Blog, Projecten | , juni 14, 2018

Nu zijn wij allen aangeraakt

Over de betekenis van Luceberts Nazi-verleden voor zijn poëzie en zijn lezers

 

Het immuunsysteem van de Nederlandse letteren verkeert in blakende gezondheid. Toen begin dit jaar bekend werd dat Lucebert fout was geweest in de oorlog, werd verbluffend snel alles in het werk gezet om dit boegbeeld van de naoorlogse poëzie te behoeden voor verdere reputatieschade. Al op dag één riepen mensen als Ilja Leonard Pfeijffer dat vergissen menselijk is en dat Luceberts jeugdige misstappen losstaan van zijn latere poëzie. Deze voortvarendheid dient ons wantrouwig te stemmen, al was het maar omdat Luceberts gedichten berucht zijn om hun meerduidigheid. In een goed doordacht stuk waarschuwt Lucebert-kenner Jan Oegema: ‘Overhaaste verzoening is weinig meer dan een slim verdringen, een kunstig arrangeren van feiten om het heden schoon te houden.’[1] Ook voor het duiden van Luceberts werk in het licht van deze nieuwe feiten is tijd nodig, tijd om echt te lezen, om het materiaal echt op ons in te laten werken en om echt het gesprek met elkaar aan te gaan.

Natuurlijk bestaat er een eerbiedwaardige traditie die de privépersoon van de auteur als irrelevant beschouwt voor zijn of haar literaire werken. Alleen staat Lucebert niet in die traditie. In zijn gedichten zitten voor buitenstaanders vaak obscure verwijzingen naar persoonlijke ervaringen verwoven. En in zijn ‘Open brief aan Bertus Aafjes’ uit 1953 beroept hij zich nadrukkelijk op zijn eigen lotgevallen als rechtvaardiging voor de gedichten die uit die belevenissen zouden zijn voortgekomen.

In onschuldiger tijden was al duidelijk dat de Nazi-periode een belangrijk referentiepunt is voor Luceberts vroege poëzie. Anja de Feijter toonde in 1994 aan hoe hij aan de Joodse mystiek woorden ontleende ‘waarmee gesproken kan worden over de recentste geschiedenis, die in de vorm van de Tweede Wereldoorlog als een loden last talloze monden tot zwijgen veroordeelde.’[2] Naar we nu weten omhulde dat spreken een groter zwijgen.

Naar aanleiding van biografische verwijzingen in Luceberts poëzie kwam Jan Oegema in 1999 tot de slotsom dat Lucebert tijdens de oorlog een mystieke ervaring moet hebben gehad. Dit ‘vreselijke wonder’ zou de motor hebben gevormd achter zijn dichtwerk.[3] Gezien de morele lading van die poëzie kan het Lucebertliefhebbers onmogelijk om het even zijn of dit de dichter inderdaad is overkomen in een tijd dat hij met de Nazi’s dweepte.

Uiteraard heeft Ilja Leonard Pfeijffer gelijk, wanneer hij stelt: ‘aan zijn gedichten is door de onthulling bij mijn weten geen letter veranderd.’[4] De vraag die ik me stel is dan ook een andere. Hebben we die letters wel goed geïnterpreteerd? Heeft Luceberts imago als linkse rebel ons er misschien toe verleid relevante betekenissen over het hoofd te zien?

 

Verhulde bekentenis

Neem de introductie op de ‘lente-suite voor lilith’ uit Luceberts historische debuut apocrief/de analphabetische naam (1952). Daarin stuiten we op de regels: ‘velen hebben liefde uitgedoofd/ om in duisternis haar licht te lezen’. Voorheen bleven deze vertrouwde woorden altijd geruststellend abstract voor me. Nu dringt zich ineens een maar al te concrete interpretatie aan me op. Het waren de fascisten en hun aanhangers die de naastenliefde hadden uitgedoofd. En Lucebert was een van hen. Daarbij werden ze allicht gedreven door een gemankeerde hunkering naar warmte en genegenheid. Veel Nazi’s waren maar al te zorgzaam voor hun dierbaren. In huiselijke kring koesterden ze het licht.

Als de passage inderdaad als een verhulde bekentenis moet gelden, heeft dat potentieel explosieve gevolgen. Later in het gedicht wordt een verband gelegd met het schrijven van poëzie. Dit werpt de verontrustende mogelijkheid op dat Luceberts dichterschap onlosmakelijk verbonden was met zijn fascistische jeugdzonde. Hazeu bevestigt in zijn biografie dat Lucebert zich pas als een dichter is gaan zien in de tijd dat hij uit enthousiasme voor de Nazi’s in een Duitse munitiefabriek ging werken.[5] Ogenschijnlijk heeft Lucebert al in zijn eerste bundel in verdekte termen aangegeven dat zijn poëzie mede mogelijk is gemaakt door verwerpelijke ideeën.

 

als babies zijn de dichters niet genezen

van een eenzaam zoekend achterhoofd

velen hebben liefde uitgedoofd

om in duisternis haar licht te lezen

 

in duisternis is ieder even slecht                                                                        5

de buidel tederheid is spoedig leeg

alleen wat dichters brengen het te weeg

uit poelen worden lelies opgedregd

 

kappers slagers beterpraters

alles wat begraven ligt                                                                                     10

godvergeten dovennetels laat es

aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is

 

wie wil stralen die moet branden

blijven branden als hij liefde meent

om in licht haar duisternis op handen                                                             15

te dragen voor de hele goegemeent

 

Om helder te krijgen wat dit gedicht voor Luceberts poëzieopvatting betekent, moeten we allereerst de vraag beantwoorden of de dichters uit regel 1 en 7 inderdaad behoren tot de mensen die liefde uitdoven. In haar interpretatie neemt de normaal zo zorgvuldige Anja de Feijter voetstoots aan dat de weinige dichters in oppositie staan tot de velen uit regel 3, terwijl er toch een duidelijke analogie bestaat tussen het lezen van licht in duisternis en het opdreggen van (lichte) lelies uit (duistere) poelen.[6] De dichters krijgen hun witte bloemen enkel boven water door toenadering te zoeken tot het duister. De verrichtingen van de weinigen liggen dus in het verlengde van die van de velen. Ze doen niet iets radicaal verschillends, ze zijn er alleen succesvoller in. We kunnen concluderen dat de dichters inderdaad liefde hebben uitgedoofd. Bovendien speelt dit uitdoven klaarblijkelijk een cruciale rol in hun dichtersarbeid.

Keert het uitdoven terug in de rest van Luceberts vroege poëzie? Voor mijn politieke interpretatie vind ik elders in zijn werk niet onmiddellijk aanknopingspunten. Wel wordt de liefde op een andere manier regelmatig gedoofd. De ik-figuur vertoont in de bundel apocrief namelijk een extreme neiging zich af te wenden van zijn medemens. Zo wenst hij in ‘door die groene of moede’ niet meer dan ‘mij volstrekt eenzelvig/ te bedelven onder mijzelf’. En in ‘het licht is dichter dan’ sluit de mens ‘de deuren van de huid’ om zich te verschansen ‘in zijn gegrendeld gezicht’.

Deze neiging zich af te zonderen speelt een cruciale rol in Luceberts poëzieopvatting, zo blijkt uit zijn ‘Open brief aan Bertus Aafjes’. Daarin zet hij zijn ‘dichterlijke eenzaamheid’ expliciet af tegen de ‘collectiviteit’ die is gedoemd tot ‘een snelle en grondige nivellering en infantilisering’, als zij tenminste niet wordt ‘terecht gewezen door de wanhoop, de opstandigheid en de verwondering’.[7]

Toen hij nog als begeesterd fascist in een Duitse munitiefabriek werkte, dacht hij er precies zo over. ‘Meer en meer eenzamer worden,’ zo typeert hij zijn bestaan in een brief uit die tijd, ‘en rijker, want slechts in eenzaamheid, het stille ingetogen alleenspreken met de eigen ziel, kan men het tot persoonlijkheid brengen.’[8] Ten behoeve van dit bewust gezochte isolement moest hij zich afsluiten voor zijn omgeving. Voor de Nazi’s, die hem aanvankelijk met open armen ontvingen en die hem later aan het verstand probeerden te brengen zijn typemachine voor de administratie te gebruiken en niet voor het uittypen van gedichten. Maar ook voor de dwangarbeiders, die hij dag in dag uit afgebeuld zag worden. ‘De meeste slaag kregen de Polen,’ vertelde Lucebert daar ver na de oorlog zelf over. ‘En later de Italianen, want dat waren […] verraders. Een afgrijselijke ervaring, als je de moffen op die mensen in zag rossen.’[9]

Het wrange is dat die ‘afgrijselijke ervaring’ Luceberts Nazistische overtuigingen niet onmiddellijk aan het wankelen kon brengen. Blijkbaar wist hij zich af te sluiten voor zijn eigen medelijden. De gang van zaken is even schrijnend als paradoxaal. De jonge Lucebert doofde zijn empathie omwille van een innerlijk proces dat uiteindelijk zou resulteren in een poëzie die ten diepste doordrongen is van de noodzaak niemand uit te sluiten van onze medemenselijkheid. De poel waaruit Lucebert zijn lelies opdregde was werkelijk inktzwart.

Toen Lucebert eenmaal tot inkeer was gekomen, kunnen zijn oorlogservaringen hem alleen maar hebben gesterkt in de overtuiging dat we in het maatschappelijk verkeer maar al te gemakkelijk besmet raken door verwerpelijke manieren van denken en doen. Hierdoor zal de ‘dichterlijke eenzaamheid’ voor hem alleen nog maar aan gewicht hebben gewonnen, hoezeer ze het hem ook mogelijk had gemaakt de ogen te sluiten voor de wandaden die werden gepleegd in de naam van zijn eigen toenmalige ideologie. In het licht van deze pijnlijke tegenstrijdigheid worden de paradoxen uit de introductie opeens verrassend gemakkelijk navoelbaar.

De openingsstrofen zouden we nu immers als volgt kunnen parafraseren. Dichters hebben een bepaalde ontvankelijkheid gemeen met de nog niet door maatschappelijke misvattingen bezoedelde baby’s. Om deze dichterlijke staat optimaal tot zijn recht te laten komen keren ze zich in eenzaamheid af van hun medemens. Daarin lijken ze op de velen die uit frustratie of ontgoocheling hele bevolkingsgroepen de rug toekeren. Wie zich afsluit voor de ander, raakt gemakkelijk verstrikt in liefdeloze en kwaadaardige praktijken. Dichters zijn hierop geen uitzondering. Als hij de moed had gehad, had Lucebert daar uit eerste hand over kunnen meepraten. Toch zijn de vruchten van de dichterlijke eenzaamheid wel degelijk van grote waarde.

 

De schielijke oplichter

Aan het einde van de introductie steekt de tegenstelling tussen licht en duisternis nog één keer de kop op. Gezien het voorafgaande kan ik de slotregels niet anders lezen dan als een oproep ook de schaduwzijde van het dichterlijke project voor het voetlicht te brengen. Lucebert zelf heeft aan deze oproep maar beperkt gehoor gegeven.

Aan de ene kant benadrukt hij in de bundel apocrief meermaals hoe goed en kwaad onontwarbaar in elkaar verstrikt zijn. In ‘school der poëzie’ noemt hij zichzelf een ‘schielijke oplichter’ en typeert hij zijn mystiek als ‘het bedorven voer/ van leugen waarmee de deugd zich uitziekt’. Volgens ‘vaalt’ zijn ‘wij allen aangeraakt/ en door het allerkwaadste kwaad getooid’. En ten slotte is er natuurlijk de introductie op de ‘lente-suite voor lilith’, waarin hij zich – als mijn duiding klopt – uitspreekt over de samenhang tussen zijn politieke misstappen en zijn poëzie.

Aan de andere kant blijft hij bij dit alles rijkelijk vaag en abstract. Om te verhelen hoe concreet hij zich door het kwaad had laten aanraken, heeft hij tot zijn dood vastgehouden aan de leugen dat hij onder dwang in Duitsland te werk zou zijn gesteld. In de eerste tijd na de oorlog was het misschien een redelijke veronderstelling dat meer eerlijkheid fataal zou kunnen zijn voor zijn prille carrière als dichter en beeldend kunstenaar, maar Jan Oegema wijst er in zijn recente opiniestuk terecht op dat hij daar in later jaren niet meer bang voor hoefde te zijn. Zijn jeugdvriend Hans Andreus verloor niets van zijn literaire statuur toen bleek dat hij aan het Oostfront voor de Waffen-ss had gevochten.

Persoonlijk vermoed ik dat deze halfhartigheid niet alleen uit schaamte voorkomt. Luceberts misstap was onlosmakelijk verbonden met een proces waarvan hij zich ook in later jaren onmogelijk kon distantiëren, omdat het hem zowel in de kunst als in het leven had gemaakt tot wie hij was. Niet alleen kan hij ervoor zijn teruggeschrokken om zijn zwakte te etaleren. Ook had hij reden te vrezen dat zijn kracht in een kwade reuk kon komen te staan.

 

Een beter begrip

De neiging tot verheimelijking en de drang zich uit te spreken bewaren in apocrief een precair evenwicht. Er is dan ook nog veel om nader uit te zoeken. Zo bevat ‘exodus’ de nodige geografische verwijzingen naar Luceberts tijd in Duitsland. Klinkt de verlokking van het fascisme door in de ‘gewelddadige dromen’ waarvoor de dichter zich in dat gedicht openstelt? Aan het einde van ‘nu na twee volle oren vlammen’ gaat er een schande ‘sprakeloos schuil’. In hoeverre moeten we daarbij denken aan Luceberts schandelijke oorlogsverleden? En dan is er nog de ‘lente-suite voor lilith’. In de Kabala is Lilith ‘dé vrouwelijke belichaming van het kwaad’.[10] Lucebert bezingt haar juist als beschermvrouw van zijn poëzie. Hoe verhoudt deze Umwertung aller Werte zich tot de betekenissen die ik aan de introductie op de lente-suite heb ontlokt?

Luceberts schitterende poëzie verdient het dat we ons serieus op dit soort vragen storten. Terecht schreef Han van der Vegt eerder dit jaar in Terras: ‘De huiver waarmee we zijn werk nu benaderen kan ons een scherpere, bredere blik erop bieden, en een beter begrip.’[11] Maar voor dat betere begrip moeten we wel aan het werk.

 

[1] Jan Oegema, ‘Het bedorbven voer van leugen’ in: De Groene Amsterdammer (14 maart 2018, Jaargang 142, Nr. 11)

[2] Anja de Feijter, ‘apocrief/de analphabetische naam’; Het historisch debuut van Lucebert (Amsterdam: De Bezige Bij, 1994), blz. 190

[3] Jan Oegema, Lucebert, mysticus (Nijmegen: Vantilt, 1999), blz. 286

[4] Ilja Leonard Pfeiffer, ‘Is Lucebert nu van zijn voetstuk gevallen na een dwaling als jongeling?’ in De Morgen (8 februari 2018)

[5] Wim Hazeu, Lucebert; biografie (Amsterdam: De Bezige Bij, 2018), blz. 109

[6] Feijter (1994), blz. 150

[7] Lucebert, Kalm aan kinderen, er komt nog wat aan (Amsterdam: de Prom, 2004), blz. 24

[8] Hazeu (2018), blz. 89

[9] Hazeu (2018), blz. 84

[10] Feijter (1994), blz. 237

[11] https://tijdschriftterras.nl/lucebert/

Over de auteur:

Na een klein uitstapje in de romankunst heeft Krijn Peter Hesselink dit jaar weer een nieuwe dichtbundel uitgebracht, Toondoof, volgens Trouw een boek vol ‘prikkelende vragen over dat niet te vangen, onaffe ik.’ Als performer zoekt hij graag het podium op. Zo stond hij op Crossing Border, Noorderzon en Lowlands. Verder publiceert hij met enige regelmaat essays in bladen als Hollands Maandblad en De Gids. Zie voor meer informatie: www.krijnpeter.nl.