thema:

Treinreis

Vertaling:

’t Was verrukkelijk zoals we zachtjes voortgleden, zonder geschok, licht trilden, voortpuften, je voelde het nauwelijks. Blijkbaar was het mechaniek uitstekend. We hadden het gevoel alsof we in een schitterend theater zaten, zo stil gingen we vooruit, vlogen we voort, van de ene streek naar de andere.

De passagiers leken mij verbazingwekkend zorgeloos, buitengewoon beschaafd, ongehoord verstandig, reusachtig beleefd en eminent ontwikkeld.

Waar reden we heen? Waar waren we ingestapt? Als ik dat eens wist! Helaas is het mij ontschoten, en moet ik de lezer dus in het ongewisse laten. Maar het weer was zo goed als kristalhelder en stralend, de hemel blauw als porselein, het land groen, hier en daar zagen we vriendelijke huisjes met mensen die uit het raam keken, en kinderen die ons met zakdoekjes nawuifden alsof ze riepen: ‘Adieu en veel geluk.’

En er woei een luchtstroom, ik bedoel, een wind door de wagons die open waren zodat zich voor mooie voorhoofden lokjes verroerden en veertjes op schattige hoeden opgewonden raakten.

Zo nu en dan zat er iemand te praten, een ander sliep alsof hij in bed lag, een derde at iets, of ’t nou een sinaasappel was of een biscuitje of chocolade of een plakje gerookte ham. Dan stonden hun ogen opgewekt, waren hun wangen blakend rood, hun lippen rond en levendig en gewelfd, ongeveer zoals Beardsley ze tekende, en hun neuzen heel, heel klein en hun kin was dan telkens heel erg geestig.

Qua intellect waren we zogezegd godzijdank allemaal zeer verheven; niemand twijfelde aan zijn superbe kwaliteiten. Je zag handelingen die tot juichen stemden, hoorde denkwijzen die om te zoenen waren, uitdrukkingen die domweg gelukkig maakten. Daar zaten: kooplui, graven, lolbroeken en nonnen, louter nobele lieden en brave zielen en knappe koppen.

Niemand hield ook maar een minuut op met tevreden zijn. Buiten verschenen nu eens bruggen, dan weer bergen, of een hotel, of een school of ziekenhuis of andersoortig gebouw. De zon glimlachte. Oh, wat was alles toch simpel en aangenaam en vrolijk.

‘Waar gaat u naartoe?’, vroeg ik een totaal ondefinieerbare, zonderlinge man. ‘Ik bekommer me om geen enkel doel. Ergens zullen we wel stoppen, dan zal ik uitstappen, en de rest zal zich wel wijzen.’ Ik vond zijn nauwgezette antwoord zowel onnozel als geestig en nam hartelijk afscheid van hem.

Er was niemand die zich zorgen maakte om wat komen ging of voorbij was. Het heden was te fascinerend. Wat had men zich af moeten vragen? We reden en vlogen voort, over heuvels en vlakten, door donkere tunnels, door lachende, lieflijke landschappen en vermoedelijk zelfs over de zee, door alle landstreken.

Waarom had, bijvoorbeeld, schrijver dezes aan iets anders moeten denken dan aan de vraag hoe je nou echt comfortabel kon zitten? Wij waren zo geraffineerd, er door en door van overtuigd dat alles allang in orde was, en dat zorgen onzin waren, dat alles vermaak, niets verdriet was en dat alleen je welbehagen iets waard was, want alleen dat was ’t dat op iets eeuwigs leek.

Uit: Robert Walser, De vrouw op het balkon en andere prozastukjes, Parrèsia: Amsterdam 2013.

lees meer:
Kleine voettocht
Zenuwachtig

Inleiding op Robert Walser door Machteld Bokhove

 

 

Over de auteur:

Robert Walser (1878-1956) geldt als een van de grote Duitstalige schrijvers van de twintigste eeuw. In zijn prozastukjes betoont hij zich een meester in minutieuze observaties en lichtvoetige ironie. Zijn werk heeft menig collegaschrijver beïnvloed: tot zijn bewonderaars behoren onder anderen Franz Kafka, Robert Musil, Walter Benjamin, Hermann Hesse, Elfriede Jelinek en J.M. Coetzee.

Over de vertaler:

Machteld Bokhove (1949) is architecte en Robert Walservertaalster. Ze publiceert haar vertalingen op www.robertwalser.nl. Twee prozastukjes verschenen in 2009 in het tijdschrift 'Armada', en recent kwam een bundeling uit onder de titel 'De vrouw op het balkon en andere prozastukjes' (Uitgeverij Parrèsia, 2013). Momenteel werkt Machteld Bokhove aan een nieuwe vertaling van Walsers roman 'Der Gehülfe'.