thema:

Over Robert Walser

In het werk van Robert Walser is alles doordrenkt van een onpeilbare ironie. Onpeilbaar omdat je je wel eens afvraagt of het werkelijk ironisch bedoeld is. Hij drijft niet alleen de spot met de inhoud, maar ook met de taal zelf. Nu eens schrijft hij losjes in spreektrant, dan weer verheven, theatraal of extatisch. Ook maakt hij graag nieuwe woorden. Max Brod schreef in 1913: ‘Nog nooit heeft iemand zich zo kunstig laten gaan. Niet ‘wat hij wijs verzwijgt’, maar wat hij onwijs uitkraamt, lijkt hier de meester van de stijl uit te maken.’ Hij is dol op overdrijvingen die aan het krankzinnige en potsierlijke grenzen. Hij schrijft maar door en springt van de hak op de tak: ‘Ik schrijf over alles even graag. Niet het zoeken naar een bepaald onderwerp trekt mij aan, maar het zorgvuldig uitkiezen van mooie woorden. Ik kan uit één idee wel tien, ja wel honderd ideeën ontwikkelen, maar een basisidee schiet mij nooit te binnen.’ (Fritz Köchers Aufsätze, 1904). Walsers werk zit vol paradoxen. Hij houdt van absurde kronkelredeneringen waar je maar beter niet te lang over door kunt denken, want dan word je gek. Walser blijft altijd ongrijpbaar, dat is zijn gigantische kracht. ‘Niemand heeft het recht zich tegenover mij te gedragen alsof hij mij kent.’ (Das Kind (III), 1924)

Je kunt met een gerust hart zeggen dat Robert Walser (Biel 1878 – Herisau, Zwitserland 1956) een extreem eenzaam leven heeft geleid. Hij woonde op armzalige huurkamertjes waar soms ‘het behangsel in treurige, weemoedige flarden langs de wand hing’. Hij wilde graag ‘klein’ zijn en blijven, hij wantrouwde succes, wilde absoluut geen publieke literaire persoonlijkheid worden. Hij had het ook niet op schrijvers die zich op dat terrein uitleefden. In Berlijn, waar hij vanaf 1905 een paar jaar bij zijn succesvolle broer Karl inwoonde, flapte hij er ooit op een chique feest tegen de hem welgezinde Hugo von Hoffmansthal uit: ‘Kunt U niet een beetje vergeten dat U beroemd bent?’ Walser heeft een lange periode gekend waarin hij, zij het met moeite, kon leven van zijn korte publicaties in kranten en tijdschriften, maar uiteindelijk moest hij toch weer terugvallen op suffe baantjes die hij ook snel weer opzei, om weer ‘vrij’ te zijn om te schrijven. Hij maakte graag lange, zelfs zeer lange wandelingen, ook ‘s nachts. En als hij even wat geld had, zat hij als stevige drinker graag in de kroeg.

Tegen zijn 53ste levensjaar, nadat hij in Bern in 5 jaar tijd 15 keer van huurkameradres is veranderd, wordt de eenzaamheid Walser teveel, hij wordt psychotisch en doet een paar mislukte zelfmoordpogingen. Zijn oudste zus Lisa brengt hem naar de psychiatrische kliniek Waldau, en een paar jaar later, in 1933, wordt hij onder fysieke dwang opgesloten in de Heil- und Pflegeanstalt in Herisau. De diagnose luidt: schizofrenie, een wel erg globale term. Hij is tot aan zijn dood geheel compos mentis, maar hij weigert nog te schrijven: ‘Ik ben hier niet om te schrijven, maar om gek te zijn.’ In hoeverre je zijn verblijf hier triest moet vinden, is de vraag. Zelf zei Walser over Hölderlin, die het laatste stuk van zijn leven opgesloten in een toren doorbracht: ‘Ik ben ervan overtuigd dat Hölderlin de laatste dertig jaar van zijn leven helemaal niet zo ongelukkig was als de literatuurprofessoren beweren. In een bescheiden hoekje weg kunnen dromen zonder dat er voortdurend een beroep op je wordt gedaan, is bepaald geen martelaarschap.’ Er worden hem allerlei voorkeursbehandelingen aangeboden, maar daar wil hij niets van weten, hij houdt zich consciëntieus aan het gangbare corveerooster, en alleen na de lunch heeft hij even ‘vrij’: dan zet hij zijn hoed op, gaat zwijgend bij de deur staan tot een personeelslid deze voor hem van het slot doet, maakt zijn wandeling en komt punctueel op tijd weer terug. Tot op Eerste Kerstdag 1956, dan wordt hij door kinderen niet ver van de kliniek dood aangetroffen, liggend in de door hem zozeer geliefde sneeuw.

Lees uit Robert Walser, De vrouw op het balkon en andere prozastukjes, Parrèsia: Amsterdam 2013.

Kleine voettocht
Zenuwachtig
Treinreis

Kijk hier voor meer vertalingen van Robert Walser

Over de auteur:

Machteld Bokhove (1949) is architecte en Robert Walservertaalster. Ze publiceert haar vertalingen op www.robertwalser.nl. Twee prozastukjes verschenen in 2009 in het tijdschrift 'Armada', en recent kwam een bundeling uit onder de titel 'De vrouw op het balkon en andere prozastukjes' (Uitgeverij Parrèsia, 2013). Momenteel werkt Machteld Bokhove aan een nieuwe vertaling van Walsers roman 'Der Gehülfe'.