thema:

Paul Rodenko: kosmopoliet en essayist par excellence

Bij de honderdste geboortedag van Paul Rodenko

 

Op 20 juni 1914 lanceerden de schilder en schrijver Wyndham Lewis en de dichter Ezra Pound vanuit het Rebel Art Centre in Londen het eerste nummer van het tijdschrift Blast, ‘A Review of The Great English Vortex’. Ruim een maand later volgde een tweede schokgolf, toen de Eerste Wereldoorlog in Europa tot ontploffing kwam. Het lot van Blast werd hierdoor bezegeld: de tweede en laatste aflevering zou pas een jaar later verschijnen. Ondanks de brede opzet, de bravoure van de redacteuren en de pittige teksten haalde deze luidruchtige publicatie slechts weinig uit en verwierf het pas decennia later zoiets als een legendarische reputatie. Het blad ‘werd nauwelijks opgemerkt,’ schreef John Tytell in zijn Pound-biografie, en werd een debacle.

Niettemin was het in het toenmalige Engeland een unieke poging poëzie, muziek en beeldende kunst op een explosieve manier onder de aandacht te brengen. Had Pound met het Imagisme kort daarvoor al een nieuwe weg ingeslagen, met het Vorticisme meende hij ‘het harde licht en de scherp omlijnde randen’, ‘de helderheid en intensiteit’ van het beeld nog te versterken. Het beeld was een cluster, een sterrenhoop in stralende verdichting. Het was ook ‘wat ik noodgedwongen een VORTEX kan en moet noemen, van waaruit en waardoor en waarin ideeën onophoudelijk kolken.’ Anders gezegd: de Vortex als een maalstroom van ‘ideeën in actie’. Zoals te verwachten viel ging de beoogde vernieuwing gepaard met kritiek op de dichtgeslibde creatieve werkelijkheid, waardoor ‘de furie der intelligentie (werd) gesmoord en ingesloten door omringende stompzinnigheid’.

Dat zich op artistiek gebied in dezelfde periode tal van andere revoltes voordeden was geen toeval. Andere voorbeelden uit die periode zijn  Le Sacre du Printemps van Stravinsky in 1913 (muziek die tumult in de concertzaal uitlokte), het kubisme van Braque en Picasso (dat in 1910 voor het eerst als zodanig werd omschreven), de rauwe en anti-esthetische poëzie van Gottfried Benn in Morgue und andere Gedichte (een bundel die in 1912 verscheen). Evenals de imagistische Pound zou ook Benn op den duur gaan kiezen voor het onsentimentele directe beeld en de vergelijking zoveel mogelijk mijden. Gebruikte de eerste geen als-vergelijking maar een direct beeld in: ‘Your mind and you are our Sargasso Sea,’ de ander noteerde min of meer terzelfder tijd: ‘Zerfetzt von Worte-Wolkenbrüchen – : / Zu tief im Hirn, zu schmal im Traum*. En elders: ‘Ik leef de dierentijd. Ik ben een wateruur’. Volgens Benn werkt de dichter in zijn ‘laboratorium voor woorden’ die hij ‘opent, laat exploderen of verbrijzelt’. Poëzie die het gedicht als kopje thee met rozenbladen resoluut vaarwel zegt. Zoals zijn vertaler Huub Beurskens heeft opgemerkt, treedt bij Benn voor het eerst het dingmatige karakter van het gedicht op de voorgrond. De dichter als vinder van liederen wordt herboren en hervonden, wat bij zijn tijdgenoot Pound tot een even intensieve als actieve bemoeienis met de Occitaanse troubadours (die vroege vinders van liederen) uit de middeleeuwen leidde.

In zijn onvoltooide studie uit de jaren 1975-76 over ‘de experimentele explosie in Nederland’ opende Paul Rodenko een vergezicht op de ontwikkelingen van de Europese poëzie die zich sinds 1910 hadden voorgedaan en die tot 1950 in ons taalgebied zonder gevolgen waren gebleven, met uitzondering van een handvol literaire experimenten in De Stijl en, vooral, het baanbrekende werk van Paul van Ostaijen en Gaston Burssens in Vlaanderen.

Typerend voor Rodenko’s werkwijze is de greep naar een complex verschijnsel dat hij eerst in compacte vorm presenteert en vervolgens met grote durf en een indrukwekkende eruditie in woorden probeert te verhelderen. Nog tamelijk aan het begin van zijn uiteenzetting vat hij de periode van 1910 tot 1916 in één lange alinea samen, waarna hij dieper en zeer gedetailleerd op de materie ingaat. Hij wijst in die passage op ‘het culminatiepunt van een reeks poëtische “explosies” die in de jaren rond 1910 in diverse Europese landen plaatsvonden en de bestaande ideeën van wat poëzie was volkomen overhoop gooiden’. Het is de tijd waarin de eerste bundels van Ezra Pound en Saint-John Perse verschijnen, Marinetti zijn Futuristisch Manifest publiceert, het Russisch futuristisch manifest onder de titel Een klap in het gezicht van de publieke smaak het daglicht ziet en dichters als Majakovski en Chlebnikov zich aandienen. Tegelijkertijd verschijnt Apollinaire op het Franse toneel (door Rodenko ‘de grote gangmaker’ genoemd), publiceert de al genoemde Gottfried Benn zijn eerste werken in Duitsland, en  ‘trok Dada uit dit alles de laatste consequentie’ door middenin de vernietigende wereldoorlog ‘de antikunst’ te proclameren. ‘Dada,’ zo schrijft Rodenko, ‘opende niet alleen duizelingwekkende perspectieven, maar gaf ook zelf reeds de grenzen aan waar vernieuwing in zelfdestructie en steriliteit overgaat.’

Vanuit dit brede perspectief zet hij vol in op ‘de moderne poëzie’ die ‘wereldpoëzie’ is geworden, een kosmopolitische inslag vertoont en in Nederland pas later een klankbodem vond in de dichters van Vijftig. Was Apollinaire volgens Rodenko ‘de grote gangmaker’ in Frankrijk (later gevolgd door Breton en de surrealistische beweging), in de Angelsaksische literatuur was dat de Amerikaan Pound, een vreemde eend in de Engelse bijt, die met wisselend succes de zelfgenoegzame, conservatief literaire geest flink opschudde. Daarbij begeleidde, stimuleerde en publiceerde hij op onbaatzuchtige wijze tal van talentvolle schrijvers, wat hem de benaming ‘vroedvrouw van het modernisme’ bezorgde. Zonder Pound zouden de groei en geboorte van het werk van T.S. Eliot, James Joyce, Hilda Doolittle, de oudere Yeats, de jonge Hemingway en ook Wyndham Lewis anders zijn verlopen.

Toen zijn verzamelde essays en kritieken omstreeks 1991 in vier delen verschenen werd voor het eerst duidelijk, althans voor mij, hoe breed en veelzijdig Rodenko’s oeuvre op dit gebied eigenlijk was, en tevens, hoe ver hij ging om de zaak van de toenmalige poëzie te bepleiten of, waar nodig, in een polemiek te verdedigen. Tal van artikelen en beschouwingen kwamen mij voor het eerst onder ogen, omdat ze ooit verspreid in allerlei bladen en tijdschriften waren gepubliceerd. Tot de vele onbekende, kortere stukken behoorden ook twee introducties van degene die hier niet zonder reden al enkele malen is opgevoerd en voor wie tot in de jaren vijftig geen serieuze aandacht bestond. Het verhoogde mijn respect en bewondering voor de essayist Rodenko, van wie ik als scholier in diezelfde jaren vijftig al het nodige had opgestoken uit zijn befaamde thematische bloemlezingen die hij van soms ingewikkelde, maar altijd boeiende inleidingen voorzag. Nu ontdekte ik dat hij als eerste in 1952 en 1956 beknopt, maar zeer informatief over de figuur en het werk van Pound had geschreven. Het trof mij hoe goed hij al in 1952 geïnformeerd was over de poëzie, de essayistiek, de vertalingen, alsook de omstreden politieke geschiedenis van de in 1908 in Europa neergestreken Amerikaanse dichter.

Verhelderend was de wijze waarop Rodenko de verschillen tussen de continentale (vooral Franstalige) vernieuwers en de Angelsaksische aangaf. Waar de Franse literaire revolte anti-historisch was, een anarchistische inslag vertoonde – en zich daarbij beriep op Rimbauds ‘systematische ontregeling van alle zintuigen’ – was de Engels-Poundiaanse zienswijze weliswaar revolutionair naar de vorm, maar tegelijk ook historiserend. Experiment en traditie werden met elkaar verbonden onder het (latere) motto: Make It New. Paul Rodenko vermeldde dit sleutelbegrip niet in zijn twee beschouwingen, wat valt toe te schrijven aan de onopvallende plaats die het in een van de Cantos kreeg toebedeeld. ‘Make it new’ staat verscholen in Canto LIII, waar de dichter de Chinese keizer Tsjing Tang opvoert die omtrent 1760 v. Chr. biddend op een berg vertoefde:

 

Tching prayed on the mountain and

wrote MAKE IT NEW

on his bath tub.

Day by day make it new

cut underbrush,

pile the logs

keep it growing

 

– waarbij een kenner later aantekende dat de tekst in gouden karakters op de kuip van de keizer was aangebracht.

Wat Rodenko evenmin veronachtzaamde was de verhouding van taal en macht, ofwel van poëzie en politiek. Zoals Lucebert al schreef: ‘Lyriek is de moeder der politiek’. In dat opzicht bestond er eveneens een aanmerkelijk, zij het geen fundamenteel verschil tussen de vertegenwoordigers van beide modernistische stromingen. Zowel de Franstalige als de Engelstalige dichters konden de totalitaire verleiding maar moeilijk weerstaan: ze sympathiseerden met autocratische of dictatoriale tendenties in de samenleving en zelfs meer dan dat. Continentale dichters en kunstenaars als Eluard, Aragon, Alberti, Neruda, Picasso waren vooral het Russische communisme toegedaan. Hun Angelsaksische collega’s, zoals de vrome katholiek Eliot, de cynicus Lewis met zijn (later betreurde) boek over Hitler en de antisemitische Pound die Mussolini hoog had zitten, neigden naar het fascisme of bekenden zich daar openlijk toe.

In zijn twee beschouwingen echter concentreerde Rodenko zich vooral op het werk en de ideeën achter dat werk, alsmede op uitspraken over wat iemand tot een goede schrijver maakt. Hij citeert Pound waar deze zegt: ‘Good writers are those who keep the language efficient.’ En benadrukt diens pleidooi voor accuratesse en helderheid. Met dat laatste doelde Pound op een mediterrane helderheid en de precisie van het Chinese ideogram (waarvan hij zich dan ook in de befaamde Cantos overvloedig zou bedienen). Hij richtte zich daarmee voornamelijk tegen de geest van vaagheid en schemer – de ‘crepuscular spirit’ – die in zijn ogen de toenmalige Engelse poëzie domineerde.

In kort bestek slaagde Rodenko erin aandacht te besteden aan nagenoeg alle aspecten van Pounds omvangrijke en veelzijdige oeuvre: zijn poëzie als zodanig, zijn ABC of Reading, zijn talrijke literaire essays, alsook de belangwekkende ‘creatieve’ vertalingen. Wat die laatste betreft herinner ik aan zijn vertalingen uit het Provençaals (Arnaut Daniel), het Latijn (Propertius), het Italiaans (Cavalcanti), het Chinees (de bloemlezing Cathay) en het Japans (de klassieke Nō-spelen) – vertalingen die de dichter tevens beschouwde als een vorm van praktische poëziekritiek en (zo schreef Rodenko) als ‘literair-kritisch demonstratiemateriaal’.

In deze beknopte bespreking ter gelegenheid van Rodenko’s honderdste geboortedag ben ik voorbij gegaan aan veel waardevols dat door hem eveneens in essays en kritieken werd vastgelegd. De poëzie van Gerrit Achterberg bijvoorbeeld heeft hij herhaaldelijk met verve begeleid en toegelicht. De keuze voor de hier besproken artikelen echter biedt mij de gelegenheid met een lyrisch vers van Ezra Pound te eindigen dat ooit door Paul Rodenko van een scheppende vertaling werd voorzien. De Engelse versie – nog voor de tijd van het imagisme geschreven – maakte deel uit van de bundel Personae.

 

Francesca

 

Zo kwam je binnen: uit de koele nacht

En bloemen geurden in je handen.

Maar morgen zul je uit een mist van mensen komen

Uit een bemoeiziek woordrumoer.

 

Ik die je zag temidden van de ongerepte dingen –

Hoe toornig was ik toen je naam

Op alledaagse plaatsen werd genoemd.

 

O dat de golven de zee van mijn waken overrompelden

En dat de wereld als een herfstig blad verschrompelde

Of weggevaagd werd als de ijle pluis van paardebloemen

Misschien dat ik je dan terug zal vinden

 

Alleen.

 

Vertaling: Paul Rodenko

 

 

Francesca

 

You came in out of the night

And there were flowers in your hands,

Now you will come out of a confusion of people,

Out of a turmoil of speech about you.

 

I who have seen you amid the primal things

Was angry when they spoke your name

In ordinary places.

I would that the cool waves might flow over my mind,

And that the world should dry as a dead leaf,

Or as a dandelion seed-pot and be swept away,

So that I might find you again,

Alone.

 

Uit: Personae of Ezra Pound (1908-1910)

 

 

* ‘Verscheurd door woorden – wolkbreuken: / Te diep in het brein, te schraal in de droom.’

Over de auteur:

H.C. ten Berge (1938) is dichter, prozaschrijver, essayist en vertaler. In 2006 ontving hij de P.C. Hooftprijs. Ten Berge is de oprichter van het tijdschrift Raster (1967-2008, tijdschriftraster.nl), dat beschouwd kan worden als de literaire voorganger van Terras. In 2016 verscheen zijn dichtbundel Splendor, in 2018 Een spreeuw voor Harriët(essays, dagboekbladen & veldnotities) en in 2020 de dichtbundel In tongen spreken.