thema:

Mijn Amerikaanse biografie

Vertaling:

Toen ik in 1960 in een provinciestadje werd geboren, hadden Sovjetsoldaten net het vliegtuig van de Amerikaanse spion Powers, dat de intieme delen van ons grote land bestudeerde, neergehaald. In de Pravda had iemand het Vrijheidsbeeld getekend, omringd door zwarte haviken met de officierspetten van het Pentagon. In hun klauwen hielden ze bommen. Mama dacht net als de andere vrouwen van het stadje dat deze gebeurtenis het begin van de oorlog met Amerika zou zijn. De maand mei kwam eraan, de meest geschikte periode om maïs te zaaien, maar alle mensen bespraken de verklaring van Chroesjtsjov gericht aan De Gaulle, Macmillan en Eisenhower. In afwachting van de meest vreselijke dingen verbleekten alle ongemakken van het leven. Niemand besteedde aandacht aan de rommel in de door mijn ouders gehuurde kamer van het houten huis; het bleef zelfs onopgemerkt dat ik luizen uit de kraamkliniek had meegebracht. Hoewel het de Sovjetleiders duidelijk scheen dat we niet om de tafel moesten met agressors, schoven ze kennelijk toch aan; Powers ruilden ze later tegen een van hun collega’s. Gewone mensen weten niet hoe zulke uitwisselingen plaatsvinden maar ik stel ze me voor als een scene uit de film “Funeral in Berlin”.*

Vader was toen nog ruimhartig en liet mama naar de bioscoop gaan. Ze had geen speciale voorliefde voor de bioscoop, maar ze had kennelijk van tijd tot tijd heimwee naar verre landen, elegante kleding, kortom naar een andere sfeer. Mama werkte in de keuken van de stationsrestauratie. Als ze naar huis ging, deed ze zelfs in de winter geen muts op om onderweg de geur van zonnebloemolie te laten verdampen, die in haar haren getrokken was door het dagelijkse bakken van donuts. Toen ze een keer op zondag uit de “Grote Caruso” kwam, struikelde ze op het hobbelige trottoir van de hoofdstraat, viel ongelukkig en brak haar arm. In het ziekenhuis werd duidelijk dat de arm geopereerd moest worden omdat het een open breuk was. De termen van traumatologen heb ik altijd te direct gevonden; een open breuk stel ik me voor als een Petersburgse brug die ’s nachts opgehaald wordt. Toen het de arts ter ore kwam dat thuis een drie maanden oude zuigeling achtergebleven was, onderzocht hij onmiddellijk mijn moeders boezem en verkondigde om een of andere reden in het meervoud: “Met die hoeveelheid melk zullen we Amerika niet inhalen.” Daarom bleef mama in het ziekenhuis en gaven ze mij weg aan mijn grootouders om op te groeien in een nog kleiner stadje.

Toen ik groter was dan de papavers die in de moestuin bij het huis groeiden en niet meer op een speen sabbelde, kreeg ik belangstelling voor de over het erf voorbijflitsende mensen, ‘buren’ geheten. Op de bovenste verdieping van het huis woonden Russische officieren, met toestemming van de Sovjetmacht. De rechtbank had aangetoond dat mijn opa het huis onrechtmatig had verkregen, aangezien de Joodse eigenaar de documenten had vervalst. De door een notaris bekrachtigde papieren heb ik nog steeds. Zo nu en dan vind ik het leuk om met mijn vinger over de vergeelde plattegrond te gaan, me de gangen van het huis voor de geest te halen en het kleine kamertje te vinden waarin een bebaarde dwerg placht rond te spoken; daar, herinner ik me, stond een door roest aangevreten zoutvat. Toentertijd vonden in de stad enkele soortgelijke processen plaats en na die zich eindeloos voortslepende kwesties werd het huis bevolkt door buren met revolvers. Over de rechtszaak kon mijn grootvader niet spreken zonder te trillen van woede, maar soms dronk hij met die officieren een fles zelfgestookte drank op de benedenverdieping van het huis. Zij noemden opa beslist niet onvriendelijk ‘vadertje’, maar hij wachtte vol ongeduld op de avond, deed dan de radio aan en luisterde naar het nieuws dat begon met de zin: ‘De Stem van Amerika spreekt tot Litouwen.’ Ik begreep maar niet waarom oma dan meteen de ramen bedekte, de luiken vergrendelde en opdracht gaf om fluisterend te praten. Ik heb nooit vreselijke dingen op de radio gehoord. De prettige stemmen van een man en een vrouw berichtten over belangrijke ontmoetingen van Kennedy, zijn zorgen om Ecuador. Hij herhaalde voortdurend dat de banden tussen Amerika en de Sovjet-Unie niet alleen belangrijk waren voor zijn eigen land maar voor de hele wereld. Zonder er iets van te begrijpen, alleen maar kijkend naar het wisselende groen van het oog van de radio, luisterde ik naar het nieuws en stelde me later voor dat het Vrijheidsbeeld met zulke ogen moest schitteren.

Op vrijdag nam opa gewoonlijk een bad. Na het baden knipte hij de haren af die uit zijn neus staken, sneed met een zakmes het eelt van zijn hielen en gooide dat in een la. Daarna trok hij een van tevoren over een stoel geworpen schone onderbroek aan en ging zitten om melksoep te eten. Hij ving met zijn lepel de klodder smeltende boter en zuchtte tevreden één woord: ‘Amerika…’ Kijkend naar die klodder boter begon ik te begrijpen dat het in Amerika was zoals het in de wereld zou moeten zijn: schoon, overvloedig en rechtvaardig. Niet zoals in ons huis waar eelt in de tafellade werd gegooid en op de eerste verdieping buren met revolvers woonden.

‘Waar ligt Amerika?’ vroeg ik op een keer aan opa, omdat ik zijn zucht van gelukzaligheid ten volle wilde begrijpen.

‘Daar’, met zijn rechterhand de soep lepelend, wees hij met zijn linkerwijsvinger, met in zijn hoofd kennelijk de andere kant van de wereld, naar de vloer. Misschien omdat hij zijn vinger ooit verwond had en deze onder een hoek stond, bleef de locatie van Amerika mij onduidelijk. Tot aan zijn dood toe. Alsof het opa behaagde met dit geheim in de kist te liggen en met het oogverblindend witte overhemd dat naar het stadje gestuurd was vanuit Amerika door een ooit daar naartoe geëmigreerde neef.

Als ik op school Noord-Amerika bestudeerde, dat leek op een aan de poten opgehangen haan, herinnerde ik me opa’s naar de vloer gerichte wijsvinger. Nadat die vinger de aardkorst had doorboord, dook hij de diepte in en klom er aan de Atlantische kust weer uit met onder de nagel het zand van de stranden van Miami.

Het scheen dat vader ons net in die tijd begon te verlaten. Ik zeg ‘begon te verlaten’ omdat alleen cynici hun gezin op stel en sprong verlaten. Vader was een romanticus: hij schreef gedichten, verzamelde herbaria en leed aan tuberculose. Als hij besloten zou hebben om dichter te blijven, zou alles misschien goed afgelopen zijn, maar hij wierp zich op het schrijven van proza. Ik ben ervan overtuigd dat mensen alleen dan schrijven wanneer hen niets anders meer rest. Vaders enige verhaal ging over zijn alleen literair goed te verwoorden eenzaamheid. De hoofdpersoon, een eenzame dromer, slaat de banaliteiten van het leven van een afstand gade: ‘Door het kamerraam ziet hij de straat. Die is dichtbij omdat het grasveld voor het huis vrij smal is. Het huis, een vaalbruin, ongeverfd, bescheiden, één verdieping tellend gebouw, is ook niet groot en gaat bijna geheel schuil achter kattenstaarten, stokrozen en jasmijnstruiken.’ Ik heb het altijd sneu voor vader gevonden vanwege die kattenstaarten. Hij, als verzamelaar van herbaria, had die planten van natte gebieden kunnen vervangen door willekeurig welke andere. De redacteur stond al op het punt het werk in de plaatselijke krant af te drukken toen zijn oog op de kattenstaarten viel, en aangezien hij op dat moment Faulkners Licht in augustus las, herkende hij enkele zinnen die, net als de geciteerde, in hun geheel uit dat boek waren overgeschreven.

Direct na die gebeurtenis verdween vader. Een maand lang deed hij alsof hij een longkuur onderging in een beroemd sanatorium, maar hij kwam alleen terug om zijn boeken op te halen. Overhaast (kennelijk was hij bang om mama na haar werk tegen te komen) stopte hij ook Faulkner, die hij van buiten kende, en mijn verhalenboeken in zijn koffer. Ik hield er niet zozeer van om ze te lezen, als wel om de kleurige prenten te bekijken, en als er niemand thuis was, werd ik al bladerend soms overvallen door angst. Het was alsof de heks met het oranje haar, de draak met de drie koppen op een afzichtelijke nek tot leven kwamen en met hun afbeeldingen nog in het boek achter mijn rug opdoken.

De zomer daarna ging ik met een oudere nicht naar het Jeugdpark om rond te draaien in het reuzenrad. Toen we op het allerhoogste punt waren aangekomen, waar het net lijkt of je alleen in de lucht hangt, keek ik, in plaats van met mijn blik het kleine stadje te omvatten, naar beneden en zag daar mijn vader, die met zijn tweede vrouw over een paadje liep. Op datzelfde moment brak mijn gondel af en viel langzaam, alsof het geen stuk metaal was maar een door oma voor moeder genaaid veren dekbed, naar beneden recht op het wandelende paar af … Later, voortdurend hunkerend naar zo’n droombeeld, droomde ik vaak dat ik viel; mama streek mij dan over het hoofd en zei dat dat niet erg was. Alle kinderen dromen dat ze vallen, dat betekent dat ze groeien.

Op school onderscheidde ik mij van de elite van de klas doordat ik geen vader en geen spijkerbroek had. Over mijn vader heb ik al verteld, spijkerbroeken droeg ik om verschillende redenen niet. Ten eerste had moeder geen geld om ze te kopen en ten tweede houd ik niet van een strak omspannen achterwerk als dat niet op een fiets of een motor zit. Niet alle klasgenoten kochten die broeken op de markt, vaak werden ze gestuurd door verwanten uit Amerika. De spijkerbroeken droegen ze af totdat ze zo wit waren als een emaillen kom, vervolgens knipten ze ze in stukken en verkochten de lappen voor verstelwerk. Hoewel Gvidas ook geen vader had, droeg hij wel een spijkerbroek. Hij liep rond met zijn duimen in de nauwe zakken en keek naar iedereen alsof achter zijn rug een gespierd paard brieste. Daarnaast geloofde hij niet in God. Niet omdat er, zoals in de schoolboeken stond, geen God is maar omdat niemand hem het bestaan van een hogere macht had aangetoond. En toen Armstrong en Aldrin uitstapten op de maan, hing het thema God Gvidas ronduit de keel uit. Ik herinner me goed hoe oma in de keuken bij het raspen van de aardappels bad dat opa niet zou drinken, dat moeders hand, die na de breuk nog steeds pijn deed, zou genezen en dat die windbuil van een vader ons niet zou verlaten. Hoewel God niet één verzoek inwilligde en ik met mijn hoofd in mijn nek het zweet van zijn voeten niet kon ruiken, geloofde ik in de Voorzienigheid, niet in Gvidas. Op een keer verloor hij zijn geduld en vertelde me hetzelfde als waarover mijn oudere nicht het had gehad, over de Ganges. Door die heilige rivier in India waden dwaze gelovigen die ongeneeslijke wonden willen laten genezen en dan, nog erger geïnfecteerd, overlijden. Zulke feiten kon ik met geen enkel argument weerleggen. Ik zat met betraande ogen in de schoolbank en zweeg. Gvidas deed het raam van het klaslokaal open, sprong in de wei, plukte voor mij beide armen vol met melkdistels en overhandigde het boeket met een vorstelijk gebaar aan de winnaar. De lerares maakte met rode inkt een aantekening over baldadig gedrag in zijn rapport, hoewel hij voor de les de afdrukken van zijn kleine voeten van de vensterbank had geveegd. Over God streden wij niet meer en we begonnen onze verjaardagen samen te vieren. Korte tijd later werd Gvidas geadopteerd door de tweede echtgenoot van zijn moeder, een heel goed mens, een officier. Op een van die verjaardagen gaf Gvidas mij een door hemzelf in hout gebrand schilderijtje met een klein huisje, een put en een tsjilpende mus op het hek cadeau, en zijn stiefvader nam ons mee om ons echte militaire vliegtuigen te laten zien. Tot die tijd wist ik niet eens dat er in ons stadje een luchthaven was. De vliegtuigen waren klein, geschilderd in een onschuldige aardappelkleur maar geschikt om te vechten met de vijand. Volgens Gvidas’ stiefvader woonden alle vijanden toen in Amerika en misschien wel in hetzelfde gebouw als Powers. Op de terugweg vulden Gvidas’ beide schoenen zich met sneeuw (die van mij niet omdat ik in zijn voetafdrukken stapte) en liep hij een longontsteking op. Zijn terugkeer maakte ik niet meer mee omdat ik overhaast moest verkassen naar een school dichter bij huis, maar nog geruime tijd kon ik ’s avonds niet in slaap komen omdat ik me de zwaar zieke Gvidas voorstelde – met in elke long een tsjilpende mus. Toen Gvidas zijn studie aan de universiteit had afgerond, trouwde hij en scheidde na enkele maanden weer. Daarna hertrouwde hij snel met een Amerikaanse Litouwse en ging in Philadelphia wonen. Dat vertelden klasgenoten van mijn oude school mij. In levende lijve zag ik Gvidas maar één keer, ‘twintig jaar later’, zoals Dumas zou zeggen … Na mijn werk op de redactie ging ik uit eten met een vriendin in een van de restaurants van de hoofdstad. Gvidas zat in een hoek van de zaal. Ik twijfelde er niet aan dat degene naast hem zijn vrouw was: oorbellen met diamanten, een korte leren mantel, volstrekt niet passend op deze plek, waar dronken kunstenaars leunend op hun ellebogen aan driehoekige tafeltjes hingen, koude, grijze ogen. Haar gezicht leek aritmisch, ongevoelig, de ogen zou je willen vervangen door de lichtjes van de oorbellen. Gvidas treuzelde lang met de menukaart, koos de gerechten demonstratief, met de duim van één hand, net als in zijn kindertijd, in de zak van zijn spijkerbroek gestoken. Ik ging er niet naartoe. Ik was zwanger en had een dikke buik. Natuurlijk zou het interessant geweest zijn om uit de eerste hand te horen wat opa niet gelukt was om te vertellen. En als zijn etende vrouw niet naast hem had gezeten, had ik een heleboel willen vragen. Of daar waar hij woonde melkdistels groeiden, of hij zich herinnerde hoe hij zijn voeten afdroogde met zijn wollen kousen toen zijn beide schoenen vol sneeuw zaten, of hij nog houten schilderijtjes brandde met een mus op een hek … Natuurlijk was ik niet misselijk van de salade maar door de plotseling opwellende herinneringen en sentimenten (het houten schilderijtje is het enige dat ik nu nog heb). Toch ging ik er niet heen. Ik wilde me niet druk maken. Ik werkte op een relatief rustige redactie, ik hoefde alleen het taalgebruik van sommige artikelen te corrigeren en van tijd tot tijd bij het tijdschrift passend proza uit te zoeken, maar toen konden we immers elke dag vreselijke gebeurtenissen verwachten.

’s Nachts reden er langs de ramen van het studentenhuis waarin ik met mijn man woonde Sovjettanks naar de stad. Het vier etages tellende gebouw stond op een heuvel – ’s morgens vond ik op de vensterbank vaak zand dat van de steile helling weggewaaid was – maar de aarde, bevend onder de zware voertuigen, deed het glas van de ramen trillen zoals hagel doet. Net als een groot aantal andere mensen ging mijn man enkele nachten naar het parlement. Ik verzocht hem dringend om dat niet te doen. Elke ochtend keerde hij terug. Als hij zijn lege thermosfles op tafel had gezet, stopte hij een paar beschadigde, gedateerde boeken in zijn aktetas en vertrok naar zijn werk. Zoals ik later te weten kwam, liepen in die dagen zelfs binnen in het parlement moeders rond die kleine kinderen hadden, eentje was zelfs zwanger. ’s Morgens maakten ze zich op en het leek alsof ze helemaal niet bang waren voor de dood. Als het nacht was, zette ik de radio aan. In het begin, toen de radiozender nog niet bezet was, luisterde ik naar het lokale nieuws, daarna naar ‘Vrij Europa’ en naar de berichten die begonnen met de zin: ‘Dit is de stem van Amerika…’ En daar, en hier wachtten de Litouwers op het simpele feit van een zo spoedig mogelijke, officiële erkenning door de grote landen van de onafhankelijkheid van Litouwen, maar de aangename stemmen van een man en een vrouw berichtten over belangrijke ontmoetingen van de president van de VS, over zijn zorgen om Kuweit. Inderdaad, er werd vaak herhaald dat de banden met de Sovjet-Unie niet alleen voor zijn land belangrijk waren, maar voor de hele wereld. Soms verklaarde een of andere belangrijke persoon, maar niet de president, dat de gebeurtenissen in de Baltische landen deze banden zouden kunnen frustreren.

Na de nacht van het bloedbad kwam een buurman die alles van dichtbij had gezien bij ons in de kamer. Tijdens het vertellen keek hij naar mijn man en mij alsof we glazen wijnkelken waren van een nog nooit gebruikt servies. ’s Nachts, als het nieuws onderbroken werd door een lied over de vrijheid, rende ik naar het gemeenschappelijke toilet aan het einde van de gang van het studentenhuis om over te geven. Ik wilde zachtjes kokhalzen zodat de buren het niet zouden horen. Ik gaf elke nacht over hoewel het kind al bewoog, en at alleen maar fruit omdat alles, zelfs brood, op vlees leek. Terwijl ik medelijden met mezelf had, had ik ook met Gvidas te doen omdat hij, helemaal vanuit Philadelphia hiernaartoe gekomen, zelfs niet voorvoeld had wat voor ongemakken hem te wachten stonden. De trolleybussen reden sporadisch, in de straten stonden barricades van bouwelementen. ‘s Nachts werden plotseling de fabriekssirenes aangezet. Nog weer veel later lieten ze op de televisie een documentaire over die dagen zien. Ze hadden alles gefilmd, zelfs wat er in het parlement gebeurde. De beelden waarin een priester iedereen zegende die daar achtergebleven was, leken meesterlijk gespeeld. Interessant vond ik de episode waarin ons staatshoofd wachtte op een telefoonverbinding met Amerika. Als hij de menigte toesprak door een raam van het parlementsgebouw, gedroeg hij zich altijd rustig. Maar daar, in zijn werkkamer, schreeuwde hij in de hoorn, net als iedereen. Ik snap eerlijk gezegd ook niet goed hoe je tegen de president van een rechtvaardig land snel, in het Engels en ook nog beleefd zou kunnen zeggen, dat hier tanks vrouwen, mannen en kinderen verpletteren. In de hoorn van de degene die luisterde, was het betoog misschien ook wel te begrijpen als een voldoende correct verzoek om te helpen, maar in de werkkamer heerste een absurd daadkrachtige bereidheid om te sterven.

Juist in die tijd gaf een vriendin op het werk me voor korte tijd een prozaboek van een geëmigreerde Litouwse schrijfster te lezen. Ik slaagde er net in om één verhaal vluchtig door te lezen maar dit paste uitstekend in het Paasnummer van het tijdschrift. Aangezien we in januari met witte letters tegen een zwarte achtergrond gesprekken met vrienden en verwanten van de slachtoffers hadden gepubliceerd (die teksten waren zelfs visueel moeilijk te lezen), wilden we iets verfrissends. Hoewel het boek lang geleden in Chicago was uitgegeven en we de schrijfster geen honorarium meer hoefden te betalen, schreef ik haar een brief met een verzoek. Na een maand kreeg ik een pakje. Het pakje kwam van de plek waar opa, zoals ik in mijn kindertijd dacht, met zijn kromme wijsvinger een Amerikaans gebied had aangewezens: Florida; uit een stadje niet ver van Miami. De schrijfster had een cassette bij de brief gevoegd met een door haarzelf voorgelezen novelle en twee foto’s. Een was van haar, de andere van het stadje waarin ze woonde. De jurk van de vrouw had precies dezelfde kleur als de oceaan op de andere foto. Zij glimlachte zoals in dat land zowel gewone vrouwen als presidentsvrouwen glimlachen. Ik keek naar die twee foto’s, het scheen volstrekt helder dat in zulke kuuroorden mensen rondwandelen die helemaal niet op ons lijken, met andere biografieën, andere ervaringen. Als ze hierheen gereisd zijn, herken je ze meteen aan hun felgekleurde kleding en de geaspireerde medeklinkers in hun spraak. Nog voor ik de brief helemaal gelezen had, deed ik de cassette in de bandrecorder. De novelle was voor zowel kinderen als volwassenen geschikt. De vrouw schreef over vroeger, toen ze voor de Tweede Wereldoorlog in Kaunas woonde. Het verhaal leek op het eerste oog fragmentarisch maar alle indrukken kwamen samen in de alledaagse ervaringen van het kind. In die tijd was het meisje nauwelijks groter dan de papavers die bij het huis van haar ouders groeiden… In de kist ligt haar overleden grootvader. Zijn overhemd is ongewoon wit en tussen zijn verstijfde vingers tekent een rozenkrans zich als een zwarte stippellijn af. Het meisje vindt opa helemaal niet eng. Veel angstaanjagender vindt ze de verhalenboeken; ze houdt er niet zozeer van om ze te lezen als wel om de kleurige prenten te bekijken. En als er niemand thuis is, wordt het eng: een heks met oranje haar, een draak met drie koppen op een afzichtelijke nek komen als het ware tot leven en gaan stilletjes achter je staan terwijl hun afbeeldingen in het boek achterblijven. Het meisje speelt op het erf bij het huis, springt met de kinderen in de wei vanaf een cementen kelderrand. Op een keer valt ze op een in het gras verborgen steen en schaaft haar been. Alle kinderen rennen weg, geschrokken van het bloed, maar een buurjongen tilt haar van de grond. Hij maakt met spuug wat weegbree nat, plakt dat op de knie van het meisje en draagt haar op de knie licht gestrekt in de zon te houden. Daarna plukt hij nog zijn beide armen vol met melkdistels, omdat het meisje blootsvoets in het gras staat, met betraande ogen en een snotneus. Zij noemt de jongen niet bij naam maar herinnert zich hem als een prins – de maan scheen op zijn voorhoofd en op elk van zijn slapen schitterde een ster. Later neemt een vreemde troepenmacht Kaunas in. De soldaten waden zoekend door de rode papavers in de tuin. Moeder trekt de gordijnen dicht, vergrendelt de luiken en beveelt om fluisterend te praten, maar die mensen dringen binnen. Ze trappen de koffers open die volgestouwd zijn voor de aftocht naar het buitenland, doorboren de kussens met revolvers. Aan het einde van de novelle zien de veren er voor het net ontwaakte meisje uit als sneeuwvlokken. In plaats van buiten achter de luiken dalen ze neer op het nog warme hoofdkussen, vallen ze in de bruinglazen vaas op de tafel; het was zinloos geweest om die in de koffer te stoppen.

In de op de computer getypte brief schreef de vrouw, dat het verhaal dat ik voor het tijdschrift had uitgezocht en de toegestuurde novelle uit dezelfde bundel kwamen. Dat boek had blijkbaar lang geleden een of andere literatuurprijs van Amerikaanse Litouwers gekregen. Ik zou het boek hoe dan ook voor langere tijd willen hebben en helemaal willen lezen. Dat zal vermoedelijk nog niet zo gemakkelijk zijn. Degenen die nu nog lezen, zoeken zeldzame boeken die van ver komen en willen steeds iets nieuws ontdekken.

 


* Na in de 19e eeuw deel uitgemaakt te hebben van het Russische tsarenrijk, werd Litouwen in 1918 een zelfstandige natie. Deze situatie duurde voort tot WOII toen Litouwen eerst door de nazi’s en vervolgens door de Sovjettroepen onder de voet werd gelopen en als Sovjetrepubliek ingelijfd werd bij de USSR. Vele tienduizenden Litouwers ontvluchtten in die tijd hun land, o.a. naar Amerika. In 1990 kwamen de Litouwers in opstand tegen het Sovjetbewind en riepen de onafhankelijke Republiek Litouwen uit. Bij de daaropvolgende confrontaties met het Sovjetleger kwamen 13 personen om het leven. Het is goed voorstelbaar dat de Litouwers nu met argusogen de ontwikkelingen in Oekraïne volgen.

Het verhaal Mijn Amerikaanse biografie komt uit de essaybundel Šiąnakt aš miegosiu prie sienos (Vanavond slaap ik bij de muur). Uitgeverij Baltos Lankos, Vilnius, 2010.

Over de auteur:

Giedra Radvilavičiūtė, geboren in 1960, rondde in 1983 haar studie Litouwse taal- en letterkunde aan de universiteit van Vilnius af. Daarna stond ze enkele jaren voor de klas. Van 1987 tot 1994 werkte ze als journalist voor diverse tijdschriften en van 1994 tot 1998 verbleef ze in de VS waar haar echtgenoot doceerde aan Chicago University. In 2012 won Radvilavičiūtė de Literatuurprijs van de Europese Unie. Haar werk is o.a. vertaald in het Italiaans, Frans, Deens, Zweeds, Kroatisch en Engels. Momenteel woont en werkt de schrijfster in Vilnius.

Over de vertaler:

Anita van der Molen rondde in 1983 haar studie Slavistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen af. Sindsdien is ze o.a. werkzaam als freelance vertaler. Ze vertaalde literaire teksten uit het Russisch, Pools en Litouws. In 2009 won ze met haar vertaling van twee verhalen van Zbigniew Herbert het literair vertaalconcours van de Poolse ambassade. Ze vertaalde werk van o.a. Sara Poisson, Laura Sintija Černiauskaitė, Agne Zagrakalytė en Giedra Radvilavičiūtė. In 2013 was ze als vertaalster van Zagrakalytė te gast op de Europese Nacht van de Literatuur in Brussel.