thema:

Taal als strijdtoneel

‘Je hebt niet de wereld aan de ene kant en aan de andere de poëzie’ (2006, 102), dat is (vrij vertaald) de zin waarmee Raimondi zijn poëtica voor mij het scherpst samenvat. Hij is een dichter die schrijft vanuit de expliciete overtuiging dat literatuur nooit losstaat van de wereld waarin ze bestaat, nooit, zoals dat heet, ‘autonoom’ is.

Er zijn uiteraard een heleboel verschillende manieren waarop literaire teksten gebonden en verbonden zijn aan de wereld; van de thematiek van het werk tot de leefomstandigheden van de auteur, via de sociale, culturele en economische waarde van een boek of een genre als de poëzie, enz. enz. Voor Raimondi echter is specifiek één raakvlak van essentieel belang, en dat is taal. De taal waarvan verzen gemaakt worden is in de wereld, maar de wereld is ook in onze taal.

De ‘wereld’ betekent hier het geheel van sociale, economische en politieke structuren waar wij door de geschiedenis heen in leven. Die structuren zijn volgens Raimondi terug te vinden in de taal. Dat is niet zo gek gedacht: Als ik ‘inboorling’ opzoek in mijn digitale Van Dale lees ik ‘autochtone bewoner van een niet-westers land (zo genoemd door westerse kolonisten)’, terwijl de elementen waaruit het woord is opgebouwd strikt genomen niets anders suggereren dan ‘iemand geboren in’ het land/gebied zelf. Etymologiebank.nl weet zelfs te vermelden dat ‘de geringschattende houding die de kolonisatoren over het algemeen tegenover die [oorspronkelijke] bewoners hadden’ de oorzaak is dat dit woord, ‘dat voorheen volkomen neutraal of zelfs positief was (de inboorling tegenover de vreemdeling),’ van betekenis veranderde en nu associaties oproept met ‘achterlijkheid, barbaarsheid, primitiviteit e.d.’

Met reden dus spreekt Raimondi over taal in termen van ‘product’ en ‘handeling’ (2007, 51). Een woord is iets en doet tegelijkertijd iets. Om nog een voorbeeld dicht bij huis te kiezen: de ‘Nederlandse’ strijd tegen het water ligt verankerd in ons taalgebruik, en zo kan het dus, denk ik, dat er in de context van de recente vluchtelingencrisis discussie bestond over de vraag of Europa wel of niet ‘overspoeld’ werd door vluchtelingen, zonder dat men erbij leek stil te staan hoe walgelijk deze metafoor eigenlijk is in het licht van de schier eindeloze reeks bootrampen op de Middellandse Zee.

Dit besef maakt dat Raimondi taal beschouwt als een strijdtoneel, en dat hij poëtische of literaire ingrepen in de taal kan zien als ‘politieke operaties’ (2007, 59). Een andere metafoor zou het discours in Nederland waarschijnlijk niet minder xenofoob maken, dat is niet het punt. Vanuit het perspectief en de poëtica van Raimondi beschouwd, is het punt dat de sporen van de geschiedenis in onze taal voelbaar zijn en via de taal ook in het heden onze beeldvorming medebepalen, in dit geval over de aanwezigheid van vluchtelingen binnen de Europese (en vooral natuurlijk Nederlandse) grenzen. De taak die Raimondi zichzelf als dichter stelt is dan ook niet om een zuiverder1, transparanter of meer eenduidige taal te vinden of te creëren, maar om zoveel mogelijk het (economische, historische en politieke) krachtenveld waarbinnen bepaalde discoursen en betekenissen zijn geproduceerd en productief zijn geworden zichtbaar te maken en te verkennen (2006, 91).

Via zijn gedichten probeert Raimondi te achterhalen op welke manieren de ordening (de syntax) van de maatschappij zich in de taal (en via de taal) manifesteert, maar ook in het landschap, in de objecten die ons omringen en in onze culinaire gewoontes en gebruiken. Zijn eerste (en enige) gepubliceerde dichtbundel Poesía civil (2001) onderzoekt deze relatie aan de hand van voorbeelden die voor een belangrijk deel afkomstig zijn uit de omgeving van Ingeniero White waar Raimondi jarenlang heeft gewerkt voor het Museo del Puerto, dat aan de hand van mondelinge getuigenissen en door bewoners gedoneerde objecten het verhaal vertelt van de gemeenschap van deze havenplaats bij Bahía Blanca. Het is een werk waarin uiterst ongemakkelijke parallellen komen bovendrijven tussen de logica van de militaire dictatuur en die van het neoliberalisme van de jaren negentig, maar onder andere ook wordt stilgestaan bij de etymologie van het woord fiscus (93) en, van geheel andere orde, bij de geboorte van zijn zoon (50).

Kort na de publicatie van dit werk is Raimondi begonnen aan het project waar ook de vijf hier vertaalde gedichten onderdeel van zijn: Para un diccionario crítico de la lengua. Het bestaat uit een groeiende reeks teksten voor een ‘kritisch woordenboek’ waarvan de (uiteraard alfabetisch geordende) titels fungeren als lemma’s, in dit geval: CESO, DIBISTANÊ, FOUCAULT (MICHEL), SKEP en WANLLASQA. De woorden en begrippen die in de gedichten worden onderzocht (want definities zul je in dit woordenboek niet aantreffen) zijn afkomstig uit allerlei verschillende disciplines en ook, zoals dit lijstje waarschijnlijk al verraadt, uit verschillende talen. Gezamenlijk proberen ze ons oog te laten krijgen voor ogenschijnlijke details of evidenties in onze (talige) omgeving die ons bij nadere beschouwing verrassende, bevreemdende en soms ook onaangename dingen over onszelf kunnen vertellen.

 

 

1) Voor de lezer aan wie de intertekstuele verwijzing zich opdringt: hij gebruikt dit woord inderdaad in verwijzing naar de bekende versregel van Mallarmé uit ‘Le tombeau d’Edgar Poe’ waarin diezelfde taak omschreven lijkt te worden als ‘donner un sens plus pur aux mots de la tribu’. Nog los van dat hij dit te veel eer voor de dichter vindt, vraagt Raimondi zich af over wiens mots we het dan eigenlijk hebben: wie is la tribu? En vooral: wie hoort er niet bij? (2008, 67)

Referenties
Raimondi, Sergio. Poesía civil, Ediciones VOX, 2001.

Raimondi, Sergio. ‘El sistema afecta la lengua. Sobre la poesía de Martín Gambarotta.’ Margens/Márgenes, 9/10, 2007, pp. 50–59.

Raimondi, Sergio. ‘El método de trabajo ya contiene la poética.’ Interview door Hernán Pas. Katatay, 6, 2008, pp. 65–71.

Raimondi, Sergio. ‘Sergio Raimondi. No hay mundo de un lado y versos del otro’ [2006]. Interview door Osvaldo Aguirre. La poesía en estado de pregunta: 10 entrevistas, Gog y Magog Ediciones, 2014, pp. 81–103.

Over de auteur:

Bodil Carina Kok (1982), vertaalster uit het Spaans en promovenda aan de Universität Heidelberg.