Signalementen juni

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Juan Benet – Een graf / Numa, een legende

‘Maar als iemand mij vraagt welke prozaschrijver uit Spanje te onbekend is in Nederland, moet het antwoord zijn: Juan Benet.’ Aldus Barber van der Pol toen ze in 1994 voor Raster een inleiding schreef op een door haar vertaald romanfragment van Benet (1927-1993). Als ze inmiddels met een andere naam op de proppen zou komen, kan dat in ieder geval niet aan een Nederlandse doorbraak van Benet worden toegeschreven. Maar zie, een kleine 30 jaar later is er toch ineens weer een uitgever die het gaat proberen met zijn werk: het onvermoeibare Kievenaar (dat sinds dit jaar ook al een nieuwe serie Onetti-vertalingen de Nederlandse letteren binnensmokkelt), naar eigen zeggen ‘heuse stiefkinderen van Coppens & Frenks’. Deze uitgave bestaat uit twee novellen die zich afspelen in de geheel eigen wereld die Benet heeft gecreëerd – zijn Yoknapatawpha County, vergelijkingen met Faulkner lijken onvermijdelijk – en die ook het decor vormt voor zijn grote roman Je zult terugkeren naar Región. Het verschil in toon, premisse en uitwerking tussen deze twee novellen belooft veel voor de reikwijdte van dit grote werk van Benet, waarvan Kievenaar al een vertaling heeft aangekondigd, eveneens van de hand van M. Vanderzee, die geen geheim maakt van de moeilijkheid deze auteur te vertalen. Het ontbreken van een pasklaar kader om de ‘de fervente anti-realist’ Benet in op te bergen kan voor avontuurlijke lezers alleen maar een groot geluk zijn: ‘De ervaring trekt rond elke handeling en elk object een kader, dat nog slechts met moeite door de verbeelding kan worden doorbroken en het leven van de geest is rijker en stimulerender, als het kader nog niet getrokken is en het denken vrij kan doordringen in een onaffe en kneedbare massa vol mogelijkheden die pas door het kader vaste vorm krijgt.’

Kievenaar | 2021 | Vertaald uit het Spaans door M. Vanderzee | 128 pagina’s | € 19,-

 

Heike Geißler – Seizoenarbeid

Wat is een schrijver naast het schrijven? Wat doet de schrijver naast het schrijven, bijvoorbeeld om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien? Met name die laatste vraag is bij uitstek te betrekken op het recent vertaalde Seizoenarbeid van de Duitse auteur en vertaler Heike Geißler. In dat boek doet ze verslag van haar periode als magazijnmedewerker bij Amazon en schreef ze, in de woorden van de achterflap, ‘het eerste en enige literair relaas over de flextijd in ondernemingen die “vrijheid” biedt aan wegwerparbeiders.’ Haar verslag is inderdaad om uiteenlopende redenen uitzonderlijk te noemen, en tegelijkertijd is het wel te plaatsen in een langere traditie van boeken als Thierry Metz’ Dagboek van een ongeschoold arbeider (1990), Joseph Ponthus’ Aan de lopende band (2019) en in Nederland Bernard Wesselings Midzomer, stadsmoe (2020). Geißler loodst haar lezer door het hele proces dat ze zelf doormaakte bij Amazon: van de vernederende sollicitatieprocedure tot de onpersoonlijke ontslagbrief. Ze plaatst de lezer letterlijk in haar positie door grotendeels in de ‘u-vorm’ te schrijven, en de lezer als ik-verteller soms aan te spreken. ‘Ik heb al veel jobs gehad en u misschien ook. U hebt in elk geval mijn job als seizoenarbeider bij Amazon, wat meer dan voldoende is om alles te ontdekken wat er te ontdekken valt over het werkleven in zijn meest gemene vorm.’ Door middel van dit perspectief maakt ze niet alleen de ervaring van de seizoenarbeider inzichtelijk, maar sijpelt ook de anonimiteit en inwisselbaarheid van de seizoenarbeiders door in de vertelvorm: u als lezer kunt moeiteloos mijn plaats innemen. Echt vrolijk stemt die plaats niet, zoals te verwachten was: werken in de vreugdeloze, kolossale magazijnen van Amazon betekent geconfronteerd worden met minutieuze monitoring, vernedering, ontinvidualisering, waarbij uiteindelijk ‘alles ondergeschikt [is] aan het tijdsbesef, en ieder product dat verwerkt moet worden, is slechts iets dat het aanhouden van de vooropgestelde timing meer of minder in het gedrang brengt.’ Dat Geißler het slechts enkele weken volhield bij Amazon is weinig verbazingwekkend. Elke lezer zou, op basis van de ‘geleende ervaring’ die haar boek biedt, waarschijnlijk dezelfde vluchtwens koesteren uit dit dystopische universum. Ontslag nemen is dan ook een opluchting, maar geen oplossing.

het balanseer | 2020 | Vertaald uit het Duits door Hannelore Roth |  203 pagina’s | € 24,50

 

Tayeb Saddiki – Abu Hayyan Al-Tawhidi

Op deze groteske theatertekst zijn twee inleidingen geschreven en dat kan bepaald geen overbodige luxe genoemd worden: in de eerste, van de hand van Mohamed Saadouni, wordt Tayeb Saddiki (1938-2016) geïntroduceerd als ‘een van de grondleggers, zo niet dé grondlegger van het hedendaagse Marokkaanse theater’, in de tweede verhaalt Michiel Leezenberg van de ‘gouden eeuw van de islam’, waarin ook de filosoof-literator Abu Hayyan Al-Tawhidi zijn plaats vindt. Een ketter of een ongelovige, zo werd later over hem geoordeeld – en juist dat vormde voor Saddiki het aangrijpingspunt voor zijn hogelijk retorische toneeltekst (die precies daarom ook uitstekend als leestekst werkt), waarin we als lezer-toeschouwer getuige zijn van een tribunaal met Al-Tawhidi in de beklaagdenbank. Historisch niet helemaal in de haak, leren we van Leezenberg, maar voor Saddiki een uiterst bruikbare hypothese om de positie van de kritische intellectueel in de Arabische wereld aanschouwelijk te maken (actualiteitswaarde verzekerd, Saddiki schreef en regisseerde het stuk in 1983). Een leerstuk is het zeker niet, al bevat de kleine parabel over de blinden en de olifant een vorstelijk inzicht: ‘Niemand van jullie heeft gelogen en niemand vertelt de hele waarheid.’ Deze tekst is de zesde uitgave in een reeks waarmee Moussem theaterrepertoire uit het Arabisch sprekend taalgebied in het Nederlands introduceert. Dat betekent ook altijd een vruchtbare ontmoeting met de Arabische geschiedenis, in dit geval met de intellectuele bloeiperiode van de islamitische wereld rondom het jaar 1000, waar alleen al afgaand op de noten van vertaler Nisrine Mbarki bijzonder veel interessants over bij te lezen (en te vertalen!) valt.

Bebuquin | Moussem | 2021 | Uit het Arabisch vertaald door Nisrine Mbarki | 144 pagina’s | € 16,-

 

Thijs Lijster, Chris Keulemans, e.a. – De grote vertraging: de herontdekking van het wandelen

‘Het is belangrijk vast te stellen dat, wanneer we flaneren, de stad op een innige manier verbonden raakt met de blik die we hebben op onze omgeving, en de mensen en objecten om ons heen. De stad wordt een medium van ervaring.’ Dat schrijft de filosoof Thijs Lijster in zijn essay ‘Flaneren door de stedelijke meent’, dat samen met zeven andere essays is opgenomen in De grote vertraging: de herontdekking van het wandelen. In zijn essay verkent Lijster via Walter Benjamins flaneur en Guy Debords theorie van de derivé (letterlijk ‘afleiden’, het zich moedwillig laten leiden door de aantrekkingskracht van het terrein waar je je bevindt) hoe de stad als medium, dat wil zeggen als ‘lens waardoorheen we de wereld om ons heen ervaren’, ons leven stuurt, en hoe je in verzet kunt komen tegen de dwingende greep van de stadsplanners. Als Lijster tijdens één van zijn corona-omzwervingen een gemeenschapstuintje tegenkomt dat door eenieder vrijelijk gebruikt kan worden, begint hij na te denken over de hele stad als een ‘meent’, een plek die ter beschikking staat van de gemeenschap. Lijsters essay mondt dan ook uit in een pleidooi voor herovering van de stad. De vraag aan wie de stad eigenlijk toebehoort houdt ook Chris Keulemans bezig. In zijn essay verbindt Keulemans nadrukkelijk de ervaring van het wandelen aan de vraag wat ‘thuis’ eigenlijk betekent. Instemmend citeert hij Rebecca Solnit, die stelt: ‘Elke wandelaar is een wachter die patrouilleert om het onzegbare te beschermen.’ Wandelend door Amsterdam-Noord constateert Keulemans dat hij niet zou kunnen uitleggen wat daar beschermd moet worden, maar ‘beschermd moet het. En juist dat, dat ik met elke wandeling meer gehecht raak aan iets waar ik de woorden niet voor weet te vinden, geeft me het gevoel dat ik op het punt sta te begrijpen wat thuis is.’ En te lopen op de straten die voor je huis liggen, dat is een recht, dat niet alleen toebehoort aan Keulemans zelf, maar ook aan zijn buurtgenoten Elvis, Fadiha, en Ahmed. ‘Iedereen die hier loopt, over dezelfde stoeptegelvoegen als ik, heeft daar recht op. Even simpel als fundamenteel. […] Ik heb mijn opstand gevonden. Het is tijd om Amsterdam-Noord, en als we dan toch bezig zijn, de hele wereld opnieuw te verzinnen.’ Die hernieuwde verhouding tot de omgeving, het opnieuw en aandachtiger kijken naar de wereld, de wil om de kille en hyperfunctionele wereld te ontwrichten, het verlangen de straten weer te bezielen, de vraag waar de binnenwereld ophoudt en de buitenwereld begint, wat thuis is en voor wie, dat zijn thema’s en vragen die steeds weer terugkeren in de essays in deze bundel. Naast Lijster en Keulemans ook bijdragen van Alicja Gescinska, Daan Heerma van Voss, Floor Milikowski, Marja Pruis, Haroon Sheikh, en Paul Verhaeghe.

Brainwash, Nijgh & Van Ditmar | 2021 | Nederlands | 160 pagina’s | € 17,50

 

De Gorter Organisatie – De Totale Gorter

De uitgave De Totale Gorter is er gekomen als substituut voor een gelijknamige bijeenkomst die wegens corona tot twee keer toe werd geannuleerd. Doel van die bijeenkomst was de ‘Gorter Organisatie’ in beeld te brengen door middel van voordrachten en lezingen. Het uitgangspunt van de Gorter Organisatie is dat ‘alles wat poëzie waardevol en belangwekkend maakt, bij Herman Gorter in het groot gebeurt’. Voorop staat het idee dat we Gorter opnieuw moeten leren lezen en zo een beter begrip krijgen van ‘de wijze waarop poëzie maatschappelijk functioneert’. In deze verzamelbundel wordt dit vertrekpunt in praktijk gebracht, bijvoorbeeld door Loranne Davelaar, die Pan vanuit ecofeministisch perspectief herinterpreteert. Geert Buelens maakt een vergelijkbare beweging door zich af te vragen wat er gebeurt als we de passages in Pan over de Eerste Wereldoorlog ‘letterlijk gaan lezen en dan niet met de focus op het imperialisme en het verraad van de arbeiders, maar met de blik gericht op de planeet’. Daarop citeert hij Gorter:

En beide die groepen van het Kapitaal
Wilden de gansche Aarde in hun macht.
En al die machten van het Kapitaal
Hadden de Natuurkrachten in hun macht

In het restant van zijn essay werkt Buelens deze herinterpretatie verder uit, waarbij de verhouding tussen natuur en oorlogsgeweld, en hoe die twee in elkaars licht kunnen worden bezien, leidend is. Bram Ieven trekt die lijn verder door: hij stelt dat Pan politieke of klassieke socialistische poëzie overstijgt, omdat het niet enkel over de mens gaat, maar over het universum: ‘In Pan vinden we talloze passages waarin vormen van menselijk bewustzijn worden ingekaderd in een veel omvattender geheel. Dat is, denk ik, precies het punt van Gorters gedicht: een planetaire poëzie te schrijven.’ Planetaire poëzie, die eveneens sterk politiek van aard is. Die tweeledigheid maakt dat Ieven het politieke denken van Gorter typeert als ‘kosmisch communisme’. Dat idee wordt hernomen door Frank Keizer, die een titelloos gedicht in deze bundel opent met de regel: ‘ik heb het over het verband gehad tussen revolutionair handelen en de natuurlijke wereld’. Naast deze politieke en ecokritische bijdragen treft de lezer in deze losjes samenhangende bundel – met daarin zowel essayistische, poëtische, als biografische bijdragen – werk aan van o.a. Anneke Brassinga, Dennis Bos, Samuel Vriezen, Piet Gerbrandy, Johan Sonnenschein, Hannah van Binsbergen, Jan Kuijper, en Jacob Groot.

De Gorter Organisatie | 2021 | Nederlands | 52 pagina’s | € 10,-

 

Marie Groothof – Tot de wereld weer goed hangt

Er zitten veel benen en voeten in de Tot de wereld weer goed hangt. Ze brengen de mens van de ene plek naar de andere, verliezen hun evenwicht, of weigeren dienst. Een vrouw probeert haar coach uit te leggen dat het feit dat ‘de wereld aan haar voeten ligt’ misschien juist het probleem is: ‘Sinds die verdomde wereld daar ligt, kom ik niet meer vooruit.’ De personages in Tot de wereld weer goed hangt zijn in verwondering en verwarring, over hun plek in de wereld, over hun medemens, en over ‘een leven in eindeloos vervormde rondjes’. In meerdere scènes verlangen ze ernaar ergens anders te zijn dan waar ze op dit moment zijn. Een man op een feestje wil weten hoe hij de ruimte kan verlaten, want: ‘ik kan niet verblijven waar ik niet kan verdwijnen’, een vrouw beweegt zich liever tussen de ‘ijsstormen’ boven zich dan op het bankje waar ze zit, met de hand van de man naast haar als dood gewicht in haar nek. Wie er precies aan het woord zijn, wordt niet duidelijk, ‘vrouw’, ‘man met koffer’ of ‘verschillende mensen op hetzelfde moment’. Maar zowel los van elkaar als gezamenlijk geven ze taal aan hun overpeinzingen over wat het is jezelf te zijn, en zijn ze steeds bezig zich te verhouden. Marie Groothof schreef met Tot de wereld weer goed hangt een dolende tekst met mooie waarnemingen: ‘met de stapels suikerklontjes en de losliggende plastic roerstaafjes heeft het oppervlak naast het koffiezetapparaat iets weg van een miniatuur-bouwplaats’.

De Nieuwe Toneelbibliotheek | 2020 | Nederlands | 58 pagina’s | € 12,50

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Dorien de Wit. Vormgeving: Herman van Bostelen Stagiair: Márton Biró