Signalementen november

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Agustín Fernández Mallo – Nocilla-trilogie

Nocilla is een van origine Spaanse hazelnootpasta, vergelijkbaar met iets als Nutella, en voor de verteller van het derde deel van de trilogie met die naam (voor het toestaan van het gebruik daarvan ‘in een creatieve context’ bedankt de auteur de Grupo Nutrexpa) levert het eten van een snee brood met Nocilla een indringende ervaring op, bewust als hij zich wordt van ‘de fascinatie die heel dat pasteuze dat zich in mijn mond als cement vermengde op mij uitoefende, heel de antimetafysica die die massa zonder concreet zwaartepunt in mijn mond doorliep, heel die bruine substantie die slechts dikke huid op een snee brood was, oppervlakte, uiterlijk, nabootsing, wat je ook maar wilt’. De verleiding is groot om in dit pasteuze een poëtica te lezen, zoals deze hele trilogie zich haast poëticaal opdringt aan de lezer. De eerste twee delen (Dream en Experience) bestaan uit (ultra)korte hoofdstukken vol onderbroken verhalen, (pseudo)wetenschappelijke speculaties en een stortvloed aan culturele referenties. Een concreet zwaartepunt? Nee, dan inderdaad eerder een pasteus project, met een aantal niet te missen thematische ingrediënten – woestijn, huid, horizon, herhaling. Montageproza voor de 21e eeuw, of noem het ‘een wonder van de theoretische keuken’, waarbij het niet zal verbazen dat Mallo (Spanje, 1967) ook strooit met wat Borges  (voor wie in Las Vegas een tempel wordt gebouwd ‘waarvan de toegang beperkt zou blijven tot een theoretisch voorwerp’) en Cortázar (die werkt aan een Rayuela B, een Theorie van de Open Bollen ‘die een wiskundige sleutel was voor elk fragment’ van Rayuela). Misschien verrassender is dat ook Giorgio Manganelli voorbijkomt, aan wiens ritme deze trilogie het nodige te danken zou kunnen hebben. Het derde deel (Lab), waar de korte hoofdstukken zijn ingeruild voor een openingszin van 77 pagina’s, pretendeert een ontstaansgeschiedenis van het Project te geven. Het eindigt met een getekende ontmoeting tussen Mallo en Enrique Vila-Matas op een boorplatform. (En de aantekening dat er ook een videoversie van de Nocilla-trilogie gedownload kan worden op de blog van de auteur.) Aanbevolen voor iedereen die trek heeft in proza waar geen siliconenkit aan te pas gekomen is.

Koppernik | 2021 | Vertaald uit het Spaans door Adri Boon | 560 pagina’s | €29,90

 

Simone Weil – Wat is heilig in de mens? De laatste essays

De laatste jaren valt er een bescheiden maar doortastende belangstelling te bespeuren voor het werk van de Franse filosoof Simone Weil (1909-1943), niet in het minst vanuit de hoek van de literatuur, waar haar denken altijd al een vruchtbaarder bodem leek te vinden dan binnen de traditionele kaders van de filosofie. In de Filosofische Bibliotheek Diotima (een reeks van uitgeverij Letterwerk met werk van vrouwelijke filosofen; eerder dit jaar verscheen als eerste deel De soevereiniteit van het goede van Iris Murdoch, voor wie Weil een inspiratiebron was) zijn nu de essays verschenen die Weil schreef nadat ze in 1942 met haar ouders uit Marseille was uitgeweken naar New York en later naar Londen, waar ze in 1943 overleed aan tuberculose. Weils complexe verhouding tot het marxisme, de katholieke kerk en Frankrijk, haar fervente antikolonialisme, de spiritualiteit van het denken en haar aandacht voor woorden zijn allemaal terug te vinden in deze teksten die ze schreef onder het gesternte van een oorlog die door haar werd ervaren als ‘een uniek religieus drama dat de hele planeet als toneel heeft’. Haar oordelen zijn hard (‘Sinds de vorige oorlog is Europa ondergedompeld in deze verveling. Daarom heeft zij bijna geen moeite gedaan om te ontsnappen aan de concentratiekampen’) en helder (‘De eerste gedachte is dat het hitlerisme niets anders is dan de toepassing op het Europese continent, en meer in het algemeen op de witte landen, van de koloniale methodes van verovering en overheersing’). Dat Weil zelf het einde, de uitkomst, van deze oorlog niet heeft mogen meemaken, geeft deze teksten ook iets wrangs, bijvoorbeeld vanwege het onbehagen dat haar bekruipt over de mate waarin de Fransen zich nog bekommeren over wat een toekomst zou kunnen zijn: ‘De politiek van na de oorlog lijkt gewoon heel ver weg, zo ver dat slechts weinigen er belang in stellen, hoewel bijna iedereen wil dat het einde heel spoedig komt. Dat klinkt tegenstrijdig en is het ook; maar de ellende vertroebelt het tijdsgevoel op een manier die nauwelijks te begrijpen valt voor wie gelukkig is.’ In een grondig nawoord geeft Mariëtte Willemsen zeven redenen om Weil te lezen, waarbij ze tegelijkertijd duidelijk maakt dat het lezen van Weil behalve veel geeft ook veel vraagt.

Letterwerk | 2021 | Vertaald uit het Frans door Thomas Crombez (m.m.v. Jacques Graste) | 246 pagina’s | €22,99

 

Édouard Louis & Ken Loach – Dialoog over kunst en politiek

Édouard Louis, een Franse schrijver van 29 jaar oud, Ken Loach een Britse filmregisseur, 85 jaar. Beiden stellen de arbeidersklasse centraal in hun werk. Dit boekje is de weerslag van twee gesprekken die Louis en Loach voerden. Het ene gesprek heeft als ingang ‘Werk en geweld’, het tweede ‘Politiek en verandering’. Interessant in het tweede gesprek is het verlangen van beide mannen naar een nieuwe taal, een taal waarin ook meer ruimte gecreëerd wordt voor stilte. Édouard Louis: ‘Stilte als politiek wapen is interessant, want het is het tegenovergestelde van censuur: we beletten je niet te spreken – zeg wat je wilt – we zullen ons niet laten opsluiten in jullie taal, we zullen niet reageren.’ Naast deze gesprekken geven Louis en Loach antwoord op een aantal vragen van hun publiek. Ze vinden elkaar in hun strijd tegen het kapitalisme, de verrechtsing van de media en de minachting van de politiek voor een groot deel van de bevolking. Tussen hen schuurt het niet tijdens de gesprekken, maar tussen hen en de (westerse) kapitalistische wereld des te meer. Als lezer krijg je de visie van deze twee kunstenaars op conflicten die onuitroeibaar lijken, maar waar in deze teksten wellicht een ingang tot een gesprek over mogelijke oplossingen geboden wordt.

De Bezige Bij | 2021 | vertaald door Jan Pieter van der Sterre & Reintje Ghoos | 80 pagina’s | € 16,99

 

Chris Keulemans – Gastvrijheid 

‘De kunst van gastvrijheid is om haar even oprecht aan te bieden als te aanvaarden, ongeacht de plek en het gezelschap. Pas als het een rekensom wordt loopt de samenleving spaak. Het gaat erom dat ze doorgegeven blijft worden.’ Die zin is afkomstig uit Gastvrijheid, het meest recente boek van Chris Keulemans, dat het midden houdt tussen een verzameling reisverhalen, essays en memoires. In het boek doet Keulemans verslag van de manier waarop hij tijdens zijn reizen naar bijvoorbeeld Sarajevo, Jakarta, Rojava, en Tunis ontvangen werd, vaak royaal en warm, ondanks de beklagenswaardige omstandigheden van zijn gastheer of -vrouw. Omgekeerd reflecteert hij op zijn eigen rol als gastheer, zowel op persoonlijke titel als in de rol van leidsman van verschillende Amsterdamse culturele centra: Perdu (zeven jaar), De Balie (tien jaar), en de Tolhuistuin (acht jaar). Gastvrijheid impliceert altijd een onomwonden ja zeggen tegen de gast, schrijft Keulemans, maar tegelijkertijd concludeert hij richting het einde van zijn boek dat gastvrijheid tegen al zijn verwachtingen in ook buitensluit. ‘Als ik mezelf met dit boek probeer naar binnen te schrijven, als ik het zelf ben die een handleiding nodig heeft, dan kom ik nu aan de achterkant van de gastvrijheid. En die doet uiteindelijk precies het tegenovergestelde van wat ik altijd dacht: buitensluiten. […] Aan de achterkant, in de allerlaatste kamer, is gastvrijheid: ja zeggen tegen gasten, nee zeggen tegen de wereld. Nee tegen de ongastvrijheid ervan, tegen de agressie, tegen de systemen die mensen klein houden.’ Dat Keulemans door te schrijven tot een onverwachte conclusie komt, geeft al aan dat het schrijven een ontdekkingstocht is geweest. Door goed te kijken naar concrete situaties en gevallen, ontrafelt hij zijn thema, voorziet het van gelaagdheid. Bovendien schuilt juist in de aandachtige blik de politieke dimensie van dit boek. Het is geen boek over politiek, grote woorden en sweeping statements worden meestal vermeden, maar een boek waarin een houding van menselijkheid, kwetsbaarheid en aandachtigheid aan de lezer wordt voorgedaan. Het schrijven staat Keulemans toe gastvrijheid te tonen in beweging, de lezer is welkom.

Jurgen Maas | 2021 | Nederlands | 243 pagina’s | €22,99

 

Jurgen Pieters – Een boekje troost

Al jarenlang is de Vlaamse neerlandicus Jurgen Pieters gefascineerd door het thema van de troost in literatuur. In het kielzog van zijn academische studie Literature and Consolation. Fictions of Comfort komt hij nu met een meer essayistisch boek over dat thema: Een boekje troost. In deze essaybundel verkent Pieters vanuit een humanistisch gekruide literatuurvisie de troostende uitwerking die literatuur op lezers kan hebben, waarbij hij naast canonieke literaire werken ook met gepaste analytische afstand enkele ietwat zelfhulpachtige literatuurstudies onder de loep neemt. Het gaat hem in dit boek niet primair om dat lezers troost vinden in literatuur, maar om de vraag wat het precies betekent om als lezer troost te vinden. Die vraag lokt een meerduidig antwoord en een licht verbrokkelde vorm uit: ‘Wat troost is, is een vraag die niet eenduidig te beantwoorden is. Ik ben dan ook niet op zoek gegaan naar dat ene antwoord op die vraag: dat bestaat namelijk niet. In plaats daarvan benader ik mijn onderwerp op een manier die de Engelsen “piecemeal” noemen, in stukjes, om de veelzijdigheid van het fenomeen niet uit het oog te verliezen.’ In korte, erudiete essays beweegt Pieters moeiteloos heen en weer tussen Montaigne en Plutarchus, Dante en Shakespeare, Gustave Flaubert en J.M. Coetzee. Het werk van die laatste laat volgens hem zien dat troost ook een teveel aan bescherming kan bieden, een te zacht kussen aanreikt, dat niet in alle gevallen (voorbeelden die Pieters aanhaalt zijn de Holocaust en de goelag) even wenselijk en gepast is: ‘Ook tegen de troost moet men soms resoluut nee durven te zeggen. In vele opzichten vertegenwoordigt het werk van Coetzee die “nee”.’

Borgerhoff & Lamberigts | 2021 | Nederlands | 244 pagina’s | €23,99

 

Erik Lindner – Hout

Waar in Erik Lindners vorige bundel Zog de bewegingen van het water centraal stonden, zijn dat in het bibliofiel verschenen Hout de bewegingen van het bos, de ‘buigende stammen, trillende bladeren’, ‘naalden van pijnbomen voor de deur’, ‘de woestenijen van dood hout’, ‘het plotselinge hinniken van het paard’. Net zoals in Lindners eerdere dichtwerk is er weinig ik te bekennen in wat met oog en oor wordt waargenomen, al vind je nog weleens een enkel stel manhaftig aandoende regels:

ik hou het bos bijeen in mijn hand

trek de grens tussen twee boomsoorten

Dat is in ieder geval manhaftiger dan het ‘pang pang’ van een man zonder munitie, een gebrekkige taal van het gebrek. De hand van de dichter is van een ander slag, ‘zwaaiend, knijpend, aannemend, wijzend’. De afwezigheid die in Lindners recente roman 51 manieren om de liefde uit te stellen zo geduldig en delicaat gestalte kreeg, laat in deze bundel ook weer van zich horen:

in de verte klinkt de muziek

van een film die ik niet ben

De 11 gedichten die samen Hout vormen zijn te bestellen via de website van de bibliofiele uitgeverij druksel, de oplage bestaat uit 126 gesigneerde exemplaren.

Druksel | 2021 | Nederlands | 24 pagina’s | €20,-

 

Filter 28:3 – De allerfavorietste vertalingen

Stijloefeningen is noodzakelijkerwijs een meerstemmig boek, dat de door sommige vertalers en wetenschappers gehanteerde nauwe opvatting van vertalerstrouw ter discussie stelt. Tegelijkertijd schept het, juist door die meerstemmigheid, zeeën van ruimte voor ándere mogelijke vertalingen, want een andere vertaler zal niet dezelfde herinneringen hebben als Kousbroek, of dezelfde associaties, dezelfde vondsten.’ Deze woorden zijn afkomstig uit een essay dat literair vertaler en oud-Terras-redacteur Lisa Thunnissen schreef over Rudy Kousbroeks vertaling van de Stijloefeningen van Raymond Queneau. Ze schreef het stuk voor de jongste uitgave van Tijdschrift Filter. Voor die editie vroeg de redactie van Filter een aantal vertalers, academici, essayisten en schrijvende lezers om hun ‘favoriete vertaling aller tijden’ te kiezen en hun keuze van een toelichting te voorzien. Het levert een breed uitwaaierend nummer op: Barber van de Pol grijpt het verzoek aan om een hommage te brengen aan Dolf Verspoor, van wie zij het vertaalstokje overnam en van wie de uitspraak ‘De vertaler is een dirigent die een partituur interpreteert’ afkomstig is; Vicky Francken, die samen met Kim Andringa Terras #11 ‘Onze’ samenstelde, neemt de gelegenheid te baat om de lezer mee te nemen op reis door haar boekenkast; en Peter Nijssen laat, in weerwil  van zijn neiging om voor klassiekers als Homerus, Shakespeare, Dante, of Dostojevski te gaan, zijn keuze vallen op het veel recentere Aan de lopende band van de Franse schrijver Joseph Ponthus. Verder in het thematische deel een inleiding door Cees Koster en Ton Naaijkens, een ‘saluut’ van Joyce Roodnat, en bijdragen van o.a. Maarten Asscher, Lia van Gemert, Ger Groot, Dirk Schoenaers, Jos Vos, en Terras-redacteur Tommy van Avermaete. Buiten het thematische deel intrigerende poëzie van Miek Zwamborn en een belangwekkend essay van Désirée Schyns over de ongemakken en manipulatieve kanten van het vertalen. Deze Filter-uitgave dient ook als begeleiding bij het recent bij Boom verschenen Vertalen in de Nederlanden: een cultuurgeschiedenis.

AFdH | 2021 | Nederlands | 144 pagina’s | €10,-

 

De Parelduiker 26:4

Het jongste nummer van De Parelduiker grijpt het 100e geboortejaar van de schrijver Hellema (schrijversnaam van Lex van Praag, 1921-2005) aan om een welverdiende schijnwerper te richten op diens zo goed als vergeten werk. In het biografische essay ‘Slijpen aan een ruwe steen. Hellema en de oorlog’ verkent Rob Luckerhof aan de hand van vier dozen persoonlijk archiefmateriaal de wijze waarop de laat gedebuteerde Hellema (hij was de 60 al gepasseerd toen in 1982 zijn eerste verhalenbundel werd gepubliceerd) in leven en werk zijn kampervaringen probeerde te verwerken. Een interessante vondst is dat een vroege roman van Hellema in de jaren vijftig werd afgewezen door Querido, omdat er geen markt meer zou zijn voor oorlogsliteratuur: ‘Dat het publiek weigert deze boeken te lezen, is niet alleen een ervaring die wij in Nederland opdoen, maar die ook voor andere landen geldt.’ Een substantieel deel van Luckerhofs essay verkent de invloed van het gedachtegoed van de vrijmetselaars op Hellema (hij was lid van twee loges, in Enschede en Londen). Hellema zou daarin een verzoenende boodschap hebben gevonden om ‘de band met het leven te herstellen en te behouden’. Enkele obscure verwijzingen in zijn werk lijken inderdaad vanuit dat oogpunt verklaard of in ieder geval verhelderd te kunnen worden. Luckerhof komt er in het beperkte bestek van zijn essay niet aan toe om het werk van Hellema in zijn volle breedte te bespreken; zelf merkt hij terecht op dat Hellema ‘een gevarieerder schrijver dan gedacht en zeker niet alleen een chroniqueur van oorlogsverhalen’ is. Een monografie over het gevarieerde, weerbarstige werk van deze ‘norse man met stijl’ zou zeer welkom zijn. De andere auteurs aan wie dit nummer van De Parelduiker aandacht besteedt hebben vooralsnog minder te vrezen van de vergetelheid: Paul van Ostaijen, Anton de Kom en Louis Lehmann.

Stichting Het Oog in ‘t Zeil i.s.m. Uitgeverij Van Oorschot | 2021 | Nederlands | 80 pagina’s | €13,50

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Dorien de Wit. Vormgeving: Herman van Bostelen Stagiair: Márton Biró