Signalementen december

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Alexander Kluge – Lente met witte vlaggen. April 1945

Van Alexander Kluge (1932), binnen de Duitse letteren ooit de ‘bekendste van de onbekende schrijvers’, verscheen nog nooit een boek in Nederlandse vertaling – wel wat teksten in tijdschriften, in Raam, in Raster (waar hij het maar liefst twee keer tot thema-auteur schopte) en in Yang. Nu brengt Cossee 250 pagina’s Kluge in boekvorm, en meteen een unicum: geen een-op-een vertaling van een van de vele titels uit Kluges zestigjarige schrijverschap maar een door Kluge en Cossee-uitgever Christoph Buchwald samengestelde verzameling fragmenten ‘over de laatste vier weken voor de ondertekening van de Duitse onvoorwaardelijke capitulatie op 8 mei 1945’. Deze verzameling met hoofdstukken uit drie boeken van Kluge is aangevuld met een nawoord van Thomas Combrink bij Der Luftangriff auf Halberstadt am 8. April 1945 (waaruit zo’n 70 pagina’s zijn vertaald) en een laudatio van Anselm Kiefer uit 2014. En na de bronvermelding en beeldverantwoording volgt dan ook nog een korte, zinderende tekst die in de inhoudsopgave ‘Hekserij’ heet maar op de pagina zelf de titel ‘Spookachtig hemelfenomeen boven de Brocken’ draagt, waarin we lezen over een van de laatste inspiraties van Einar Schleef (1944-2001), de theatermaker die furore maakte als de herontdekker van het koor. Gelukkig wordt dit alles niet in een uitputtend nawoord verklaard en verantwoord. Nee, de lezer mag het zelf uitzoeken – het creëren van een actieve lezer (en kijker) is immers altijd Kluges voornaamste project geweest. Bijzonder aantrekkelijk aan de gekozen opzet is de ontwikkeling die we de schrijver-verzamelaar Kluge zien doormaken: in de delen uit Luftangriff – oorspronkelijk gepubliceerd in 1977 – valt nog een zekere documentaire gestrengheid te bespeuren, terwijl de latere fragmenten getuigen van een vrijer schrijven, waarin ook meer plaats wordt ingeruimd voor de ironie van de geschiedenis. Neem de etnoloog Erwin Zumsteg – Google kent hem niet – die de jaren 1939-1945 doorbrengt bij een ‘steentijdstam’ op Nieuw-Guinea. Aldaar constateert hij ‘een hoog aanvalspotentieel en tegelijkertijd een hoge persoonlijke drempel ten opzichte van gewelddadige inzet van deze krachten. Indien andere steentijdvolkeren eender waren, meende hij, dan was het beginstadium van de mensheid niet gebaseerd op agressie, zoals Sigmund Freud had aangenomen.’ Begrijpelijkerwijs wordt beschaving vervolgens tussen aanhalingstekens geschreven.

Cossee | 2021 | Vertaald uit het Duits door Anne Folkertsma en Marianne van Reenen | 254 pagina’s | €27,50

 

Sprookjesland is van iedereen

Sprookjes kunnen allerlei functies vervullen: ze kunnen spannend zijn, literaire waarde hebben, de lezer iets leren of – in het geval van Sprookjesland is van iedereen – aanjager zijn van een politiek debat. Wat Hongaarse media aan kinderen laten zien over ‘het anders zijn’ wordt vaak bediscussieerd in de maatschappij, maar meestal gaat het dan over tekenfilmpjes. Literatuur heeft vaak een beschermde positie. Een literaire tekst die controversieel is blijft doorgaans buiten beeld in de pers. Maar de bundel Sprookjesland is van iedereen heeft in Hongarije een hard debat ontketend, over wat kinderen wel mag worden geleerd en wat niet. In deze verhalen komen de helden uit ondervertegenwoordigde groepen: een Roma-prins vindt liefde, een transseksuele ree kan een gewei hebben, en een luiaard krijgt, als dierlijk immigrant, erkenning in de maatschappij. In elk sprookje staat een gemarginaliseerde figuur centraal en krijgt een happy ending. Het boek is om meerdere redenen in het oog springend. Ten eerste is het door een NGO uitgegeven. Ten tweede bestaat de bundel gedeeltelijk uit debutanten en amateurschrijvers, en gedeeltelijk uit gerenommeerde schrijvers die gevraagd werden kinderliteratuur te schrijven, ook als ze dat nooit eerder deden. De vertaling van Mari Alföldy is zeer geslaagd, de persoonlijke stijlen van de verschillende auteurs blijven in het Nederlandse goed overeind. Het niveau van de verhalen is wisselend. ‘IJzeren Hansje’, geschreven in de stijl van traditionele Transsylvanische verhalen, of ‘Diderik, het konijn met drie oren’ met zijn drie verhaalniveaus en levendige taalgebruik zijn zeker aanraders. De benadering van sprookje als genre is wisselend en loopt uiteen van het imiteren van andere moderne sprookjes tot het bewerken van oude volksverhalen. De boodschap is duidelijk (in sommige gevallen zelfs te didactisch): er hoeft niets nieuws uitgevonden te worden om alle minderheidsgroepen een plek te geven in kinderenverhalen. Deze bundel is een goed voorbeeld van hoe bestaande verhalen met een beetje inzet inclusiever kunnen zijn. Een kleurrijke maatschappij vereist kleurrijke sprookjes. En kinderen begrijpen het ook.

Matan Publishers | 2021 | Vertaald uit het Hongaars door Mari Alföldy | 184 pagina’s | € 17,95

 

Astrid H. Roemer – Ik ga strijden moeder. Gekozen gedichten

Als de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Astrid Roemer iets pijnlijk duidelijk heeft gemaakt, is het dat men liever over haar persoon spreekt dan dat men haar werk leest. Of de korte zomer van de Roemer-polemiek haar meer lezers heeft opgeleverd, valt helaas dan ook ernstig te betwijfelen. Voor een auteur wier werk steeds wordt gevierd als ‘complex’ en ‘weerbarstig’, moet het een vreemde gewaarwording zijn geweest dat dit in de praktijk blijkt te betekenen dat men er dan maar helemaal aan voorbijgaat. Oftewel: waar blijven na de columns en de ingezonden brieven de interpretaties, de essays en de analyses? In afwachting daarvan heeft de onlangs onverwacht overleden Koos van den Kerkhof een bloemlezing samengesteld uit de zeven dichtbundels die Roemer sinds 1970 heeft gepubliceerd, aangevuld met een aantal verspreide gedichten. Enkele daarvan zijn niet eerder in druk verschenen, waaronder een ‘In Memoriam’ voor Jos Knipscheer. Roemers dichterschap vormt niet de kern van haar oeuvre – hoewel niet betwist zal worden dat veel van haar proza een poëtische intensiteit bereikt – maar het is boeiend om te kunnen zien hoeveel richtingen ze ook als dichter verkend heeft, zelfs al is het resultaat niet altijd even memorabel. Van den Kerkhof heeft uit al haar bundels gedichten gekozen, maar legt de nadruk op het latere werk, dat van ‘de diva die in spannende vertelbeelden de lezer weet te betoveren’. Dit zijn ook onmiskenbaar de betere gedichten, vol van de bekende thematiek van het grote verlangen ‘(wie denkt dat verlangen / gezond is moet ziek zijn)’ en een niet minder groot gemis, maar waar tegelijkertijd ook plek wordt gemaakt voor poes Steffi. De voorgenomen strijdbaarheid uit de titel van de bundel is daarin niet altijd een gegeven; regelmatig wordt er pas op de plaats gemaakt, ook als een gedicht ‘Hoop’ heet:

Een wachten vergelijkbaar met

bloeiende rozenstruiken waarvan niet één

roos wordt geplukt door een gretige

hand.

Een oceaan die onophoudelijk golft en

geen strand voelt.

Vergelijk het met een albatros die na

jaren in de wind geen hooggebergte

vindt om te landen.

In de Knipscheer | 2021 | Nederlands | 136 pagina’s | €19,50

 

Dietsche, Warande & Belfort – Schreeuwen op de markt. Excentrische literatuur

‘Bijna veertig jaar na het verschijnen van Jacq Vogelaars themanummer Gestoorde teksten in het literaire tijdschrift Raster, lijkt het tijd voor een nieuwe publicatie over wat vaak “outsiderliteratuur” wordt genoemd.’ Zo opent het septembernummer van Dietsche, Warande & Belfort, dat geheel in het teken staat van ‘excentrische literatuur’ en is samengesteld door Patrick Bassant, Jan Daems, Arnout De Cleene en Yves Petry. De curatoren ontwaren in de afgelopen decennia een toegenomen belangstelling voor outsiderkunst en -literatuur, en zien daarin een aanleiding om de schijnwerper eens te meer te richten op de marges. Het nummer wordt niet enkel bevolkt door schrijvers wier status als ‘outsiderauteur’ inmiddels relatief stevig is verankerd in de literatuurgeschiedenis, zoals J.M.H. Berkmans en Sophie Podolski (wier volstrekt idiosyncratische Le pays où tout est permis voor het eerst gedeeltelijk naar het Nederlands is vertaald), maar ook door schrijvers die zich nog altijd hooguit in de krochten van de literatuur ophouden, zoals Maarten Otten, Jan-Bart Leo en Wim Maljaars. Die laatste, over wie Kees Hin en Sandra van Beek een documentaire maakten, hield een blog bij waarop hij op geheel eigen wijze verslag doet van zijn leven. Patrick Bassant maakte daaruit een selectie. Verder bevat dit nummer een prachtig essay van Wouter Kusters – zowel vanuit theorie als ervaring kenner op het vlak van psychoses – waarin het belang van het schrijven wordt benadrukt voor degene die in een ‘waanzinnige crisis’ belandt. Om dat te kunnen doen maakt Kusters een onderscheid tussen ‘psychose’ en ‘waanzin’, waarbij het eerste het betekenisveld betreft dat ‘is afgebakend en gevormd door de psychiatrie en haar manier van spreken, denken en handelen’, terwijl het laatste ‘wordt gekenmerkt door vrijheid’. In het medische discours wordt de psychose geclassificeerd als iets foutiefs, een stoornis, een lichamelijke aandoening, en zo bij voorbaat ontdaan van elk betekenispotentieel. Maar ‘ook zonder een dokter die schrijft, of voorschrijft, gaan periodes van waanzinnige crisis nogal eens gepaard met verwoed denken, praten én schrijven over jezelf, over de wereld, en over de relatie én separatie tussen deze twee.’ Als de ‘waanzinnige’ zelf de pen oppakt, nog voordat de medici hem in hun greep hebben weten te krijgen, kan een crisis van waanzin juist betekenisvol worden. ‘Het is niet verwonderlijk dat tijdens crises naar de pen wordt gegrepen: om het hart te luchten, om grip te krijgen op het ongrijpbare – om zichzelf “uit te schrijven”, zichzelf te doorschouwen, te ordenen, en in taal te begrijpen.’ Verder in dit nummer bijdragen van Erik Thys, Jorre Vanbaelen, Peter Holvoet-Hanssen, Kevin Barnas, Paul Moyaert, Lies Pauwels, Kim Andringa en anderen.

Uitgeverij Vrijdag | 2021 | Nederlands | XXX pagina’s | €15,-

 

Lauren Elkin – No. 91/92. A Diary of a Year on the Bus

Lauren Elkin (New York, 1978) noteerde van september 2014 tot mei 2015 de indrukken die zij opdeed op de Parijse buslijnen 91 en 91, twee keer per week heen (ochtend) en terug (middag) van haar huis naar de universiteit. Deze busnotities tikte ze tijdens de ritten op haar iPhone 5c, geheel in lijn met haar observatie dat er op de bus – in tegenstelling tot de metro – geen kranten of boeken worden gelezen maar alleen op schermen wordt getuurd. Met deze snapshots van een academische forens bevindt Elkin zich in goed literair gezelschap, zoals ze zelf weet: ‘Oulipians are never so happy as when they’re on the bus‘ schrijft ze, verwijzend naar aartsvaders Perec, Queneau en Roubaud. Dat Elkin daarbij wel een uitdrukkelijk vrouwelijk perspectief inbrengt, zal niet verrassen voor wie haar eerdere boek over de flâneuse kent. Elkin had met deze notities aanvankelijk niet per se een boek op het oog, maar de gebeurtenis van de afgelopen twee jaar heeft deze ervaringen van ‘public transport in all its fleshy reality‘ een glans verleend die zich niet alleen als nostalgie laat afdoen. De voortdurende subtiele en minder subtiele schermutselingen om een zitplek tijdens de spits, het gehoest en gehijg, de eindeloze stroom vreemden: het lijken soms inderdaad wel berichten uit een verdwenen wereld, een wereld waar samenleven vooral bestaat uit ‘going together, while companionably ignoring one another’. En dat idee functioneert ook maar al te goed, tot er iets gebeurt. ‘The bus is on diversion. The driver breaks the fourth wall to tell us. Then so do the passengers, consulting and commiserating with each other whereas ten minutes ago they pretended they were invisible. All of us departing from convention.’ Elkin zelf verlaat haar procedé overigens ook tegen het einde van het boek: een miskraam maakt ook een abrupt einde aan het ritme waarmee ze zich tot dan toe verplaatste. Eerder al hebben de aanslagen van 13 november 2015 hun weg gevonden onder de huid van het alledaagse bestaan, zoals in menig Oulipo-product de oorlog onder de oppervlakte meetrilde. ‘This si parisienne elevation of the ordinary into something compelling knows that in its peripheral vision lurks the menace of evil, and purposefully, radically chooses to focus, instead, on the fabric of peace.’

Semiotext(e) | 2021 | Engels | 128 pagina’s | €16,99

 

Gustave Flaubert – Lettres de Grèce, suivies des Notes de voyage

De bijnaam ‘kluizenaar van Croisset’ heeft Gustave Flaubert te danken aan de negentiende-eeuwse schrijver Marie Régnier, die hem in een brief eens zo noemde. In een landhuis in Croisset, onder de rook van Rouen, bracht Flaubert een groot deel van zijn leven door. Hij duldde inderdaad maar weinig interrupties bij het eindeloze schaven aan zinnen die maar nooit volmaakt leken te worden en die hem tegelijk tot wanhoop en in extase brachten. Nadat hij de eerste versie van De verzoekingen van de heilige Antonius vol verwachting aan zijn vrienden Maxime du Camp en Louis Bouilhet had voorgelezen, die hem aanraadden het manuscript in het vuur te gooien, was een reis welkom. Ondanks zijn kluizenaarschap en gezondheidsklachten vertrok Flaubert in 1849 met Du Camp richting het Midden-Oosten, waarbij hij ook Griekenland aandeed. Op 18 december 1850 kwam hij aan in de haven van Piraeus, om op 11 februari 1851 weer te vertrekken richting Napels. In Lettres de Grèce zijn enkele van Flauberts brieven, aantekeningen en een reisverslag uit deze periode verzameld. In het voorwoord schrijft Jacques Heuzey dat Flaubert zich, ondanks de nodige beproevingen waaraan het Griekse landschap hem onderwierp, op zijn gemak voelde in het ‘land van de kennis’. Inderdaad is terug te lezen hoe hij zich laaft aan de Griekse tempels, de ruïnes van een vergane en tegelijk nog immer betoverende wereld. Voor Flaubert is de aanblik van een vrouwenbuste bij de Propyleeën van de Akropolis genoeg om zelfs ronduit in vervoering te raken: ‘Twee borsten als appels, de linker bedekt door een neerhangend kleed, de rechter naakt! Wat een tiet! Hoe mooi is die! Wat mooi! Wat mooi!’ Bij vlagen heeft het landschap een vergelijkbare uitwerking op hem: ‘Het hele landschap is van een kalmte, een bevallige waardigheid, het heeft dat onbestemd klassieke, je voelt je verliefd. Ik wilde huilen en over de grond rollen; ik had graag het plezier van het gebed gevoeld, maar in welke taal en volgens welke formule?’ Het landschap en – zoals altijd – de kunst zijn Flauberts toevluchtsoord, ook wanneer hij op reis is. Op minder lyrische momenten verlangt Flaubert terug naar zijn schrijfkamer in Croisset, maar maakt hij zich ook zorgen over zijn toekomstig schrijverschap: ‘Ja, ik word ouder; het schijnt me toe dat ik niets goeds meer kan doen. Ik ben bang voor alles op het gebied van stijl. Wat ga ik schrijven als ik terugkom? Dat is de vraag die ik mezelf onophoudelijk stel.’ Dit schrijft Flaubert in 1851, als hij 30 jaar oud is, aan Bouilhet – op het moment dat grote werken als Madame Bovary, Salammbô en Bouvard et Pécuchet nog moeten verschijnen.

Casimiro | 2021 | Frans | 94 pagina’s | €8,-

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Dorien de Wit. Vormgeving: Herman van Bostelen Stagiair: Márton Biró