verwijtbare gruwelijkheden om de vervlogen kolonie te ontdoen van positieve connotaties, na lezing ervan is Indië niet meer vol te houden. Er zullen genoeg mensen zijn die het boek als een schande beschouwen, als een verzameling gekleurde, linkse leugens. Voor die kringen van kwade trouw zal elke nuancering op het grootse dat daar ooit werd verricht verboden blijven.

Mijn lezing van het boek lijdt onder mijn ongeduld, onder mijn verlangens naar een activistisch heden, naar een acceleratie van sociale ontwikkeling.

Van Reybrouck roept Jan Peter Balkenende in herinnering die in 2006 tijdens de Algemene Beschouwingen de goede moed wil opwekken door vermanend naar de ‘VOC-mentaliteit’ te verwijzen. Na wat rumoer in de Tweede Kamer lijkt het zelfvertrouwen van de premier in te zakken, de ontstane sfeer legt hem een onvast ‘Toch?’ in de mond. Van Reybrouck: ‘Over dat “toch?” gaat dit boek.’ Dat vind ik te karig, te voorzichtig, te optimistisch wellicht. Vijftien jaar na Balkenendes ‘Toch?’ heeft ook Nederland zich verder ontwikkeld. Zou premier Rutte nu de VOC in de Kamer aanhalen, dan wacht hem eerder bijval dan hoon.

In de epiloog van Revolusi gebeurt iets wonderlijks. Na vele honderden pagina’s lang de min of meer beheerste verteller te hebben gespeeld verandert Van Reybrouck van toon en verandert hij in een vurige klimaatcriticus: ‘het ergste ligt misschien niet achter ons, maar vóór ons. Wij gedragen ons als de kolonisatoren van de toekomstige generaties, wij ontnemen hun hun vrijheid, hun gezondheid, misschien zelfs hun leven.’ Het is een stemmingswisseling, strijdbaar en geëngageerd, waar ik volledig van opveerde. Maar net als de weifelende premier lijkt de auteur zijn oprisping gauw weer te moeten relativeren en hij laat zich afleiden door de aanblik van oplichtend plankton en de reflectie van sterren in zee: ‘wiegend in de nacht, dolend door de eonen, met of zonder mens.’ Het moment is voorbij.

 

David Van Reybrouck. Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld. 640 blz. De Bezige Bij, 2020

Over de auteur:

Gustaaf Peek is schrijver van romans, essays, gedichten en films.