Over Raster

Op donderdag 5 maart 2009 was ik te gast op de presentatie van het laatste nummer van Raster. Het was een afscheid dat de iets jongere aanwezigen – zoals ik – meer leek aan te grijpen dan diegenen die met het tijdschrift oud waren geworden. Naar aanleiding van dat afscheid schreef ik in het faculteitsblad van de Utrechtse Geesteswetenschappen het volgende:

Laat ik er maar geen doekjes om winden: ik hou van Raster. De output van het blad, sinds de oprichting in 1967 door H.C. ten Berge, is zonder meer monumentaal te noemen. Experimenteel Nederlandstalig proza – het zogeheten ‘andere proza’ waarmee het nog steeds geassocieerd wordt – maar ook literaire kritiek en essayistiek, literatuurtheorie en kritische filosofie, en vooral heel veel vertaalde buitenlandse literatuur. Het tijdschrift vertegenwoordigt voor mij, en dat zeg ik als Vlaming, het beste van wat Nederland te bieden heeft (gehad). Helaas brachten Raster en het andere proza ook het slechtste naar boven: uit de meest negatieve reacties sprak een gênant anti-intellectualisme en een afkeer van al wat er links uitziet (en o wee als het dat ook echt is). Maar het beste dus: Raster was kosmopolitisch, geëngageerd, intellectueel vooruitstrevend en bovenal ontzettend nieuwsgierig.

Ik hou dus van Raster. Ik hou zelfs zo veel van Raster dat ik twee jaar geleden een cursus aan het tijdschrift wijdde. Een bravourestukje dat in de neerlandistiek wellicht nog niet vaak is opgevoerd en dat niet louter terug te voeren was tot het enthousiasme of de linkse hobby’s van een onervaren docent. Er was en er is meer aan de hand. Het materiële restant mag dan wel bijgeschoven en in mijn geval in een grote verhuisdoos naast mijn bureau gestapeld zijn, de geest van Raster waart nog rond en zal dat nog een hele tijd doen. In mijn meer psychedelische buien zie ik dat geometrische puntenpatroon of die infame lettercombinatie op de meest bizarre plekken opduiken. Misschien is dat een particulier probleem, maar volgens mij is er meer aan de hand. Over dat méér wil ik het vanavond hebben.

 

Mij is gevraagd: wat heeft Raster betekend voor de Nederlandse literatuur, of beter: voor de literatuur in Nederland? Met een volstrekt onkarakteristieke hyperbool zou ik durven antwoorden: alles. Mocht Peter Vandermeersch als kersvers hoofdredacteur van het NRC de moderne literatuur in 125 afleveringen willen weggeven, dan wijs ik hem met veel plezier de weg naar de tijdschriftenplank van de bibliotheek.

Alles dus – dat moet specifieker kunnen. De literatuurgeschiedschrijving lijkt er veel minder moeite mee te hebben Raster een plaatsje te wijzen. Aan de eerste editie van Raster, onder H.C. ten Berge, wordt gemakshalve niet al te veel aandacht besteed. Met Raster wordt doorgaans Raster na de heroprichting in 1977 bedoeld, en dat Raster wordt meestal grofweg in de jaren zeventig gesitueerd. Die jaren zeventig heten dan polemisch en gepolariseerd te zijn geweest. Raster wordt in dat opzicht in één adem genoemd met De Revisor, waarbij men de etiketten Raster en Revisor vooral gebruikt om te verwijzen naar Raster-proza en Revisor-proza.

Beide worden vervolgens vaak tegenover het ironisch of sentimenteel realisme van de Zeventigers gezet. Raster-proza geldt dan als equivalent voor Ander Proza – naar Sybren Polets bloemlezing uit 1978 – en met Ander Proza bedoelt men het experimentele proza uit de jaren zestig en zeventig van auteurs als Vogelaar, Van Marissing en Polet, en in mindere mate de Vlamingen Robberechts, Michiels en Roggeman. Af en toe wordt dat Andere Proza of Raster-proza ook in verband gebracht met het postmodernisme.

Zo krijgt Raster zijn plekje toegewezen. In één vloeiende beweging wordt het tijdschrift drievoudig gereduceerd, tot 1. de jaren zeventig, 2. de Nederlandse literatuur, en 3. het proza van een handvol politiek geëngageerde experimentelen. Dat weerhoudt de geschiedschrijvers er niet van om, in verhouding tot hun sympathie voor het blad, ook te wijzen op de belangstelling van de redactie voor buitenlandse literatuur, voor de traditie van het modernisme of voor essayistiek en literatuurtheorie. Maar dat zijn extraatjes, borrelnootjes zou een Vlaamse politicus zeggen.

In de geschiedenis van de Nederlandse literatuur krijgt Raster een lapje grond toegewezen in het (ondertussen genuanceerde) ‘driestromenland’ van de jaren zeventig. Er was een stroom die men wel eens ‘Hollands realisme’ noemt – een stroom waarin naar goed gebruik veel dode vissen drijven. Raster vertegenwoordigde in het ‘driestromenland’ het consequent doorgedreven experiment, gestoeld op de meest geavanceerde inzichten in de literatuurtheorie en de ideologiekritiek. Raster stond in literair-politieke termen te boek als links en niets eens zo’n klein beetje.

Een klein beetje van alles wat Raster was, was het in 1974 als opvolger van Soma opgerichte tijdschrift De Revisor. Een mooi tijdschrift, het moet gezegd, dat zijn plaatsje in de literatuurgeschiedenis heeft verworven met een eind jaren zeventig verschenen gedachtewisseling over ‘de taak van de schrijver’. Vooral de discussie tussen Carel Peeters en Jacq Vogelaar over de autonomie van de schrijver is in tijden van revancherende romans meer dan ooit lezenswaardig. De Revisor en het proza van zijn redacteuren Frans Kellendonk, Nicolaas Matsier en Doeschka Meijsing maakten het late modernisme – sommigen zullen zeggen het vroege postmodernisme – salonfähig in de Nederlandse literatuur, maar de mensen van De Revisor waakten erover daarin niet te ver te gaan. Een typerend citaat, Hugo Brems over het zogeheten Revisor-verhaal: ‘Het is dus wel degelijk een verhaal, niet een “tekst”, een “montage”’.

Een ‘tekst’, een ‘montage’, dat was het zogeheten Raster-verhaal eind jaren zeventig soms wél – lees er de bijdragen van Vogelaar aan Raster 1 en die van Lidy van Marissing aan Raster 2 maar op na. Men vergeet wel eens dat Raster in die eerste jaargangen ook verhalen van Louis Ferron en gedichten van Gerrit Kouwenaar plaatste. Maar de mensen van Raster gingen er volgens mij en volgens mij terecht van uit dat gematigdheid geen deugd is in een wereld die zich aan steeds extremere excessen overgeeft. Wanneer ik Vogelaars op Foucault geïnspireerde montagetekst over disciplinering in psychiatrie en architectuur lees, kan ik alleen maar denken: wie is hier eigenlijk extreem?

Dat imago van radicaliteit en moeilijkdoenerij – daarmee bedoelde men theoretische diepgang – had wellicht te maken met de publicatie in die eerste jaargangen van enkele stevige theoretische verhandelingen en een occasioneel polemisch stuk. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het dossier over semiotiek, een dossier met bijdragen van Umberto Eco en Julia Kristeva waaraan de redactie een veelzeggende waarschuwing voor de nietsvermoedende lezer liet voorafgaan. Ik denk ook aan de neomarxistische bijdrage van Macherey en Balibar over literatuuronderwijs, en aan Anthony Mertens’ aanval op het ‘subjectivisme’ in de Nederlandse literatuur – nog zo’n tekst die de geschiedenisboeken gehaald heeft.

Prachtig materiaal, geweldig om les over te geven. Tikkeltje moeilijk soms, maar hé, als je daar niet tegen kan. Doorslaggevend voor de beeldvorming waren daarnaast de discussie over avant-garde in Raster 2 en de bijdragen van Sybren Polet over het andere proza in Raster 2 en Raster 3. Er is een mijns inziens kwalijke tendens om Polet als samensteller én inleider van de bloemlezing Ander proza zo half en half verantwoordelijk te stellen voor de slechte ontvangst van het experimentele proza en van Raster. Hugo Brems stelt onomwonden dat de associatie van Raster met die bloemlezing nefast was voor de reputatie van het tijdschrift; in 1978 schreef H.C. ten Berge in Raster iets soortgelijks.

Enfin. Je krijgt maar één kans om een eerste indruk te maken en Raster heeft die zeker niet laten liggen. Zowel voor voorstanders als voor tegenstanders zijn pakweg de eerste vijf jaargangen beeldbepalend geweest. Wanneer Marc Kregting, die zich zonder meer een erfgenaam van het tijdschrift noemt, vol lof spreekt over Rasters ‘combinatie van historische avant-garde met kwartiermakend postmodernisme’ dan verwijst hij naar de jaargangen waarin Polet over het andere proza schrijft, waarin Hans Bakx de avant-gardistische Wiener Gruppe introduceert, en waarin Jacq Vogelaar Roland Barthes en Michel Foucault vertaalt. Op het breukvlak tussen avant-garde en postmodernisme is er geen betere gids beschikbaar dan Raster.

Een scharniernummer in de ontwikkeling van Raster – als men per se een punt wil aanwijzen – is volgens mij Raster 31 uit 1984, het door Vogelaar samengestelde en ingeleide nummer ‘Utopie tegen utopie’. De inleiding is getiteld ‘Van utopie naar atopie’: terwijl de utopie de neiging heeft om in totalitaire systeemdwang uit te monden, blijft de atopie ‘een vrijplaats waar men vrij is van fixerende noemers’, vrij ‘om iemand anders te zijn dan de door de persona vastgelegde sociale rol’. Vrij, wil ik daaraan toevoegen, van literair-historische etiketten; vrij van door termen als ‘driestromenland’ vastgelegde posities in het literaire veld; vrij van stereotyperingen als marxistische dogmaticus, Eskimotoerist, literaire snob of eeuwige dada. Op dat moment zijn de jaren zeventig voorbij. In Raster 32 mag Hans Tentije nog eens venijnig uithalen naar de literaire kritiek – zoals Hamelink en Mertens dat vóór hem hadden gedaan – maar dit heeft hem van de vergetelheid niet kunnen redden.

 

Het oeuvre van popmuzikanten en popgroepen wordt wel eens geperiodiseerd aan de hand van platenfirma’s en toonaangevende bandleden. Zo heeft Tom Waits zijn Elektra-jaren en zijn Island-jaren gekend, en de Velvet Underground de jaren mét en de jaren zonder John Cale. Spreken van de Vogelaar-jaren van Raster is wellicht onvoldoende onderscheidend; wel durf ik te spreken van de Offermans-jaren. Offermans is een oude bekende in de progressieve geledingen van de Nederlandse literatuur en vanaf 1978 duikt hij geregeld op in de kolommen van Raster. In 1983 treedt hij toe tot de redactie. In de daaropvolgende vijftien jaar ontwikkelt het tijdschrift zich tot hét referentiepunt in het Nederlandse taalgebied voor avontuurlijke hedendaagse literatuur uit het buitenland.

Er tekent zich zelfs zoiets als een Raster-canon af, die veel minder in het teken staat van avant-gardisme, ideologiekritiek of poststructuralisme dan de reputatie van het blad zou kunnen doen vermoeden. Als het wedervaren van het andere proza één ding heeft duidelijk gemaakt, dan wel dat avontuurlijke literatuur niet gebaat is met een negatief geformuleerd programma – of eigenlijk met een programma tout court. Offermans’ inleiding bij het Raster-nummer over satire, uit 1985, spreekt boekdelen. De satiricus die uit het goede hout gesneden is, staat ‘op gespannen voet met de realiteit als geheel’, maar zijn wantrouwen geldt elke vorm van moralisme of didactiek. ‘Alles wat tot standpunt of mening verhardt los van de omstandigheden moet het – als moralisme – ontgelden’.

Karl Krauss is een geliefde satiricus, maar ook in Hans Magnus Enzensberger herkent Offermans een geestesverwant: een intellectuele en artistieke duizendpoot die consequent de kaart van de Verlichting trekt maar even consequent het publiek tegenvoets neemt. ‘(I)deologisch plichtsgevoel of partijdiscipline vindt hij even ergerlijk als (…) galmend(…) idealisme’. Net als vele generatiegenoten is Enzensberger in de radicale jaren zestig en zeventig zo geschrokken van zijn eigen stellingname dat hij zich nooit meer op een programma heeft willen laten vastpinnen.

Vrijheidsdrang is bij Raster steeds het uitgangspunt, al mondt dat bij Offermans en Vogelaar – gepokt en gemazeld in de ideologiekritiek – nooit uit in naïef individualisme. Vrijheidsdrang veronderstelt bevrijding, die vrijheid is immers niet gegeven. Schrijven is niets anders dan zich onophoudelijk bevrijden van beperkingen, die zowel door de maatschappelijke context als door de taal en genreconventies opgelegd worden. De inzet van het schrijven, zo merkt Offermans op in een essay over Julio Cortázar, bestaat erin ‘een eigen leven te ontwerpen in een wereld die dat in toenemende mate onmogelijk maakt’. Offermans omschrijft in datzelfde stuk het modernisme – de levens- en literatuuropvatting waarmee hij zich identificeert – als het verlangen om ‘de macht van het verleden (en daarmee: van de toekomst) over het heden’ op te heffen. Dit impliceert geen verwerping van traditie als dusdanig – in een gecommercialiseerd literair veld is literaire traditie immers een kostbaar goed – maar wel van traditie als een externe macht die beperkingen oplegt aan de creatie van een literaire atopie.

En zo kabbelde de Rasterstroom geduldig verder, af en toe een matig geïnteresseerde blik werpend op wat er op de oever gebeurde, maar in gedachten grote delen van Zuid-Amerika en Centraal- en Oost-Europa doorvloeiend. De Nederlandse literatuur, literaire kritiek en literatuurwetenschap, die in de beginjaren nog kritisch onder de loep werden genomen, liet hij grotendeels ongemoeid, hoewel eigenzinnige figuren als Beurskens, Jongstra, Mutsaers, Hertmans en Michel erin bleven optreden. En zo liepen zelfs de Offermans-jaren ooit op hun einde, officieel in 2000.

Vervolgens kwam er een periode die ik gemakshalve de Vogelaar-en-co-jaren noem, met alle respect uiteraard voor co. De pakweg tien laatste jaargangen van Raster zijn wat men noemt eclectisch, het tijdschrift geeft steeds minder de aanblik van een collectief project. De enige lijn die ik erin kan herkennen is de lijn-Vogelaar. Zoals het een auteur betaamt die al decennia lang probeert te ontsnappen aan zijn imago van hardliner, volgt Vogelaar in Rasters rijpe jaren een kronkelig parcours, maar in dat parcours zijn niettemin enkele ijkpunten te herkennen. Die ijkpunten vallen samen met de meest recente boekpublicaties van Vogelaar, over kampliteratuur en over eigenaardige genres – meneertjes, pilromans en dergelijke meer.

Raster 57, ‘De literaire getuige’, uit 1992 is een mijlpaal in de ontwikkeling van het tijdschrift. Het nummer is opgehangen aan Sem Dresdens studie van de kampliteratuur, Vervolging, vernietiging, literatuur, en zet de redactie op het spoor van literatuur over oorlog, opsluiting en terreur. Daarbij ligt de nadruk poëticaal vaak op de problematisering van feit en fictie en op het vermogen van taal om de taalvernietiging en het cliché te overstijgen. In de daaropvolgende jaren volgen nummers over het werk van de Joegoslaaf Danilo Kiš (Raster 62), waarin fascistische én communistische terreur een belangrijke rol spelen; over oorlog (Raster 75), met versplinterd proza van Alexander Kluge over de luchtaanval op Halberstadt en dagboekfragmenten van Miroslav Krleza over nationalisme en kosmopolitisme in de Eerste Wereldoorlog; over Varlam Sjalamov (Raster 88) en diens verbluffende proza over de Sovjetkampen; over Tahar Ben Jelloun en de geheime Marokkaanse gevangenissen (Raster 101); en ten slotte ‘Flessenpost’ (Raster 110), een van de meest beklijvende afleveringen in dertig jaar, gewijd aan teksten die de gevangenencommando’s in Birkenau, de mannen die het vuile werk voor de nazi’s opknapten, in de bodem van het kamp begroeven.

De tweede hoofdlijn in de Vogelaar-en-co-jaren zou men kunnen laten beginnen bij Raster 74 uit 1996, waarin Vogelaar een staalkaart presenteert van de miniroman of de roman in pilvorm, met bijdragen van modernistische meesters als Giorgio Manganelli en Ror Wolf. De laatste Raster voor het dubbele afscheidsnummer en de index is opnieuw gewijd aan het ultrakorte proza. De meneertjes – van Valéry’s Monsieur Teste tot Vogelaars meneer Taats – krijgen zelfs twee nummers toegewezen om hun grillige taal- en hersenkronkels uit te spreiden (Raster 77 en 79). Ook Raster 97, over de dictator als literaire figuur, Raster 102, over geschreven levenslopen en imaginaire levens, en de integrale vertaling van Marcel Schwobs Vies imaginaires in Raster 118 horen thuis in dit rijtje. Dat Raster voor Vogelaar in de loop van de jaren een manier van werken – zo niet een manier van leven – is geworden, blijkt uit het recent verschenen boek Je zit niet alleen in je vel. In dit springerige leesverslag culmineert een jarenlange zoektocht naar proza dat zich nu eens echt aan gene zijde van genrevoorschriften of programma’s begeeft.

 

Raster zal wellicht nog enige tijd het tijdschrift blijven waarin alles al een keer is behandeld. Dat is alvast mijn indruk. Telkens wanneer ik een auteur of auteursgroep leerde kennen, bleek dat die vervelende gelijkhalers van Raster daar twintig jaar geleden al een themanummer aan hadden gewijd. Het overkwam me onlangs nog. Ik was krankzinnig lang bezig geweest met een montageboek van de Oostenrijker Oswald Wiener, uit 1969. Ik raakte gaandeweg teleurgesteld in het nogal ongeïnspireerde proza, maar ik trok me op aan de stoutmoedige en naar later bleek naïeve gedachte dat ik wel de eerste móest zijn die hier in het Nederlands over schreef. Wie schetst mijn verbazing toen ik bij nadere inspectie Raster 11 ontdekte, uit 1979 – ik was nog niet gebóren – helemaal gewijd aan de avant-gardebeweging waartoe Wiener behoorde, inclusief een vertaald fragment uit dat onmogelijke montageboek.

Hetzelfde overkwam me met auteurs die ik in de prille eenentwintigste eeuw in het Vlaamse tijdschrift Yang meende te ‘ontdekken’, zoals Danilo Kiš en Alexander Kluge. Maar het tij kan keren: toen ik onlangs in een tijdschrift vertaald proza van zowel Carlo Emilio Gadda als Arno Schmidt aantrof, kon ik een ietwat kinderlijk ‘Aha, die ken ik uit Raster’ niet onderdrukken. Natuurlijk wordt een welopgevoed mens geacht Gadda en Schmidt gewoon te kennen, maar wij weten allemaal dat de opvoedingstechnieken in onze samenleving suboptimaal zijn. Voor zelfstudie verwijs ik mezelf graag door naar Raster, het tijdschrift waar – zoals ik al memoreerde – alles al een keer behandeld is.

Dat betekent overigens niet dat Raster uniek was: de redactie bouwde in 1977 op een mooie traditie voort. Merlyn had tussen ’62 en ’66 ruim plaats geboden aan literaire essayistiek, analyse en vernieuwende poëzie; de eerste editie van Raster zette vanaf ’67 zes jaargangen lang die traditie voort maar liet ook ruimte voor muziek, film, discussie en materialistische literatuurtheorie. En laten we vooral Randstad niet vergeten, dat tussen ’61 en ’69 de Nederlandse literatuur liet kennismaken met de avant-garde uit binnen- en buitenland. Wie Randstad kent, kan niet beweren dat Nederland de nouveau roman niet kende: Alain Robbe-Grillet stond in het eerste nummer, naast Raster-held Samuel Beckett en de volstrekt unieke Vlaming C.C. Krijgelmans, die een paar jaar geleden nog in Perdu te gast was.

Maar dat waren de jaren zestig, die – zo zegt men toch altijd – meer openstonden voor al wat avontuurlijk, afwijkend en riskant was. Raster kon een decennium later niet op die openheid rekenen. H.C. ten Berge merkte ooit op dat de sfeer in de vroege jaren zeventig te vijandig was om de publicatie van zijn tijdschrift voort te zetten. Volgens Hugo Brems was in 1975 het experimentele proza over zijn hoogtepunt heen. Nog twee jaar later lijken vier hardwerkende heren de geschiedenis een kwartslag te willen doen draaien. Het is niet gelukt en het was misschien ook wel nooit echt de bedoeling. Raster had er nauwelijks vijf jaar voor nodig om de polemische jaren zeventig op te ruimen, en daarmee eigenlijk ook zichzelf, als je de literatuurgeschiedenis mag geloven. Toch volgden nog meer dan vijfentwintig jaargangen – jaren waarin ook de jaren zestig een respectvolle maar uiteindelijk geruisloze dood stierven.

Raster beweerde al in 1981 de jaren zestig vrolijk te begraven. Als dat klopt, dan is Raster ongetwijfeld het meest intense, enthousiaste en langdurig volgehouden gesprek geweest dat ooit na een begrafenis werd gehouden. Ik dank u.

 

Deze lezing werd gehouden op de aankondiging avond van tijdschriftraster.nl, het online Raster archief, 22 oktober 2010, in Perdu.

Over de auteur: