Signalementen mei

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Anne Boyer Het ontsterven

Wanneer de 41-jarige essayist en dichter Anne Boyer te horen krijgt dat ze een agressieve vorm van borstkanker heeft, nestelt de dood zich met een enorme vaart in haar leven. Opeens is ze een patiënt en moet ze zich zien te verhouden tot de nieuwe situatie. ‘De oude orde bestaat niet meer.’ Boyer gaat de nieuwe orde, die vooral chaotisch is, met open vizier tegemoet. In een instructiemail aan haar vrienden eist ze dat die niet zullen proberen haar niet aan de dood te laten denken.

Het is een boek dat uitwaaiert langs vele thema’s die met ziek-zijn geassocieerd worden zoals pijn, vriendschap, zorg en sterfelijkheid. Maar het verkent ook de plek die kanker heeft in de literatuur: ‘In de literatuur lijkt kanker te fungeren als een instrument voor andermans openbaringen en neemt ziek-zijn de vorm aan van hoe ziek iemand eruitziet.’, en het politieke van ziek-zijn: ‘We krijgen alleen de luidruchtige helft van de waarschijnlijkheid dat de oorzaak in onszelf zit en nooit de andere, stille helft: dat de bron van kanker overal in onze gemeenschappelijke wereld zit. Onze genen worden getest; ons drinkwater niet. Ons lichaam wordt gescand, maar niet onze lucht.’

Het ontsterven is een rationeel en emotioneel relaas, dat ondanks de woede en het onvermogen die het ziek-zijn met zich meebrengt, nergens sentimenteel wordt. Dat is een van de grote krachten van het boek.

Atlas Contact | 2021 | Uit het Engels vertaald door Henny Corver | 272 paginaʼs | € 22,99

 

Ronelda S. Kamfer – Chinatown

Een bezoek aan het winkelcentrum Chinatown is voor de vader van de verteller in deze bundel het ultieme gezinsuitje. De moeder koopt er elke week nieuw beddengoed, de zus smokkelt rum of wodka mee en de verteller mag voor dit familie-uitje het ziekenhuis, waar ze verblijft vanwege haar psychische problemen, twee uurtjes verlaten. In deze vierde, bijzonder krachtige bundel van Kamfer (1981) gaat het veel over familieverhoudingen, die complex zijn en diepgeworteld in de geschiedenis. Kamfer schrijft over voorvallen waar ze geen gehoor voor lijkt te vinden in haar omgeving, of die ze niet heeft willen of kunnen delen. Zie bijvoorbeeld het gedicht Chinatown op zondag: ‘mijn vader zegt tegen me / nu moet je eens normaal gaan doen / je kunt niet met die gekte / aan de gang blijven / ik zeg ik ben niet gek / ik ben depressief en suïcidaal / hij zegt jij gelooft te veel wat de witte mensen zeggen / ik stap uit de auto en zeg / alleen de witte mensen geloven mij / als ik ze van jou vertel

Maar hoop spreekt uit de gedichten die de verteller richt aan haar kind: ‘ik ben de moeder die ik niet heb gehad / zij is het kind dat mijn moeder nooit heeft gekregen’ De woede en het cynisme spatten vaak van de pagina’s af, maar ook humor die hier en daar laconiek genoemd kan worden. Naast Alfred Schaffers vertalingen staan op de linker pagina’s alle  gedichten onvertaald.

Podium | 2021 | Uit het Afrikaans vertaald door Alfred Schaffer | 112 paginaʼs | € 22,99

 

Jidi Majia – Ik schrijf gedichten omdat ik een toeval ben

Dat hij een toeval is, is voor Jidi Majia maar een van de vijfenvijftig redenen waarom hij dichter is – redenen die uiteenlopen van ‘omdat ik als kind ben gekrenkt’, ‘omdat mijn oom naar de stad kwam en mij vertelde dat hij bij hem thuis geesten verdreef, en dat hij daarvoor een schaap en acht kippen nodig had’, ‘omdat het poëzietijdschrift Sterren mijn gedichten publiceerde’, ‘omdat ik al sinds vele jaren een dialoog met onze oude geschiedenis wil aangaan, maar meestal verstom ik’ tot ‘omdat ik het woord ‘misverstand’ maar niet kan begrijpen’. Maar misschien is de belangrijkste: ‘omdat er mensen zijn die niks begrijpen van de Nuosu’. De Nuosu, aldus vertaler Silvia Marijnissen in haar inleiding, ‘is een van de grootste groeperingen binnen het Yi-volk, een bevolkingsgroep van ongeveer 9 miljoen mensen die tot de Tibeto-Birmaanse familie behoort en verspreid is over Vietnam, Thailand en de zuidelijke provincies van China.’ De gedichten van Jidi Majia refereren veelvuldig aan de gebruiken, tradities en rituelen van de Nuosu en zijn een tamelijk directe illustratie van het bijbehorende wereldbeeld: geen conventioneel religieconcept, maar wel een sterke beleving van de intieme verbondenheid tussen alles wat leeft (en leefde), vanuit het besef dat alles dezelfde oorsprong heeft. Marijnissen geeft aan met haar selectie vooral de ‘minderheidsdichter’ aan het woord te willen laten en het resultaat is dan ook dat er uit deze gedichten een zelfbewuste poëtische gids naar voren treedt, die ons op heldere en geduldige wijze door een veelal vreemde werkelijkheid leidt. Begrip is de inzet van deze poëzie, en voor een doorgewinterde westerse lezer is ook dat wellicht een element dat vreemd aandoet.

PoëzieCentrum | Uit het Chinees vertaald door Silvia Marijnissen | 84 pagina’s | € 20,-

 

Tijdschrift voor Slavische Literatuur 86

‘Er moeten al weken, maanden verstreken zijn sinds ik opgesloten zit in dit eenzame oord. Ik val steeds weer in slaap en word dan opnieuw wakker, de dagdromen raken verstrikt met de creaturen van een slaperige donkerte.’ Met deze woorden opent het verhaal ‘Undula’ van Bruno Schulz, dat pas recent werd ontdekt door de Oekraïense historica Lesja Chomitsj, terwijl het al in 1922 werd gepubliceerd – ruim voor het verhaal ‘De vogels’ uit 1933, dat tot op heden als Schulz’ literaire debuut gold. ‘Undula’ is te lezen in het meest recente nummer van Tijdschrift voor Slavische Literatuur (in vertaling van Lien Van Canneyt) en is van een instructieve inleiding voorzien door literatuurwetenschapper Kris Van Heuckelom: ‘De biotoop van de vereenzaamde ik-verteller in Undula is een fantasmagorische wereld die voortdurend balanceert tussen inertie en dynamiek, tussen waken en dromen, tussen uitzichtloze verveling en ongeremde verbeelding.’ Van Wiesław Myśliwski, nog een Poolse auteur in dit nummer, is een voorpublicatie opgenomen uit de roman Het oog van de naald, oorspronkelijk uit 2018, die dit najaar in vertaling bij Querido uitkomt. In die roman is de ontmoeting van een man met zijn oudere zelf op een smalle trap de aanleiding voor een terugblik op het verleden, ‘het ontdekken van wat voorbij is en hoe aan de geschiedenis soms nieuwe betekenis wordt of kan worden gegeven,’ schrijft vertaler Karol Lesman in zijn inleiding bij het fragment. Verder vertaalde Kees Mercks uit het Tsjechisch het korte verhaal ‘De dansnimf’ van Lidmila Kábrtová (1971), uit de bundel Plekken in het donker (2018), waarmee Kábrtová in 2018 de hoofdprijs van het Tsjechisch Letterenfonds won. Ook aandacht voor Klimaatverdriet van Marek Sindelka, poëzie van Elizaveta Michajlitsjenko, een artikel van Aleksandr Radisjtsjev, herinneringen aan Paustovksi van Joeri Kazakov, en meer.

Stichting Slavische Literatuur | 2021 | Nederlands | 80 pagina’s | € 12,50

 

Peter Delpeut – Het vergeten kwaad. De herinneringen van Jonas Mekas

In 2018 verscheen in The New York Review of Books een kritisch artikel over het geheugen van de destijds 95-jarige filmmaker Jonas Mekas (1922-2019). Mekas, die zijn eigen leven uitbundig documenteerde in films, dagboeken en poëzie, zou van zijn oorlogsjaren in Litouwen een verkeerde voorstelling van zaken geven: verzwijgen dat hij gedichten publiceerde in gelijkgeschakelde kranten vol antisemitische artikelen, beweren niks te hebben gemerkt van de brute massamoord op de Joodse inwoners van zijn stad, liegen over zijn motief om op het eind van de oorlog naar Duitsland af te reizen. Anders dan bij soortgelijke controverses – De Man, Grass, Lucebert – luidt de beschuldiging hier niet ‘fout’ te zijn geweest; wat Mekas voor de voeten wordt geworpen is dat hij ‘de autoriteit van een getuige heeft gekregen, maar zich aan de verantwoordelijkheid heeft onttrokken die daarbij hoort’. Een dergelijk gelaagd verwijt vraagt om een omzichtige benadering, waarvoor Peter Delpeut zonder meer de aangewezen persoon is (sla er zijn formidabele omwegenroman In het zwart van de spiegel op na). Delpeut gaat in gesprek: met de auteur van het stuk in The New York Review of Books, met de journaliste die Mekas urenlang interviewde voor het oral history-project van het Holocaust Memorial Museum en bovenal met de nalatenschap van Mekas zelf – een cineast die tot Delpeuts filmhelden behoort sinds zijn studententijd. Het levert een rijk en open reisverslag op door een ingewikkeld moreel-artistiek landschap. In plaats van met een scherp oordeel over Mekas blijft Delpeut achter met een knagend zelfinzicht, en met een filmmaker die dichterbij is gekomen dan helden plachten te doen.

Atlas Contact | 2021 | Nederlands | 222 pagina’s | € 22,99

 

Jean-Philippe Toussaint – La Disparition du paysage

La Disparition du paysage is een theatermonoloog die in januari dit jaar in het Bouffet du Nord in Parijs voor het eerst werd opgevoerd. In de tekst, geschreven door Jean-Philippe Toussaint, staat een man centraal die in Oostende herstelt van een voorval dat hij zich niet herinnert, al wordt gaandeweg duidelijk dat hij slachtoffer werd van de aanslagen in Brussel op 22 maart 2016. Deze man, een schrijver, brengt lange monotone uren door in zijn rolstoel en staart naar het punt waar de zee en de hemel elkaar raken. De innerlijke wereld van het denken was voor hem als schrijver altijd een toevluchtsoord, dat hij kon oproepen om zich te verwijderen van de wereld waarin hij zich fysiek bevond en het beste wist op te roepen als hij ging wandelen. Achter zijn raam gezeten is die innerlijke wereld ontoegankelijk geworden. Hij probeert zijn verleden terug te halen, wat maar zeer gedeeltelijk lukt. Het zijn uitsluitend gemankeerde beelden en fragmenten die hij weet op te roepen, waarvan bovendien de betrouwbaarheid twijfelachtig is. Zo herinnert hij zich dat hij die bewuste ochtend van 22 maart in een café in Brussel op iemand wachtte, maar vraagt hij zich een moment later aarzelend af of hij daar niet op zichzelf zat te wachten. De nevelige waas van de kust van Oostende toont gelijkenissen met zijn onvolkomen herinneringen, die hem als een ondoordringbare mist het zicht ontnemen op zijn vroegere zelf. Regelmatig ontaarden de staarsessies in hallucinatoire, gekmakende waanvoorstellingen. De dag van de aanslag heeft letterlijk een gat geslagen in zijn herinnering. De ‘ik’ die aan het woord is, heeft zijn eigen dood als het ware overleefd en leeft voort in een postuum vacuüm. Als ‘nabestaande’ van zijn eerdere zelf voelt de man zich zo ver van zijn verleden verwijderd dat zijn eerdere zelf als een ander voelt. Niet verwonderlijk dus, dat deze man in de slotpagina’s verzucht: ‘Ik ben niet meer dan een leegte, een afwezigheid. Ik ben niet meer werkelijk mezelf, maar was ik nog wel mezelf sinds het drama? Ik ben verworden tot een staat van onpersoonlijke lethargie.’

Les Éditions de Minuit | 2021 | Frans | 48 pagina’s | € 6,80

 

Gillian Osborne – Green Green Green

Als Georg Lukács in gesprek gaat met Goethe, en dat al in de allereerste alinea van een boek, wordt meteen duidelijk dat we een zeer brede benadering van het onderwerp in kwestie mogen verwachten. Dat onderwerp is ‘Groen’, en inderdaad wordt het vanuit de meest uiteenlopende hoeken belicht: ideeënhistorisch, filologisch, associatief, literatuurwetenschappelijk… Green Green Green gaat van globale en historische denkbeelden over ‘habitats, horticulture and histories’ naar het meest persoonlijke. Dat geldt ongetwijfeld voor de meeste essaybundels maar Gillian Osborne gaat hierin wel ver: in een van de essays worden door de weergave van een brievenwisseling tussen haar en essayist Juliana Chow heen brieven gevlochten die Emily Dickinson aan haar vriendin Abiah Root schreef, en dan wordt er ook nog de brievenwisseling tussen Hawthorne en Melville bij gehaald. Emily Dickinson, die in 1840 haar beroemde herbarium samenstelde, is een van de uitgangspunten waar Gillian Osborne telkens weer naar terugkeert, door haar en haar tijd opnieuw te lezen en in een nieuwe context te plaatsen, haar blik mee te nemen naar het heden. Zo nu en dan lijkt het op onvoltooide archiefarbeid wat de lezer in Green Green Green voorgeschoteld krijgt: een potpourri van verwijzingen, aan vondsten en experimenten. En toch verveelt het nooit, wordt het nooit té rommelig, want de rode draad is evident, ook al is die meestal spoorloos. Groen staat niet alleen voor de nieuwe knoppen en botten in het voorjaar, of voor sappig gras:

There is also a deathliness built into the linguistic history of green. As in, you look green. As in, lay down. These meanings come from Latin (verdigris) through Greek (chloros), in which green signifies a paleness pertaining to complexion, an excess of bile. Just as the other side of an olive leaf is silver. And drought-resistant plants, in white sun, turn yellowish or gray. So, California, in a drought year, can go blindingly white, not just in the sky, but on Earth, also.

De afwezigheid van groen kan het leven ondraaglijk maken. In het essay ‘Imagining Mothering’ zegt een echoscopist tegen de ik die liever geen pink ingekleurde foto van haar ongeboren kind mee naar huis wil nemen: ‘Children love to see their selves before they had a self.’

Nightboat Books | 2021 | Engels | 168 pagina’s | $ 17,95

 

Beute. Ein Bildatlas zu Kunstraub und Kulturerbe

Beute werd samengesteld door Bénédicte Savoy, Merten Lagatz en Philippa Sissis en is een ‘atlas’ van kunstroof en cultureel erfgoed. In Beute wordt aan de hand van eigendomsverhoudingen en -aanspraken op bijzondere objecten de wereldgeschiedenis verteld. Het ‘bewijsmateriaal’ – o.a. juridische teksten, gedichten, tekeningen, foto’s, gravures en films – is even divers als de perspectieven die hierbij worden belicht (die van de beroofden én de rovers) en de lemma’s in hun specificiteit vs. algemeenheid. Naast sleutelteksten die specifiek betrekking hebben op bepaalde bekende objecten staan meer algemene teksten over het fenomeen van kunstroof, waarbij de samenstellers ingaan op verschillende categorieën: Beutenahmen, Entwendungen, Beschlagnahmungen en Zwangsgaben. Gestolen goederen blijven gestolen goederen, de diefstal blijft als het ware plakken aan het object, juist als het debat erover niet openlijk wordt aangegaan. Het verbazingwekkende blijft dat vaak juist de grootste en meest onthutsende diefstallen trots en nauwkeurig gedocumenteerd werden en worden. Er worden foto’s gemaakt waarop de verzamelaar naast zijn nieuwe ‘aanwinst’ staat, en die openbare schuldbekentenis wordt wederom gezien als bewijs van de eigen superioriteit. Het enige wat resteert is teruggeven.

Matthes & Seitz Berlin | 2021 | Duits | 350 pagina’s | € 38,-

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Dorien de Wit. Vormgeving: Herman van Bostelen Stagiair: Márton Biró