thema:

Parc Monceau, kwatrijnen bij beelden van Edwin Smet

‘Then there’s lying down on blankets. Root edge.
Longhaired witch fingers. There, asleep
With the sleep fairy, fingers entwined.
You died, while she kissed you so deadly.’

 

 

 

1.

Het loze vuur in het hout schuilend, opgesloten

Als leven in huis of rots: een roltrap brengt

De verte niet, noch het simultane ademen van

De bomen, die plek zoeken in de hartkamer.

 

 

2.

Breek de twijg, ruik  het sap  van de wilg en

Rust buigzaam onder de lappendeken van je

Humusbed. Neurie zacht als balsem, voor het

Tanzorchester je lieflijk ten dans vraagt en kust.

 

 

3.

Waar wij ons eenzaam voelden, bast troost noch

Vast bood. Jaarringen ketenden, stofregens van

Spaarzaam licht. In de verte hamerde specht op

De plekken die ons verraadden en hars drupte.

 

 

4.

Stammen die het spreken hebben verleerd. De

Schoorsteen werd hun weg. Het merg vermalen:

Bindmiddel in verf en bidstonde. Dodenmarsen in

De Ardente Kapel van zelfmoordenaar Rothko.

 

 

5.

Bomen van zand, plakband of dorst er wortels heeft.

Wij zijn verbannen geraakt. Planten galnoten, persen

Inkt uit dromen van emerald. De woestijnroos groeit,

Druppelsgewijs. Verder geen nieuws uit Winnemucca.

 

 

6.

Onder bevroren ijszee, het vaderland van de duivel.

Mist boven de vlakte. Verzonken bomen, houten

Lijven. Rendiersporen en het droge geluid van

Hakkende geweien. Met prikkeldraad geschreven.

 

 

7.

Vermorzelde levens uit de eeuw van de Snor. In

Hotel Workoeta Park de fossiele mijnwerkers,

Opgebaard. Op het menu kakkerlakken en lood.

Huilt wolvenkoor een eindeloos Dies irae, dies illa.

 

 

8.

Dit oude, moede hoofd. Ik zet het af, leg het neer

Er is geen keer. De dagen vergeten, sterven in het

Lijf. Gesteven tafellaken dat mij bakent, koestert.

Aas dat je at. Onrustig wachten de honden op adem.

 

 

9.

De dood van de verf is het sterven van Rothko. Op

De snede nauwkeurig, vlijmscherp het linnen, tornt

Mes het lichaam los van been en spieraam. In het

Bos de maat voor het zwarte graf en vuurpelotons.

 

 

10.

Het meer op de plek in het woud. Er dwarrelt zaad uit

De hemel, gevleugeld zaad, dat op dotterblad valt. Op

Dennennaald landt. Onrustig draalt het alfabet, keert.

Oog en scheermes. Een vrees gegrond, spreekt moer.

 

 

11.

Onder het schors verloren gegaan. Er wordt gezaagd, gehakt

Geschaafd. De brand in het leven! Vergeet de jonge stam,

De takken, het bladerdak waaronder je huisde, schuil

Ging. De inkt opdroogde, de pennen gespijkerd in papier.

 

12.

Herinner het park, vooral in de lente. Parasols, ruisende

Rokken, flaneren tussen groen groene bomen. Schaduw,

Licht om op te peuzelen en eindeloos keuvelen over

Rouches en blouses, tailles en donzen haartjes. Monceau.

Over de auteur:

Hans van de Waarsenburg (Helmond, 1943) debuteerde in 1965 met Gedichten. Zijn bundel De vergrijzing (1972) werd bekroond met de Jan Campertprijs. Recente publicaties: Azul (2006), Wie hier nog komt (2009) en Schaduwgrens (2012), allen bij Wereldbibliotheek. Bij Azul press verscheen in 2014 Naklank. Hij was voorzitter van de PEN en oprichter van de Maastricht Poetry Nights. Op 15 juni 2015 overleed hij.