thema:

Twee talen, één stem. In gesprek met Aurélia Lassaque

Vertaling:

Aurélia Lassaque, wat is poëzie voor jou?

De troubadours gebruikten het werkwoord ‘trobar’, vinden, voor het schrijven van poëzie. Ik heb inderdaad wel enigszins het gevoel dat de gedichten die ik heb geschreven niet zozeer door mij gemaakt zijn, maar ontdekt en openbaar gemaakt. Ik ben er trots op dat ik vandaag de dag nog in de taal van de troubadours schrijf, die ons hebben geleerd dat dichters vinders zijn: mannen en vrouwen die als pioniers een territorium verkennen dat een en al mysterie is, en terugkomen met nieuwe zangen, als brengers van nieuwe talen, hun huid getatoeëerd met tekens. Poëzie is een verborgen planeet in het hart van het menselijk universum. Je moet hem in je eentje verkennen, maar de dichter brengt hem in kaart, en is vrij om de gebergten en afgronden, de woestijnen en de oases een naam te geven, of juist van de kaart te vegen. Poëzie geeft zich nooit helemaal aan de lezer, maar iedereen is welkom om als een koorddanser langs haar regels te balanceren.

 

Hoe staat het Occitaans ervoor in 2018?

In Frankrijk heeft het image van de Occitaanse taal sterk te lijden van de (al oude) uitvinding van het woord ‘patois’. Die negatieve term is in de zeventiende eeuw bedacht om de andere talen die in Frankrijk naast het Frans bestonden niet als taal aan te hoeven duiden. Zo zijn ze geleidelijk gemarginaliseerd, en is de bevolking ervan overtuigd geraakt dat het talen zonder geschiedenis en zonder cultuur zijn. Buiten een paar universiteiten in Zuid-Frankrijk is de geschiedenis van de Occitaanse literatuur volslagen onbekend, en hetzelfde geldt voor de lyriek van de troubadours met haar Europese uitstraling, voor de ongelooflijk rijke poëzie en toneelproductie van de zestiende en zeventiende eeuw, en zelfs voor de Nobelprijs die in 1904 is uitgereikt aan Frédéric Mistral… Daar moet ik bij zeggen dat de reacties en het oordeel nog het hardst zijn in het Occitaanse taalgebied zelf – het zuidelijkste derde deel van Frankrijk. Dat is de weerslag van wat men wel ‘la vergonha’ heeft genoemd, de schaamte voor hun eigen taal die veel Occitaanssprekenden, en later hun nakomelingen, zich eigen hebben gemaakt. Die schaamte vind je ook terug bij alle mensen die zeggen dat ze ‘patois’ spreken in Bretagne (Keltisch), in Frans Baskenland (een niet Indo-Europese taal) of in Perpignan (Catalaans)… Het Occitaans is tot in de jaren ’50 de belangrijkste taal gebleven in Zuid-Frankrijk. Dat komt overeen met de generatie van mijn vader. Een of twee generaties zijn dus genoeg geweest om een taal, zijn literatuur, zijn gebruiken en zijn geschiedenis bij te zetten in het museum en als folkloristisch af te serveren. Hoewel dat natuurlijk een bedroevende toestand is, voelde ik in mijn eerste jaren als ‘jonge occitaniste’ toch algauw een zekere gêne als ik hoorde hoe simplistisch en zwart-wit sommige activisten dachten die het Frans en het Occitaans tegenover elkaar stelden in een logica van onderdrukker versus onderdrukte. Maar op een bepaald moment drong tot me door dat degenen die zo dachten en handelden tot de vorige generatie behoorden, en rechtstreeks getuige waren geweest van de bijna complete verdwijning van de taal. Maar na een aardbeving moet je je huis opnieuw opbouwen, opnieuw beginnen in een nieuw landschap dat anders is dan dat in onze herinnering, anders dan dat van onze voorouders. Zo heeft het handjevol Occitaanssprekenden van mijn generatie Frans als moedertaal. Occitaans is in het beste geval een taal die ze van hun familie geleerd hebben (zoals ik), soms op school (maar de leraren zijn dun gezaaid) of aan de universiteit. Anderen zoals ik, jonge musici, onderzoekers of dichters, proberen nu routes uit te stippelen naar nieuwe mogelijkheden.

 

Heb je niet de indruk dat het grondgebied en het verleden die je vertegenwoordigt jouw creativiteit (of op die van andere schrijvers) ook kunnen remmen, omdat ze wellicht de druk van de traditie  – die nieuw leven ingeblazen dient te worden – stellen tegenover de vrijheid om te vernieuwen die je als auteur kunt hebben in een dominante taal, die niet dat probleem heeft?

In mijn ogen wegen die grond en die geschiedenis niet zwaarder als je in een minderheidstaal schrijft dan in een officiële taal. Integendeel, ik zou zeggen dat schrijven in een taal die niet meer wordt gesproken in de maatschappij je juist creatieve vrijheid heeft, omdat het gebruik van die taal daardoor minder vastligt, minder ingeperkt wordt. School vormt ons, maar heeft vaak ook een remmende werking op onze creativiteit door de manier waarop poëzie er onderwezen wordt. Met de Occitaanse poëzie  heb ik nooit binnen het schoolsysteem kennisgemaakt, en daardoor had ik daar een veel authentiekere, lichtere verhouding mee dan met de Franse poëzie, die me onbereikbaar leek. Ik vind dat  je je om poëzie te schrijven moet losmaken van al het bijkomende (zonder te ontkennen dat het bestaat). De talen waarin ik schrijf zijn voor mij in de eerste plaats gemaakt van klank en ritme,  waarmee het teken verbonden wordt met de klank en de betekenis. Daarnaast wil ik niet tot elke prijs vernieuwen, ik zoek in mijn poëzie naar een tijd die evenmin in de actualiteit als in het verleden verankerd is… Ik denk dat het goed is als je in je gedichten de illusie kunt wekken van een eeuwigdurend heden.

 

Hoe is het Occitaans voor jou een taal geworden om in te dichten?

Bij toeval… Toen ik achttien was, stelde een Engelse vriend me voor om een gedicht te schrijven voor een Engelse poëzieprijs in een van de Romaanse talen. Ik heb toen eigenlijk als vanzelfsprekend een gedicht in het Occitaans geschreven, zonder enige vorm van kritische reflectie. Achteraf denk ik dat ik begrijp hoe die keuze tot stand is gekomen. Ik spreek vloeiend Occitaans, maar het is niet mijn moedertaal. Onze moedertaal, welke dat ook is, is van meet af aan een instrument voor praktisch gebruik in onze relatie met de wereld en voor de overdracht van remmende conventies en  verboden. Omdat ik niet met het Occitaans ben opgegroeid, voel ik die belemmeringen niet, en kon ik me in die taal aan een nieuwe, scheppende en bevrijdende ervaring wagen. Als ik ‘scheppend’ zeg, denk ik aan Bergson, want poëzie zoals ik die zie komt overeen met zijn opvattingen over kunst in het algemeen; volgens Bergson leren we van de kunst, omdat die volkomen losstaat van de utilitaristische wereldbeschouwing, om een nieuwe visie op de werkelijkheid te hebben. Daarom heb ik, toen ik een gedicht moest schrijven, de taal gebruikt waar ik van hou om zijn kleuren, zijn klanken en zijn ritmes, maar vooral ook omdat hij een esthetische onthechting ten opzichte van de wereld mogelijk maakt. Daardoor kan ik die wereld benaderen vanuit een zuiver poëtische dimensie. Daarnaast heeft de schrijfervaring die ik in het Occitaans heb kunnen opdoen me in staat gesteld om me in de loop der jaren ook mijn moedertaal eigen te maken als scheppende taal.

 

Over die tweetaligheid schrijft je Franse uitgever, Bruno Doucey in 2013, naar aanleiding van het verschijnen van De zang van salamanders: ‘Ze schrijft in twee talen, het Occitaans en het Frans, zonder dat de lezer in haar helder vloeiende werk altijd kan zien of er sprake is van een samenloop, of dat het ene een aftakking van het andere is. Ze schrijft in twee talen, maar spreekt met één stem, want haar poëzie is gemaakt om gezegd, gezongen en gedanst te worden. Zij is Aurélia Lassaque, een jonge vrouw die al schrijvend een duizendjarige lijn doortrekt, als erfgename van mannen en vrouwen die hebben ontdekt hoe ze de taal van hun land konden laten zingen’. Kun je wat meer zeggen over je werkwijze, je tweetalige schrijven dat je niet als vertalen omschrijft?

Na dat eerste gedicht voor die wedstrijd in Engeland ben ik zonder vastomlijnd plan doorgegaan met schrijven. In die tijd schreef ik alleen in het Occitaans. Mijn eerste bundel is verschenen bij een uitgeverij in Toulouse (Cinquena Sason, Letras d’Oc, 2005). Pas daarna, toen ik de gedichten uit die bundel wilde delen met de mensen om me heen, kwam ik proefondervindelijk tot de conclusie dat dat zonder Franse versie niet zou lukken.

Op dat moment rees het probleem van de vertaling. Ik heb wel geprobeerd ze te vertalen, maar ik was er niet tevreden over. Andere mensen hebben me voorgesteld om het te doen, en dat was nog erger… Zo ben ik ten slotte uitgekomen op een tweetalig schrijfproces waarbij ik elk gedicht tegelijk in het Occitaans en in het Frans schrijf, in een voortdurende dialoog tussen de twee talen. Het resultaat is één gedicht in twee oorspronkelijke talen. Ik gebruik dus twee aparte vellen papier, één voor elke taal, en het gedicht  ontstaat uit een wisselwerking, een spel van analogieën, overeenkomsten en contrasten in de lege ruimte waar de twee talen elkaar vinden.

 

Als je je Franstalige werk beschrijft als ontstaan uit de behoefte met een breder publiek te delen wat je in het Occitaans schreef, betekent dat toch dat ze aanvankelijk een secundaire positie innamen. Maar de manier waarop je nu schrijft plaatst beide versies op hetzelfde niveau, al zijn ze eerder complementair dan inwisselbaar. Zie ik dat goed, of bestaat er toch nog steeds een rangorde tussen de twee ?

Dat klopt niet helemaal. Mijn Franse gedichten waren niet aanvankelijk secundair, omdat ze aanvankelijk niet bestonden. Zodra ik tweetalige poëzie ben begonnen te schrijven , deed ik dat zoals ik eerder beschreef, via een proces waarbij een enkel gedicht in twee oorspronkelijke talen ontstaat. Anders gezegd: vanaf het moment dat mijn poëzie tweetalig was, hebben de twee talen inderdaad altijd naast elkaar op hetzelfde niveau gestaan, zonder enige rangorde. Het enige verschil is dus dat het Occitaans er eerder was.

 

In je nieuwste bundel, En quête d’un visage (‘Op zoek naar een gezicht’, verschenen bij Bruno Doucey in 2017), herinterpreteer je de mythe van Odysseus in de vorm van een poëtische dialoog in acht zangen. Je slecht daarmee de genregrens tussen poëzie en theater. Waar komt die aanwezigheid van de klassieke oudheid en van theater in je poëzie uit voort?

Zoals een criticus afgelopen herfst schreef, probeer ik in feite ‘niet zozeer om de mythe te herschrijven, als wel het mechanisme van de mythe, met de universele geschiedenis van Odysseus, oftewel van een man en een vrouw die door het lot uiteen worden gedreven, als drager’. Daarnaast is er ook een persoonlijke verklaring voor die mythologische thematiek. Sommige mensen groeien op met religieuze teksten, anderen met sprookjes, en ik met de Griekse mythologie. Mijn verbeelding is gevoed door die verhalen. Mijn vader sprak Nieuwgrieks, ik heb als kind reizen gemaakt naar Griekenland en Kreta, ik heb in de tempel van Minos het Lineair A aangeraakt, de adelaars op de berg Ida gezien. Mijn lievelingsfilm was Orpheus van Jean Cocteau… Dat alles is een voedingsbodem voor me geweest. Dat neemt niet weg dat er een heleboel andere aspecten van mijn jeugd zijn die ik in mijn poëzie had kunnen verkennen. Misschien is het ook wel zo – teruggrijpend op wat ik eerder zei over de toestand van het Occitaans, de moeilijke relatie met het Frans en het complex van tweetaligheid waar degenen die beroofd zijn van hun taal en geschiedenis mee worstelen – dat het gebruik van de Griekse mythologie in een tweetalige bundel een manier is om voort te bouwen op wat ons verleden en ons heden gemeen hebben. Een manier om dankzij de poëzie ‘door te dringen tot de bronnen van de zee’ (een van mijn favoriete verzen uit het boek Job).

Wat betreft de vermenging van toneel en poëzie: ik weiger me neer te leggen bij bestaande grenzen. Al vanaf het begin probeer ik de grens die men tussen de talen denkt te zien uit te wissen. Dit keer wilde ik een zo groot mogelijke verzoening tussen poëzie en toneel tot stand brengen, want het onderscheid tussen die twee genres is pas later aangebracht. Ik wilde dat de bundel een dramatische opbouw zou volgen om de gesproken en scenische dimensie van de gedichten te versterken, vooral ook omdat er als ik schrijf vaak een gesproken fase aan het schrijven voorafgaat. Ik zeg een gedicht voor ik het op papier zet, en ik kan pas zeggen dat het af is als ik het hardop gelezen heb.

 

Je zegt dat je geen bestaande grenzen wilt accepteren. Dat universele karakter komt ook duidelijk naar voren in de thematiek van je laatste bundel. Maar in dat geval: als identiteit, en dan vooral collectieve identiteit, niet door grenzen wordt gedefinieerd, waardoor dan wel?

Identiteit, zoals ik die zie, wordt bepaald door ons zijn. Ons bestaan in de wereld. De grens, de ultieme grens, die we allemaal kennen en waar we constant mee geconfronteerd worden, dat is de grens tussen het individu en de ander. Die is zowel fysiek als mentaal. Al het overige zijn historische, sociale, politieke, culturele, religieuze en genderconstructies. Natuurlijk hebben die conjuncturele elementen een werking die de contouren van onze overtuigingen en onze persoonlijkheid bepaalt, maar, om terug te komen op de rol van het gedicht, dat moet volgens mij erin slagen om in ieder lichaam een weerklank te vinden, ongeacht de leeftijd, het geslacht, de vlag waaronder het leeft. Ik denk dat er niet één, maar meerdere collectieve identiteiten zijn, waar we ons meer of minder verwant mee voelen. Geografische grenzen vormen maar één van de criteria die samen onze identiteit bepalen, het is de neiging van de mens om zijn medemensen te willen domineren die net dat criterium tot paradigma heeft verheven…

Over de auteur:

Aurélia Lassaque (1983) dicht in het Frans en in het Occitaans. Haar lezingen spelen zich af op het kruispunt van gesproken tekst en zang. Ze zet zich in voor taaldiversiteit en treedt wereldwijd op. Haar recentste bundel, En quête d'un visage, verscheen in 2017 bij uitgeverij Bruno Doucet. Een eerdere bundel verscheen in Nederlandse vertaling bij Azul Press (De zang van salamanders, 2013).

Over de vertaler:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.