Blog | , augustus 1, 2012

Schets van het landschap III

Als ik van buiten naar binnen ga, vragen ze of het koud is. Kom ik in het donker terug, dan vragen ze naar het weer en of er ook sterren zijn.

1. Ik denk na over het begin van de wereld en kom steeds dit nadenken tegen.

2. Als ik alles wat ik lees ook zou begrijpen, hoef ik nooit meer iets te onthouden. Als ik me over de vorm van de eerste letter van het boek verbaas, raakt het boek nooit uitgelezen. Ik haal kort adem om het spreken te hernemen, hef mijn pen op om een zin te voltooien. Nu er een pauze valt in ons gesprek, kunnen we elkaar eindelijk ontmoeten.

3. Het wier in een rivier, twijgen en takken van bomen wiegen, zweven en klapperen. Ondanks het constante stromen van water, het blazen van wind buigen noch het wier, noch de takken als versteend één kant op. Aan water en wind ontsnappen ze. Daarin laten ze ons de werkelijke leegte zien, waarin ze in het wiegen, zweven en klapperen rusten.

4. Een apparaat dat ik voor het eerst in handen krijg, wentel ik alle kanten op. Ik probeer te zien hoe het apparaat werkt. Als ik het landschap uit mijn jeugd aan een vriend beschrijf, wentel ik het beeld in mijn hoofd om de beschrijving ervan te grijpen.

5. De eenvoudige rekensom vier minus min vier (4 – (-4)) heeft slechts een wiskundige oplossing: acht. Wanneer ik de rekensom onder woorden breng (ik heb er vier en jij hebt er vier in schuld, als ik jouw schuld van mijn bezit aftrek, dan hebben we samen niets) dan geeft elke beschrijving een andere oplossing (hoeveel heb jij er minder dan ik). Er bestaat een indianenstam die een taal spreekt waar geen getallen in voorkomen. Ze maken slechts het onderscheid tussen één en veel.

6. Wanneer ik zie hoe een kat zijn uitwerpselen begraaft onder het zand, dan zie ik de kat en niet de beschrijving. Ik bewonder de schrijver die met het beeld ook de beschrijving ziet. Bernlef kijkt naar de kattenkop die wat achter hem ligt, vergeten is: de trappende poten half door mens getemd, half in het wild bewegend.

7. In het leeggelopen bad, waarin net mijn dochter nog speelde, bevindt het speelgoed zich in een orde die ik niet zelf had kunnen bedenken. Een schitterende willekeur geeft toch haar ordenaar prijs. Rode en gele bekertjes, te klein voor het afvoergat geordend en gekanteld als een blauwdruk van het water. Dit is hoe water denkt, als een kind, te jong nog voor dit spel.

8. Water wordt talrijke vingers. In de branding lopen ze over het zand. Aanrollende golven schrijf ik, of hoe het water bruisend over het zand terugstroomde. Het rulle zand. Het deinen van de golfslag, een door storm opgezweepte oceaan. Thuis, tegen het raam, wordt het water tot regen geslagen. Waar de wind niet blaast, slaat de golf om.

9. Snij met een briefmes de brief open in het licht van de lamp en kijk tegen het schijnsel van de lamp hoe papier stof wordt. In de brievenbus viel een pakket waarop mijn adres in handschrift, de afzender was onbekend. De film die de brief bevatte liet zien hoe aan de inkt en het papiersoort de afzender te achterhalen is.

10. Als kind viel ik aan het eind van mijn tuin van de wereld af. Nu is mijn wereld rond en nietig in een heelal vol sterrenstelsels. God is een afspiegeling van de mens, de atoom is deelbaar en wie een liter water drinkt weegt een kilo zwaarder. In een heel leven leer je nu waar de neolithische mens duizenden jaren over deed.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

——————————————-

Deze bijdrage is een onderdeel van het project ‘Schets van het landschap’ en werd eerder gepubliceerd op de weblog van Kunsthuis SYB

Over de auteur:

Ruth Verraes (1980, BE) is kunstenaar en woont en werkt in Amsterdam. Ze studeerde aan het Sint-Lucas (MA) in Gent en de Rietveld Academie (BA) in Amsterdam. Recente exposities en presentaties: So it must be a stone (Belgische ambassade, Den Haag 2014), Het ding dat begint begint (C&H art space, Amsterdam 2013), So sieht es aus (met Nana Kreft, Axel Obiger, Berlijn 2013). www.ruthverraes.com