Blog | , december 8, 2023

Nur du allein – Walk on the mild side I (Wenen)

Ik loop opgewekt door een van de eeuwige steden en beland in de Blutgasse, de naam doet het ergste vrezen maar de herkomst ervan is nooit achterhaald. Soms heet het straatje gewoon Milchgasse, of Domgasse, want in de buurt van de Stephansdom. Dit is Wenen, ik kon eindelijk de tentoonstelling rond Ingeborg Bachmann bezoeken, de voorlaatste expositiedag, en wist de allerlaatste catalogus op de kop te tikken. Ik wandel rustig en alleen, een zoektocht is het nog niet maar moet dat worden. Het is zaterdag en het blijkt te laat om de boekhandel te bezoeken die zich op een goede poëziecollectie voorstaat – had ik maar niet te voet moeten gaan.

Dit is de eerste etappe van een project dat ik vol goede moed gestart ben – werktitel: Walk on the mild side. Zo’n zeven acht jaar geleden deed de sinoloog en vertaler Maghiel van Crevel veldonderzoek in China. ‘Walk on the wild side’, noemde hij dat, waarmee hij de nadruk legde op de avontuurlijke kanten van de levensonderneming. ‘The visit was a trip in every sense, taking me to eighteen cities and a mountain village, from university guesthouses and lecture halls and libraries to cultural venues, bookstores, publishing houses, company and government offices, restaurants, bars, cafés, and private homes, and nearly drowning me in new books and journals.’ Het ging hem om onontdekte dichters en verborgen of veronachtzaamde poëzie, om zogeheten ‘snapshots of the Chinese poetry scene’. In Leiden berust nu een fameus en volstrekt uniek archief.

Het ligt niet in mijn aard om te reizen ‘on the wild side’, laat staan dat een vergelijkbare trip in het veel tammere taalgebied dat ik wil afzoeken naar levende en actuele poëzie, mogelijk zou zijn. Maar ik wil in het Duitse taalgebied wel nader verkennen wat er in de hedendaagse poëzie aan de hand is en in de vermoede centra Berlijn, München, Wenen en Zürich op zoek gaan naar onontdekte dichters, exclusieve poëzie-uitgevers, poëzietijdschriften, -centra, -festivals en -instituten, met als doel uiteindelijk een bloemlezing samen te stellen van de actuele poëzie in Nederlandse vertaling – in principe als opvolging van de Spiegel van de Duitse poëzie die in 1983 bij Meulenhoff verscheen en veertig jaar lang geen ander vervolg heeft gekregen dan incidentele presentaties in tijdschriften en op festivals. Ik wil vooral met de dichters, uitgevers, programmamakers zelf spreken, vooral om hun eigen stem zo goed mogelijk te horen.

Anders dan Maghiel van Crevel verwacht ik geen poëziescene aan te treffen die zich voornamelijk afspeelt in randgebieden of onofficiële circuits, al kunnen er ondergrondse kroegen bezocht worden. China is een ander land dan Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland. Toch is het vast ook mogelijk om teksten op het spoor te komen die je in boekhandels en bibliotheken tevergeefs zult zoeken. Er bestaan tal van kleinere uitgevers, juist van poëzie, die in de marge uitgeven en in ieder geval aardig wat publicaties op hun naam hebben staan buiten het dominante centrum Berlijn om. Maar ik ken er maar een fractie van, en juist de Zwitserse en Oostenrijkse dichters zijn eerder te vinden in de randgebieden van deze poëziewereld. Er doet zich een eerste gelegenheid voor in Wenen, waar een uiterst actieve groep dichters en vertalers om de zoveel tijd samenkomt om zich samen te buigen over belangrijk gevonden poëzie. Begin november 2023 is het nu, en Versatorium, zoals de groep heet, ‘verteelt en vertaalt’ gedichten van de Noor Arild Vange (*1955) uit diens bundel Fjordarbeid – in diens aanwezigheid. Dat verteelt en vertaalt is de (roekeloos vertaalde) beschrijving die Versatorium geeft aan de manier waarop de groep werkt (zie Filter 30:3, 107-123). Ik ga het meemaken.

Het kost me geen moeite het Noors te horen en te lezen – maar ik versta het niet. In het Weense Duits om me heen was ik al verdwaald en verloren geraakt. Ik heb net een ‘Einspänner’ besteld in Café Hawelka (omdat Hundertwasser en Konrad Bayer er kwamen) en krijg een koffietje in glas met een dot slagroom voor mijn neus gezet; in het krantje voor me staat een column met de kop ‘Oberste Regel beim Wuzeln: Nullerputz is a Saftl’.[1] Ik bestel een ‘Eingespritzten’. Een worsteling is het, niet eens door het Weense accent dat voortdurend over je heen golft. Nee, dan het Noors. Gelukkig is Vange zelf vertaler, onder meer van Kafka en Trakl – en van Peter Waterhouse (*1956), de Oostenrijkse dichter die het kloppende hart is van Versatorium. Samen met andere dichters als Franziska Füchsl (*1991). Franziska heeft een fantastische website (www.ffxl.xyz) – ik neem weer een bad in vreemd water: ‘Auf Expedition mit der D.S.S. Morgenröte ZORA. Ohne Skorbut aber triefend überstanden. e wie Eisnase, das war mein Winkel.’ Ik vertaal maar raak: ‘Op expeditie met stoom- en zeilschip ZORA. Zonder scheurbuik maar druipnat doorstaan. ij van ijsneus, dat was mijn ding.’ Als je doorklikt kom je in een andere wereld – die van verwaarloosde woorden. We gaan een opvanghuis binnen. Daar staan beeldenwoordenboeken en een imposante kast met ‘ongelezen boeken’, een nieuwsgierig makend project met interviews door ene Julius Deutschbauer, bijgenaamd de biechtvader van het slechte lezersgeweten (https://www.buecher-wiki.de/index.php/BuecherWiki/BibliothekUngelesenerBuecher ). En dat in een ruimte waar uiterst streng en strikt gelezen wordt.

We buigen ons twee dagen lang over één enkel gedicht. Arvild Vange kent het principe ook als deelnemer, dus hij laat vooralsnog weinig los. Bij aanvang krijgen we iets voorgelezen dat zo inzet: ‘Jet har ikke funnet min egen stemme sa du og / gikk i heisen.’ Volgens het heersende werkprincipe wordt niet meteen verteld wat er staat, maar worden eerst de klanken en de dichterlijke eigenheden verkend. Associëren blijkt niet het passende woord te zijn, het heet hier ‘raden’. Versatorisch is aleatorisch. Dat leidt tot herkenning bij ‘min egen stemme’ en tot hilariteit bij ‘heisen’. Maar eerst hoor je bedot te worden door een taal die anders beweegt: door dat Noors. Dat ‘ikke’ is geen ik, maar dat ‘jeg’ wel. ‘Funnet’ laat zich raden, maar ‘og’ niet, terwijl de tekst die volgt ervan wemelt. Blijkt ‘en’ te betekenen. Je voelt het ritme wel als de dichter voor de zoveelste keer voorleest uit zijn Fjordarbeid (2007). De verrassing zit ’m in dat ‘heisen’, terwijl we het hadden kunnen weten als Nederlanders, want wij heisen ook. Maar anders – heisen is Noors voor lift. Dan duiken er mensen in het gedicht op, en ze weten niet of ze onderaan of boven zijn aanbeland. Een liftgevoel? Het heeft alles weg van het vertaalgevoel dat zich van me meester maakt: ik weet niet waar ik sta of aan toe ben. Maar opgesloten in de lift voel ik me niet. De versatoriërs gokken erop dat uit de chaos de fenix zal herrijzen – de boodschap is dat de vertaling er op een gegeven moment zal zijn. Ik doe mee – in volstrekte onschuld neem ik wat Noorse woordjes letterlijk, zoals het hier hoort: ik ga af op de klank. ‘Sa: Hva?’ sa sa wordt ‘ça va’, het blijft tot het eind overeind al staat het er niet. Dus heb ik er vrede mee als veel van mijn verdere interventies in de lucht blijven hangen. Ook dat blijkt versatorisch: het gaat om de weg, niet om het doel. De mensen zijn goed en scherp en kritisch, je leert opnieuw lopen en vertalen. En ze vertalen in verschillende talen, Hongaars, Siciliaans, Weens. Uiteindelijk is het meegenomen dat de tekst die we vertalen volgens de auteur gaat over misverstanden. Ikke sant? Niet waar?

[1] Ik lees door om het te begrijpen. Wuzeln heet in Voralberg tschütteln, in Zwitserland töggelä en in het Duits kickern: tafelvoetballen; als je wint zonder tegendoelpunt (Nullerputz) krijg je van je tegenstander een drankje (a Saftl). Bron: Die Presse, 6 november 2023.

Over de auteur:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.